id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 december 2009
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Aanvang - Duur - Macht van de rechter - Grenzen - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Aanvang - Duur - Macht van de rechter - Grenzen - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Fiches 6 - 8 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of, indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom moet worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Zie de grotendeels andersluidende concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Dwangsomtermijn - Stilzwijgen van de rechter - Gevolg - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, derde en vierde lid Fiches 9 - 11 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Zie de grotendeels andersluidende concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, vierde lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1
, vierde lid Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Hoofdveroordeling - Uitvoeringstermijn - Gevolg - Dwangsomtermijn - Langer dan de uitvoeringstermijn - Mogelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen:
Art. 1, vierde lid Fiches 12 - 13 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL.
Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregelen - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Voorwaarden dwangsom Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Dwangsom - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0073.N CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL Chr. VANDEWAL: Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden. Blijkens het feitenrelaas in het bestreden arrest werden verweerders bij vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 veroordeeld, benevens de straf, tot herstel van de plaats gelegen te Tremelo, Werchtersebaan 2/11 in de vorige staat door afbraak van de daar wederrechtelijk opgerichte constructies, namelijk een weekendhuisje met bergplaatsen en veranda, en dit binnen de twaalf maanden nadat dit vonnis kracht van gewijsde verkregen heeft. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002 werd dit vonnis bevestigd behalve dat, benevens de wijziging van de bewezen tenlasteleggingen en van de straffen, geoordeeld werd dat de herstelmaatregel tevens de vijvers omvat, dat de voor het herstel bepaalde termijn ingaat de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkrijgt en dat aan iedere beklaagde een dwangsom wordt opgelegd van 15 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel. Dit arrest heeft kracht van gewijsde verkregen doordat het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van Uw Hof van 8 april
- Eiser liet het vonnis van 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van Uw Hof van 8 april 2003 betekenen aan verweerders op 8 maart
- In de akte van betekening werd vermeld dat het bevolen herstel uiterlijk op 8 april 2004 moet zijn uitgevoerd en dat bij gebrek aan uitvoering voor deze datum een dwangsom verschuldigd zal zijn van 15 euro per dag vertraging. Verweerders betwistten voornoemde datum van 8 april 2004 en het feit dat vanaf die datum dwangsommen zouden verbeuren. Zij lieten op 22 april 2004 een dagvaarding betekenen en brachten daarmee de zaak voor de beslagrechter te Leuven. Zij vorderden dat het bevel van 8 maart 2004, houdende bevel om voor 8 april 2004 over te gaan tot herstel van de plaats, zou worden nietig verklaard en te oordelen dat de termijn om tot uitvoering over te gaan zoals bepaald in het vonnis van 17 april 2000 en het arrest van 28 oktober 2002 slechts ingegaan is bij de betekening van het arrest op 8 maart 2004 en dat de dwangsom slechts zal verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat op 8 maart
- De beslagrechter te Leuven verklaarde bij het beroepen vonnis van 21 september 2004 hun vordering gegrond, verklaarde het bevel van 8 maart 2004 nietig, zegde voor recht dat de termijn om tot uitvoering over te gaan, zoals in het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 17 april 2000 werd bepaald op twaalf maanden en bevestigd in het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 oktober 2002, slechts inging bij de betekening van het arrest, te weten op 8 maart 2004, zegde voor recht dat de dwangsom die aan de uitvoering wordt verbonden bij voormeld vonnis en bevestigd bij voormeld arrest slechts zal verbeuren na verloop van de voorziene termijn van twaalf maanden die ingaat vanaf de betekening van het arrest op 8 maart 2004, veroordeelde de Gewestelijke Stedenbouwkundige Inspecteur om binnen de vierentwintig uren na uitspraak van het vonnis vrijwillig opheffing te verlenen, zegde voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn dit vonnis als opheffing geldt en veroordeelde hem tot de kosten. Recht doende bij arrest van 18 oktober 2005 op het hoger beroep van eiser verklaarde het hof van beroep te Brussel het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, en bevestigde het het beroepen vonnis met deze preciseringen dat de termijn om tot uitvoering over te gaan inging de dag dat het arrest kracht van gewijsde verkreeg, de akte van 8 maart 2004 geldig is met betrekking tot de betekeningen van het vonnis van 17 april 2000, het arrest van het hof van beroep van 28 oktober 2002 en het arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2003 en dat de opheffing van de inschrijving van de wettelijke hypotheek bevolen wordt en dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de 24 uren na betekening van het arrest het als opheffing zal gelden. Eiser tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest, welk cassatieberoep het voorwerp uitmaakt van de huidige procedure. Het cassatiemiddel (vierde onderdeel). Eiser voert in zijn enig cassatiemiddel schending aan van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, de artikelen 6, 23, 24, 25, 26, 1138, 4° en 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 65, § 1, van de Stedenbouwwet 1962, artikel 68, § 1, tweede lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor diens opheffing bij het decreet van 18 mei 1999, artikel 149, § 1, laatste alinea van het Stedenbouwdecreet 1999, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003 en tenslotte het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechtelijk gezag van gewijsde. Het middel wordt ontwikkeld in vier onderdelen. In het vierde onderdeel voert eiser aan dat er blijkens artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek van een respijttermijn, na verloop waarvan de veroordeelde pas de dwangsom zal kunnen verbeuren, slechts sprake zou kunnen zijn wanneer de rechter gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die hem bij dit artikel wordt verleend om een termijn te bepalen waarbinnen de dwangsom niet zal verbeuren. De enkele omstandigheid dat de rechter bij toepassing van een andere bepaling voorziet in een termijn waarbinnen de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd volstaat dan ook geenszins om tot het bestaan van een dergelijke respijttermijn te besluiten. Daartoe dient de bedoeling van de rechter te worden nagegaan. Eiser stelt dat uit de enkele omstandigheid dat in een beslissing, gewezen inzake stedenbouw, een termijn voor de uitvoering werd bepaald, mag noch kan zonder meer worden afgeleid dat de rechter ook een tweede, bijkomende termijn heeft willen bepalen waarbinnen de dwangsom niet zal kunnen verbeuren. Eiser acht dan ook dat de appelrechters door te oordelen dat de dwangsom slechts kan worden verbeurd indien een zelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken en aan te nemen dat uit de enkele omstandigheid dat er in een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling werd voorzien volgt dat er ook is voorzien in een termijn waarbinnen de dwangsom niet kan verbeuren, enerzijds, in miskenning van het facultatief karakter van de bevoegdheid verleend aan de dwangsomrechter om dergelijke respijttermijn te bepalen, artikel 1385bis, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek hebben geschonden, en anderzijds, in miskenning van de specifieke aard van de termijn, waarvan sprake in de stedenbouwwetgeving, waarvan de bepaling verplicht is zodra een herstelmaatregel wordt bevolen, artikelen 65, § 1, van de Stedenbouwwet 1962, 68, § 1, tweede lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor diens opheffing bij het decreet van 18 mei 1999, en artikel 149, § 1, laatste alinea van het Stedenbouwdecreet 1999, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003, hebben geschonden. Minstens acht eiser dat het bestreden arrest de wettigheidscontrole van Uw Hof onmogelijk maakt en niet regelmatig met redenen is omkleed, zodat ook artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 als geschonden wordt aangevoerd. Bespreking Dit vierde onderdeel van het cassatiemiddel nodigt uw Hof uit uitspraak te doen in een problematiek nopens het al dan niet duale karakter van de door de rechter toegekende termijn. Deze problematiek doet meer bepaald de vraag rijzen of de dwangsomrechter die een dwangsomveroordeling uitspreekt en die hierbij enkel een uitvoeringstermijn bepaalt, automatisch en zonder meer ook een respijttermijn bepaalt. Deze vraag is belangrijk omdat uitvoerings- en respijttermijn immers twee onderscheiden begrippen zijn die wezenlijk verschillend zijn van juridische aard en strekking. Het onderscheid tussen beide termijnen werd reeds benadrukt in 's Hofs arrest van 9 juni 1998, waarin Uw Hof liet opmerken dat het ogenblik waarop de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd en het ogenblik waarop de veroordeling tot betaling van een dwangsom uitwerking zal hebben niet noodzakelijk samenvallen met het ogenblik waarop de dwangsom wordt verbeurd
(1). Ook het Benelux-Gerechtshof benadrukte in zijn arrest van 25 juni 2002, gewezen op twee prejudiciële vragen gesteld door Uw Hof bij arresten van 16 juni 2000, het onderscheid tussen beide termijnen; het verklaarde immers voor recht dat de termijn die de dwangsomrechter aan de veroordeelde verleent om een hoofdveroordeling uit te voeren geen termijn is in de zin van artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet. Het Benelux-Gerechtshof benadrukte in overweging 9 dat de beide termijnen van verschillende juridische aard en strekking zijn
(2). De uitvoeringstermijn is immers de termijn die de rechter toekent om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen. Specifiek in stedenbouwzaken is dergelijke termijn voorzien in art. 149, § 1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Art. 149, § 1, eerste lid, bepaalt dat de rechtbank, naast de straf, kan bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen bepaalt en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. De vraag rijst dan ook hoe deze specifieke dwangsomvordering zich verhoudt tot het gemene dwangsomrecht. De zinsnede "de rechtbank bepaalt een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregel" wijst naar mijn oordeel duidelijk op een uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling. Het is een termijn die noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het herstel. De uitvoering van de hoofdveroordeling zal immers noodzakelijkerwijze materieel enige tijd in beslag nemen. Artikel 153 van voornoemd Decreet voorziet overigens dat, voor het geval de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- en aanpassingwerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, beveelt dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij ambtshalve in de uitvoering kunnen voorzien. Uw Hof oordeelde in zijn arrest van 31 januari 1995 dat de door rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel bedoeld in artikel 65 § 1, eerste en tweede lid, van de Stedenbouwwet 1962, wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat
(3). Dit lijkt mij niet anders te zijn voor de hersteltermijn voorzien in artikel 149, § 1, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Het is de strafrechter aldus mogelijk om de termijn voor uitvoering van de veroordeling een aanvang te laten nemen vanaf het ogenblik waarop de beslissing in kracht van gewijsde zal zijn getreden. De strafrechter die een termijn in voornoemde zin oplegt, stelt dus geenszins het tijdstip van de verbeurte van een dwangsom uit, doch bepaalt dat de hoofdveroordeling binnen die termijn moet voldaan zijn. Hij bepaalt de termijn die volgens hem nodig is om de herstelmaatregel uit te voeren. De respijttermijn daarentegen, voorzien in art. 1385bis, vierde lid, Ger.W. en in art. 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft. Artikel 1385bis, derde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld. Artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren. De rechter kan aldus het tijdstip van de verbeurte uitstellen en heeft de mogelijkheid aan de debiteur nog enig respijt te gunnen om zich naar het vonnis te schikken en de nodige maatregelen te treffen om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Er wordt aldus een termijn verbonden aan de accessoire veroordeling die de dwangsom is. Dit betekent meteen dat de respijttermijn dan ook slechts een aanvang kan nemen bij de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter. Het Benelux-Gerechtshof besliste in het voormeld arrest van 25 juni 2002 dat "de betekening tot doel heeft ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt" en "dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd" en dat daaruit volgt "dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald." Uw Hof besliste in zijn arresten van 28 maart 2003 dat hieruit volgt dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft, en dat deze termijn wat de dwangsom betreft, dient beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek
(4). Uw Hof oordeelde dat de appelrechter, die oordeelde dat de dwangsom kan worden verbeurd vooraleer de termijn die was toegekend om aan de veroordeling te voldoen voordat de dwangsom wordt verbeurd, is verstreken sedert de betekening van de beslissing waarbij de dwangsom werd opgelegd, door die beslissing artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek had geschonden
(5). Deze arresten van Uw Hof van 28 maart 2003 hebben in de rechtsleer blijkbaar geen einde gesteld aan de controverse en de doctrine blijkt ook na deze arresten zwaar verdeeld te zijn gebleven. Sommige auteurs stellen zelfs dat deze arresten niet te verklaren zijn door de arresten van het Benelux-Gerechtshof
(6), terwijl anderen dan weer stellen dat het Hof van Cassatie niet anders heeft geoordeeld dan het Benelux-Gerechtshof, maar wel de juiste en beperkte strekking ervan heeft aangegeven
(7). Er wordt eveneens opgeworpen dat in deze arresten het niet geheel duidelijk is of naar de mening van Uw Hof het enkele feit dat in een termijn voor uitvoering van de hoofdveroordeling wordt voorzien al dan niet volstaat om tevens een dwangsomtermijn in de zin van art. 1385bis, vierde lid, Ger.W. te onderkennen
(8). De vraag of de dwangsomrechter die enkel een uitvoeringstermijn uitspreekt, noodzakelijk tevens een dwangsomtermijn/respijttermijn oplegt, lijkt mij onder een nieuwe invalshoek te moeten worden bekeken ingevolge het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004
(9). Dit arrest stelt immers uitdrukkelijk: "de rechter die een dwangsom oplegt, heeft de vrijheid aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet te verbinden." Ook advocaat-generaal LECLERCQ benadrukte in zijn conclusie: "zoals gezegd, staat het de dwangsomrechter vrij dergelijke respijttermijn op te leggen. Het is echter geen vanzelfsprekendheid. Het toekennen ervan behoort tot de modaliteiten van de dwangsom waarover de rechter onaantastbaar oordeelt." Dit betekent dan ook naar mijn mening dat het opleggen van een dwangsomtermijn/respijttermijn, die eerst begint te lopen na het betekenen van het vonnis van de dwangsomrechter, noch een verplichting noch een vanzelfsprekendheid is. "Bij het opleggen ervan beschikt de dwangsomrechter over een onaantastbare beoordelingsbevoegdheid. Waar enkel de soevereine wil van de rechter van tel is, kan de loutere werking van art. 1385bis Ger.W. onmogelijk tot gevolg hebben dat een dergelijke termijn aan de rechterlijke beslissing wordt toegevoegd, evenals 'belangrijke beginselen' de modaliteiten ervan per definitie (mede) zouden bepalen. Zoals advocaat-generaal Leclercq terecht opwerpt, maakt de doctrine die dit voorhoudt verkeerdelijk abstractie van de eigenheid die elke dwangsomveroordeling (met een respijttermijn) kenmerkt. Zij gaat al te zeer voorbij aan voormelde onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de dwangsomrechter bij het opleggen van een respijttermijn."
(10)Opdat er sprake kan zijn van een respijttermijn moet deze dan ook uitdrukkelijk zijn toegestaan. Uit voornoemd arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004 lijkt mij dan ook te volgen dat de rechter, die een respijttermijn verleent, dit ook uitdrukkelijk dient te bepalen in zijn beslissing. Het opleggen van een uitvoeringstermijn, die in stedenbouwzaken uitdrukkelijk is voorzien in voormeld artikel 149, § 1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, kan niet volstaan om te kunnen besluiten tot het bestaan van een respijttermijn. Om uit te maken of er sprake is van een respijttermijn zal dan ook de bedoeling van de rechter moeten worden achterhaald. "Wanneer de rechter bepaalt dat de dwangsom eerst kan worden verbeurd na de termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, verwoordt hij enkel een logisch gevolg, voortvloeiend uit het gegeven dat de dwangsom enkel kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen. Uit een dergelijke zinsnede kan dan ook niet zomaar de wil van de rechter worden afgeleid om (tevens) een dwangsomtermijn/respijttermijn in de zin van art. 1385bis Ger.W. op te leggen."
(11)Wanneer enkel een uitvoeringstermijn voor herstelmaatregelen wordt toegekend door de strafrechter/dwangsomrechter vanaf het in kracht van gewijsde treden van de uitspraak, kan de dwangsom dan ook verbeuren zodra deze uitvoeringstermijn na het in kracht van gewijsde treden van die uitspraak is verlopen, en mits betekening, doch zonder dat de betekening een nieuwe termijn, in casu een respijttermijn gelijk aan de uitvoeringstermijn, doet lopen. Nu de appelrechters oordelen dat de dwangsom slechts kan worden verbeurd indien eenzelfde tijdspanne als de uitvoeringstermijn is verstreken, en aldus aannemen dat uit de enkele omstandigheid dat er in een termijn voor uitvoering van de hoofdveroordeling is voorzien, volgt dat de rechter ook een tweede, bijkomende (respijt)termijn heeft verleend waarbinnen de dwangsom niet zal kunnen verbeuren, zonder na te gaan of de rechter effectief gebruik heeft gemaakt van zijn facultatieve bevoegdheid om een respijttermijn te verlenen en dergelijke termijn ook uitdrukkelijk heeft verleend, hebben zij naar mijn oordeel artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. Het onderdeel lijkt mij in zoverre gegrond te zijn. Conclusie: Vernietiging. ________________
(1)Cass., 9 juni 1998, A.R. P.96.0655.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980609.5, A.C., 1998, nr. 294.
(2)Beneluxhof 25 juni 2002, nrs. A 2000/3 en 2004/4, Benelux Jur., 2002, afl. 23, 50.
(3)Cass., 31 jan. 1995, A.R. P.93.1138.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2, A.C., 1995, nr. 56.
(4)Cass., 28 maart 2003, A.R. C.99.0446.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3, A.C., 2003, nr. 214, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Thijs, en A.R. C.02.0288.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.4, A.C. 2003, nr. 216.
(5)Cass., 28 maart 2003, A.R. C.02.0288.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.4, supra.
(6)P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn: één termijn met twee gedaanten" (noot onder Cass. 28 maart 2003), T.M.R. 2003,
(611)613.
(7)K. WAGNER, "Dwangsom en de januskop van de uitvoerings- en respijttermijn" (noot onder Cass. 28 maart 2003), R.W. 2004-05,
(138)142.
(8)P. VANSANT, o.c., 612, voetnoot 7.
(9)Beneluxhof 16 dec. 2004, nr. A 2004/1, T.M.R. 2005, 271-281, concl. J.F. LECLERCQ, noot P. VANSANT.
(10)P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?" (noot onder Beneluxhof 16 dec. 2004), T.M.R. 2005,
(278)280.
(11)Ibid., 279. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091224.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980609.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div