id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091224.5 Rolnummer: C.06.0279.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2010-01-21 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-07-02 20:54 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.5 Fiches 1 - 3 De stedenbouwkundig inspecteur treedt op in naam van het Vlaamse Gewest zowel bij het vorderen van een herstelmaatregel als bij het ten uitvoer leggen van de bevolen herstelmaatregel en van de verschuldigde dwangsommen, zodat het cassatieberoep dat gericht wordt tegen hem als handelend of optredend in naam van het Vlaamse Gewest, ontvankelijk is
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Vlaams Gewest - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, §§ 1 en 2, en 153 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Vlaams Gewest - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, §§ 1 en 2, en 153 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verweerders - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Handelend of optredend in naam van het Vlaams Gewest - Tegen hem gericht cassatieberoep - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, §§ 1 en 2, en 153 Fiche 4 Indien in strafzaken een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, kan de dwangsom slechts worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Strafzaken - Uitspraak die de dwangsom oplegt - Verbeurte - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 373 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385bis, derde lid Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Vlaams Gewest - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Vlaams Gewest - Stedenbouwkundig inspecteur - Hoedanigheid - Cassatieberoep - Verweerder - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verweerders - Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Herstelvordering - Tenuitvoerlegging - Dwangsom - Stedenbouwkundig inspecteur - Handelend of optredend in naam van het Vlaams Gewest - Tegen hem gericht cassatieberoep - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Strafzaken - Uitspraak die de dwangsom oplegt - Verbeurte - Aanvang Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.06.0279.N Conclusie van advocaat-generaal Vandewal Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan werd eiser bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000: bevolen, "inzake de constructies voorzien in de tenlasteleggingen A.5 en B.5 en gebouwd op de percelen sectie A nr. 139, over te gaan tot sloping der constructies binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop onderhavig arrest kracht van gewijsde zal hebben verkregen" en werd eiser veroordeeld "te betalen een dwangsom van 5.000 fr. per dag wanneer aan de veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat geen gevolg wordt gegeven binnen de gestelde termijn"; bevolen, "inzake de constructies voorzien in de tenlasteleggingen A.6 en B.6 en gebouwd op de percelen sectie A nr. 119a, over te gaan tot sloping der constructies binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop onderhavig arrest kracht van gewijsde zal hebben gekregen"; bevolen, inzake de op sectie A perceel 113a verbouwde paardenstallen (tenlastelegging A.7) binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop onderhavig arrest kracht van gewijsde zal hebben gekregen, over te gaan tot aanpassingwerken bestaande uit het bekleden van de gevels uit betonstenen met baksteenmetselwerk ofwel het aanbrengen van een sierbepleistering uit lichte kleur" en werd eiser veroordeeld "te betalen een dwangsom van 1.000 fr. per dag wanneer aan de verordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat geen gevolg wordt gegeven binnen de gestelde termijn". Eisers voorziening tegen dit arrest werd bij arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 verworpen. Op 25 november 2002 werd het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 aan eiser betekend, met bevel deze beslissing uit te voeren. Op 26 juni 2003 werd het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 aan eiser betekend met de vermelding dat deze betekening louter ten overvloede geschiedde, en niets wijzigde aan de door de rechter opgelegde verplichting tot herstel in de vorige staat voor 12 december 2002 noch aan het dagelijks verbeuren van de door de rechter bepaalde dwangsom vanaf deze datum, gelet op de betekening van het arrest van de dwangsomrechter van 16 maart 2000 op 25 november 2002. Er werden een aantal bevelen tot betaling betekend wegens verbeurde dwangsommen, waarna op 20 april 2005 uitvoerend beslag op roerend goed werd gelegd. Bij exploot van 13 mei 2005 deed eiser verzet tegen deze bevelen tot betaling en tegen het uitvoerend beslag op roerende goederen. Hij vorderde dat de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen zou zeggen voor recht dat de dwangsom niet verbeurd is wegens verlies van actualiteit van de titels op basis waarvan de dwangsom wordt verbeurd, minstens wegens misbruik van beslagrecht, en in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat geen dwangsom kan worden verbeurd met betrekking tot de periode voorafgaand aan 26 juni 2004. De beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verklaarde de vordering deels gegrond en zegde voor recht dat de dwangsommen, opgelegd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000, verbeurd zijn na het verstrijken van de in dit arrest bepaalde termijn vanaf de betekening van het arrest bij exploot van 25 november 2002. Eiser stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, waarop verweerder incidenteel beroep instelde. Het hof van beroep te Antwerpen verklaarde het hoger beroep van eiser ongegrond, willigde het incidenteel hoger beroep van verweerder in en besliste met hervorming van de beroepen beslissing dat de vordering van eiser ongegrond is. Het cassatieberoep tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van huidige procedure. Het cassatiemiddel Bij het enig middel tot cassatie komt eiser op tegen het bestreden arrest, waarbij het hof van beroep te Antwerpen de beslissing van de eerste rechter hervormt en zijn vordering volledig ongegrond verklaart. Die beslissing is onder meer gestoeld op de overweging dat in onderhavige zaak de dwangsomrechter geen bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek had uitgesproken, zodat de termijn om de veroordeling uit te voeren begon te lopen vanaf het in kracht van gewijsde treden van het arrest, hetzij vanaf 11 december 2001, om te verstrijken op 11 december 2002, zodat de dwangsommen verschuldigd waren vanaf 12 december 2002. Bovendien was er voldaan aan de vereiste van kennisgeving van het dwangsomarrest, gelet op de uitdrukkelijke vermelding op de uitgifte van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 evenals in het exploot van betekening van dit arrest van de verwerping van het cassatieberoep. Het middel wordt ontwikkeld in twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat luidens het derde lid van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom
(1), de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Deze betekening heeft volgens eiser niet enkel tot doel de beslissing op formele wijze ter kennis te brengen van de veroordeelde, maar strekt er tevens toe de veroordeelde mee te delen dat de partij die de veroordeling heeft verkregen, de uitvoering ervan nastreeft. Eiser vervolgt dat uit de rechtspraak van het Benelux-Gerechtshof ook volgt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd zolang de uitvoerbaarheid van de rechterlijke beslissing geschorst is. Tenslotte geldt overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering in strafzaken dat de tenuitvoerlegging van een arrest van het hof van beroep geschorst is indien er een cassatieberoep is ingesteld. Eiser wijst er voorts op dat Uw Hof in meerdere arresten besliste dat uit de samenlezing van het betekeningsvereiste in artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek en de schorsende werking van het cassatieberoep in strafzaken volgt dat, indien in strafzaken een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, de dwangsom slechts kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt. In zoverre het hof van beroep beslist dat de betekening die op 25 november 2002 plaatsvond volstond om de dwangsom te doen verbeuren, hoewel op die datum het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001 niet mee betekend werd, doch er enkel op het arrest van het hof van beroep, dat bij het betekeningsexploot van 25 november 2002 werd gevoegd, evenals in het betekeningsexploot vermeld stond dat het cassatieberoep op 11 december 2002 verworpen was, heeft het volgens eiser zijn beslissing niet naar recht verantwoord en heeft het de artikelen 32, 1° en 1385bis, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek en 373 van het Wetboek van Strafvordering geschonden. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat krachtens het vierde lid van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek de rechter kan bepalen dat de veroordeelde de dwangsom pas na verloop van een zekere tijd zal kunnen verbeuren. Deze termijn begint pas te lopen vanaf het ogenblik van de betekening van de beslissing die de dwangsom oplegt, zelfs indien die beslissing bepaalt dat deze termijn begint te lopen vanaf het in kracht van gewijsde gaan van die beslissing. Eiser vervolgt dat het arrest dat inzake stedenbouw met toepassing van artikel 68, §1, van het decreet van 22 oktober 1996, thans 149, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, het herstel van de plaats in de vorige staat beveelt binnen een termijn van één jaar van het in kracht van gewijsde gaan van het arrest en beslist dat een dwangsom verschuldigd is bij gebrek aan uitvoering van het arrest binnen een termijn van één jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de dwangsom pas kan verbeuren vanaf het ogenblik van het verstrijken van de termijn van één jaar vanaf de betekening van de beslissing waarbij de dwangsom werd opgelegd. Eiser besluit dat het bestreden arrest de aard van de in het arrest van 16 maart 2000 opgenomen termijn miskent door te oordelen dat de dwangsomrechter geen bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek had uitgesproken, vermits de termijn, vermeld in het arrest, wel degelijk diende beschouwd te worden als een termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat deze termijn geen aanvang kon nemen voor de betekening van het arrest van de dwangsomrechter. Bijgevolg zou het arrest de artikelen 1385bis, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek evenals artikel 68, §1, van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, thans artikel 149, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening schenden. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep Verweerder voert in de memorie van antwoord aan dat de stedenbouwkundige inspecteur een duidelijk van het Vlaams Gewest te onderscheiden partij is die in eigen naam optreedt en dat alle vorderingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel op straffe van niet-ontvankelijkheid dan ook zullen moeten gericht worden tegen de stedenbouwkundige inspecteur in eigen naam. Nu het cassatieberoep in casu gericht is tegen de stedenbouwkundig inspecteur, handelend in naam van het Vlaams Gewest, meent verweerder dat de voorziening niet ontvankelijk is. Ik meen dat het cassatieberoep wel degelijk ontvankelijk is. Krachtens artikel 149, §2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt de herstelvordering bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaams Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen. De stedenbouwkundige inspecteur is een gewestelijk ambtenaar, die aangesteld wordt door de Vlaamse regering. Uit voormelde decretale bepaling volgt dat de stedenbouwkundig inspecteur zowel bij het vorderen van een herstelmaatregel als bij de tenuitvoerlegging ervan optreedt in naam van het Vlaams Gewest. Zoals door eiser vermeld in zijn memorie van wederantwoord impliceert dit geenszins dat het Vlaams Gewest als eigenlijke procespartij wordt aangewezen, maar brengt de toevoeging "in naam van het Vlaams Gewest" tot uitdrukking dat er ondanks het zelfstandig optreden van de stedenbouwkundige inspecteur als procespartij een band blijft bestaan met het Vlaams Gewest. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep lijkt mij niet aangenomen te kunnen worden. Bespreking van het eerste onderdeel van het middel In het eerste onderdeel rijst de vraag naar de juiste omvang van de betekeningsverplichting van de uitspraak van de dwangsomrechter vooraleer dwangsommen kunnen worden verbeurd, ingevolge de bepaling van artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, bepaalt immers dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. In casu werd de dwangsom vastgelegd in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000. Dit arrest werd door eiser bestreden voor Uw Hof, dat bij arrest van 11 december 2001 zijn cassatieberoep verworpen heeft. De vraag rijst dan ook of het verwerpingsarrest van Uw Hof, waardoor het arrest van het hof van beroep kracht van gewijsde bekwam, in het licht van artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, medebetekend moet worden aan de dwangsomschuldenaar vooraleer de dwangsom kan verbeuren. Uw Hof heeft in deze problematiek een arrest geveld op 6 mei 2005
(2). De redenen van dit arrest lijken mij nog steeds pertinent te zijn. Zoals blijkt uit de arresten van het Benelux-Gerechtshof in de zaken A 84/3 van 5 juli 1985
(3)en A96/1 van het Benelux-Gerechtshof van 12 mei 1997
(4),wordt de dwangsom niet verbeurd gedurende de tijd dat wegens het instellen van een rechtsmiddel de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst. Een dwangsom is slechts verschuldigd indien de hoofdveroordeling waaraan zij is verbonden, niet wordt nagekomen, waarvan eerst sprake kan zijn wanneer de hoofdveroordeling uitvoerbaar is geworden, met andere woorden wanneer het vonnis of arrest waarin deze is vervat uitvoerbaar is geworden. Het vermelde betekeningsvereiste strekt ertoe aan de schuldenaar ter kennis te brengen dat de schuldeiser nakoming van de in de rechterlijke uitspraak vervatte hoofdveroordeling verlangt, hetgeen onderstelt dat voldaan is aan alle voorwaarden die zijn gesteld aan de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling. Hieruit volgt dat, mede gelet op het belang van beide partijen dat ter zake zo min mogelijk onzekerheden bestaan en geschillen zoveel mogelijk worden voorkomen, de betekening mede ertoe strekt aan de veroordeelde te doen blijken dat naar het oordeel van de schuldeiser aan de eisen voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is voldaan. Overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering, is de tenuitvoerlegging van een arrest van het hof van beroep is geschorst indien er een cassatieberoep is ingesteld. Hieruit volgt dat, in strafzaken, indien een cassatieberoep is ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep dat een dwangsom oplegt, de dwangsom slechts kan worden verbeurd vanaf de betekening aan de schuldenaar van het arrest dat het cassatieberoep verwerpt. Zulks blijkt voldoende uit de vermelde arresten van het Benelux Gerechtshof zodat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent deze oplossing en dienaangaande geen vraag van uitleg in de zin van artikel 6 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof moet worden gesteld. Ik meen dan ook dat de op het betekeningsexploot van 25 november 2002 of in de betekende uitgifte van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 aangebrachte vermelding dat het ingestelde cassatieberoep was verworpen, die verplichte betekening niet kan vervangen. Onder het begrip "betekening" verstaat men immers volgens artikel 32, 1° van het Gerechtelijk Wetboek "de afgifte van een afschrift van de akte bij gerechtsdeurwaardersexploot". De volledige titel dient betekend te worden, zodat een betekening die enkel een verwijzing naar een rechterlijke beslissing bevat niet volstaat. De dwangsom kon dan ook slechts verbeuren vanaf de betekening van het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001, die geschiedde op 26 juni 2003. De appelrechters hebben door hun oordeel dat de betekening op 25 november 2002 van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2000 waarbij de dwangsom werd opgelegd, volstond om de dwangsommen te doen verbeuren vanaf 12 december 2002, zijnde de eerste dag na het verstrijken van de termijn om tot herstel over te gaan, hoewel op die datum het arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2001, waarbij het cassatieberoep tegen voornoemd arrest werd verworpen, niet mee was betekend, naar mijn mening dan ook de vermelde wettelijke bepalingen geschonden. Het onderdeel lijkt mij gegrond te zijn. Bespreking van het tweede onderdeel van het middel Gezien de grieven ontwikkeld in dit onderdeel niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, dienen zij naar mijn mening niet te worden ontmoet. Daarenboven lijken deze grieven mij overigens helemaal niet tot cassatie te kunnen leiden, nu het onderdeel mij inderdaad niet aangenomen lijkt te kunnen worden. Dit tweede onderdeel stelt de problematiek van het al dan niet duale karakter van de door de rechter toegekende termijn aan de orde. Deze problematiek doet meer bepaald de vraag rijzen of de dwangsomrechter die een dwangsomveroordeling uitspreekt en die hierbij enkel een uitvoeringstermijn bepaalt, automatisch en zonder meer ook een respijttermijn bepaalt. Deze vraag is belangrijk omdat uitvoerings- en respijttermijn immers twee onderscheiden begrippen zijn die wezenlijk verschillend zijn van juridische aard en strekking. Het onderscheid tussen beide termijnen werd reeds benadrukt in 's Hofs arrest van 9 juni 1998, waarin Uw Hof liet opmerken dat het ogenblik waarop de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd en het ogenblik waarop de veroordeling tot betaling van een dwangsom uitwerking zal hebben niet noodzakelijk samenvallen met het ogenblik waarop de dwangsom wordt verbeurd
(5). Ook het Benelux-Gerechtshof benadrukte in zijn arrest van 25 juni 2002, gewezen op twee prejudiciële vragen gesteld door Uw Hof bij arresten van 16 juni 2000, het onderscheid tussen beide termijnen; het verklaarde immers voor recht dat de termijn die de dwangsomrechter aan de veroordeelde verleent om een hoofdveroordeling uit te voeren geen termijn is in de zin van artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet. Het Benelux-Gerechtshof benadrukte in overweging 9 dat de beide termijnen van verschillende juridische aard en strekking zijn
(6). De uitvoeringstermijn is immers de termijn die de rechter toekent om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen. Specifiek in stedenbouwzaken is dergelijke termijn voorzien in art. 149, §1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Art. 149, §1, eerste lid, bepaalt dat de rechtbank, naast de straf, kan bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen bepaalt en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. De vraag rijst dan ook hoe deze specifieke dwangsomvordering zich verhoudt tot het gemene dwangsomrecht. De zinsnede "de rechtbank bepaalt een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregel" wijst naar mijn oordeel duidelijk op een uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling. Het is een termijn die noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het herstel. De uitvoering van de hoofdveroordeling zal immers noodzakelijkerwijze materieel enige tijd in beslag nemen. Artikel 153 van voornoemd Decreet voorziet overigens dat, voor het geval de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- en aanpassingwerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, beveelt dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij ambtshalve in de uitvoering kunnen voorzien. Uw Hof oordeelde in zijn arrest van 31 januari 1995 dat de door rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel bedoeld in artikel 65 §1, eerste en tweede lid, van de Stedenbouwwet 1962, wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat
(7). Dit lijkt mij niet anders te zijn voor de hersteltermijn voorzien in artikel 149, §1, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Het is de strafrechter aldus mogelijk om de termijn voor uitvoering van de veroordeling een aanvang te laten nemen vanaf het ogenblik waarop de beslissing in kracht van gewijsde zal zijn getreden. De strafrechter die een termijn in voornoemde zin oplegt, stelt dus geenszins het tijdstip van de verbeurte van een dwangsom uit, doch bepaalt dat de hoofdveroordeling binnen die termijn moet voldaan zijn. Hij bepaalt de termijn die volgens hem nodig is om de herstelmaatregel uit te voeren. De respijttermijn daarentegen, voorzien in art. 1385bis, vierde lid, Ger. W. en in art. 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft. Artikel 1385bis, derde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren. De rechter kan aldus het tijdstip van de verbeurte uitstellen en heeft de mogelijkheid aan de debiteur nog enig respijt te gunnen om zich naar het vonnis te schikken en de nodige maatregelen te treffen om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Er wordt aldus een termijn verbonden aan de accessoire veroordeling die de dwangsom is. Dit betekent meteen dat de respijttermijn dan ook slechts een aanvang kan nemen bij de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter. Het Benelux-Gerechtshof besliste in het voormeld arrest van 25 juni 2002 dat "de betekening tot doel heeft ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt" en "dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd" en dat daaruit volgt "dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald." Uw Hof besliste in zijn arresten van 28 maart 2003 dat hieruit volgt dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft, en dat deze termijn wat de dwangsom betreft, dient beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek
(8). Uw Hof oordeelde dat de appelrechter, die oordeelde dat de dwangsom kan worden verbeurd vooraleer de termijn die was toegekend om aan de veroordeling te voldoen voordat de dwangsom wordt verbeurd, is verstreken sedert de betekening van de beslissing waarbij de dwangsom werd opgelegd, door die beslissing artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek had geschonden
(9). Deze arresten van Uw Hof van 28 maart 2003 hebben in de rechtsleer blijkbaar geen einde gesteld aan de controverse en de doctrine blijkt ook na deze arresten zwaar verdeeld te zijn gebleven. Sommige auteurs stellen zelfs dat deze arresten niet te verklaren zijn door de arresten van het Benelux-Gerechtshof
(10), terwijl anderen dan weer stellen dat het Hof van Cassatie niet anders heeft geoordeeld dan het Benelux-Gerechtshof, maar wel de juiste en beperkte strekking ervan heeft aangegeven
(11). Er wordt eveneens opgeworpen dat in deze arresten het niet geheel duidelijk is of naar de mening van Uw Hof het enkele feit dat in een termijn voor uitvoering van de hoofdveroordeling wordt voorzien al dan niet volstaat om tevens een dwangsomtermijn in de zin van art. 1385bis, vierde lid, Ger. W. te onderkennen
(12). De vraag of de dwangsomrechter die enkel een uitvoeringstermijn uitspreekt, noodzakelijk tevens een dwangsomtermijn/respijttermijn oplegt, lijkt mij onder een nieuwe invalshoek te moeten worden bekeken ingevolge het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004
(13). Dit arrest stelt immers uitdrukkelijk: "de rechter die een dwangsom oplegt, heeft de vrijheid aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet te verbinden." Ook advocaat-generaal LECLERCQ benadrukte in zijn conclusie: "zoals gezegd, staat het de dwangsomrechter vrij dergelijke respijttermijn op te leggen. Het is echter geen vanzelfsprekendheid. Het toekennen ervan behoort tot de modaliteiten van de dwangsom waarover de rechter onaantastbaar oordeelt." Dit betekent dan ook naar mijn mening dat het opleggen van een dwangsomtermijn/respijttermijn, die eerst begint te lopen na het betekenen van het vonnis van de dwangsomrechter, noch een verplichting noch een vanzelfsprekendheid is. "Bij het opleggen ervan beschikt de dwangsomrechter over een onaantastbare beoordelingsbevoegdheid. Waar enkel de soevereine wil van de rechter van tel is, kan de loutere werking van art. 1385bis Ger. W. onmogelijk tot gevolg hebben dat een dergelijke termijn aan de rechterlijke beslissing wordt toegevoegd, evenals 'belangrijke beginselen' de modaliteiten ervan per definitie (mede) zouden bepalen. Zoals advocaat-generaal Leclercq terecht opwerpt, maakt de doctrine die dit voorhoudt verkeerdelijk abstractie van de eigenheid die elke dwangsomveroordeling (met een respijttermijn) kenmerkt. Zij gaat al te zeer voorbij aan voormelde onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de dwangsomrechter bij het opleggen van een respijttermijn."
(14)Opdat er sprake kan zijn van een respijttermijn moet deze dan ook uitdrukkelijk zijn toegestaan. Uit voornoemd arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004 lijkt mij dan ook te volgen dat de rechter, die een respijttermijn verleent, dit ook uitdrukkelijk dient te bepalen in zijn beslissing. Het opleggen van een uitvoeringstermijn, die in stedenbouwzaken uitdrukkelijk is voorzien in voormeld artikel 149, §1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, kan niet volstaan om te kunnen besluiten tot het bestaan van een respijttermijn. Om uit te maken of er sprake is van een respijttermijn zal dan ook de bedoeling van de rechter moeten worden achterhaald. "Wanneer de rechter bepaalt dat de dwangsom eerst kan worden verbeurd na de termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, verwoordt hij enkel een logisch gevolg, voortvloeiend uit het gegeven dat de dwangsom enkel kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen. Uit een dergelijke zinsnede kan dan ook niet zomaar de wil van de rechter worden afgeleid om (tevens) een dwangsomtermijn/respijttermijn in de zin van art. 1385bis Ger. W. op te leggen."
(15)Wanneer enkel een uitvoeringstermijn voor herstelmaatregelen wordt toegekend door de strafrechter/dwangsomrechter vanaf het in kracht van gewijsde treden van de uitspraak, kan de dwangsom dan ook verbeuren zodra deze uitvoeringstermijn na het in kracht van gewijsde treden van die uitspraak is verlopen, en mits betekening, doch zonder dat de betekening een nieuwe termijn, in casu een respijttermijn gelijk aan de uitvoeringstermijn, doet lopen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een tegenovergestelde rechtsopvatting, lijkt het mij naar recht te falen. Na de vaststelling dat eiser op 16 maart 2000 werd veroordeeld door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen enerzijds tot sloping van de constructies voorzien in de tenlasteleggingen A.5 en B.5 en gebouwd op de percelen sectie A nr. 139, binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit arrest kracht van gewijsde zal hebben verkregen onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 fr. per dag wanneer aan de veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat geen gevolg wordt gegeven binnen de gestelde termijn en anderzijds tot het uitvoeren van aanpassingwerken bestaande uit het bekleden van de gevels uit betonstenen met baksteenmetselwerk ofwel het aanbrengen van een sierbepleistering uit lichte kleur inzake de op sectie A perceel 113a verbouwde paardenstallen (tenlastelegging A.7) binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit arrest kracht van gewijsde zal hebben gekregen, over te gaan tot aanpassingwerken onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 fr. per dag wanneer aan de veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat geen gevolg wordt gegeven binnen de gestelde termijn, stelt het bestreden arrest vast dat "de dwangsomrechter te dezen geen bijkomende termijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid Gerechtelijk Wetboek (heeft) uitgesproken". Het hof van beroep kon naar mijn mening op grond van deze vaststellingen dan ook wettig besluiten dat "appellant diende tot herstel over te gaan binnen een termijn van één jaar van het in kracht van gewijsde treden van het arrest, dit is dus vanaf 11 december 2001 tot 11 december 2002" en dat "de dwangsommen te dezen dan ook verschuldigd (zijn) vanaf 12 december 2002, zijnde de eerste dag na het verstrijken van de termijn om tot herstel over te gaan". Het onderdeel lijkt mij in zoverre niet aangenomen te kunnen worden. Conclusie: Vernietiging _________________
(1)Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, annex aan de Benelux-overeenkomst van 26 nov. 1973, en goedgekeurd door de Belgische wet van 31 jan. 1980.
(2)Cass. 6 mei 2005, A.R. C.03.0402.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.6, A.C., 2005, nr. 266.
(3)Beneluxhof 5 juli 1985, nr. A 84/3, Benelux Jur., 1984, 115, met concl. van advocaat-generaal Krings.
(4)Beneluxhof 12 mei 1997, nr. A 96/1, Benelux Jur. 1997, afl., 18, 2, met concl. van advocaat-generaal ten Kate.
(5)Cass. 9 juni 1998, A.R. P.96.0655.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980609.5, A.C., 1998, nr. 294.
(6)Beneluxhof 25 juni 2002, nrs. A 2000/3 en 2004/4, Benelux Jur., 2002, afl. 23, 50
(7)Cass. 31 jan. 1995, A.R. P.93.1138.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2, A.C., 1995, nr. 56.
(8)Cass. 28 maart 2003, A.R. C.99.0446.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3, A.C., 2003, nr. 214, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Thijs, en A.R. C.02.0288.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.4, A.C. 2003, nr. 216.
(9)Cass. 28 maart 2003, A.R. C.02.0288.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.4, supra.
(10)P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn: één termijn met twee gedaanten" (noot onder Cass. 28 maart 2003), T.M.R. 2003,
(611)613.
(11)K. WAGNER, "Dwangsom en de januskop van de uitvoerings- en respijttermijn" (noot onder Cass. 28 maart 2003), R.W. 2004-05,
(138)142.
(12)P. VANSANT, o.c., 612, voetnoot 7.
(13)Beneluxhof 16 dec. 2004, nr. A 2004/1, T.M.R. 2005, 271-281, concl. J.F. LECLERCQ, noot P. VANSANT.
(14)P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?" (noot onder Beneluxhof 16 dec. 2004), T.M.R. 2005,
(278)280.
(15)Ibid., 279. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980609.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050506.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div