id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
§2
, 28, §1, en 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 1, §1, 2, §1, eerste lid, en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - de artikelen 1, eerste lid, 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten; - artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 53, 54 en 55 van boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel, vóór de opheffing van die titel door artikel 17 van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen; - de artikelen 517, 518 en 552 van het Wetboek van Vennootschappen. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseressen ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 16 september 2005, dat onder meer (...) de hoofdvordering van de eiseressen ongegrond verklaart en de partijen ervan afwijst op het motief dat de kwalificatie van de overeenkomst tussen de partijen als arbeidsovereenkomst in de litigieuze periode niet kan worden bevestigd. Het arbeidshof neemt die beslissing (...) op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwegingen: "In deze zaak hebben (de eiseressen) in het kader van de samenwerkingsplicht rond het bewijs de elementen voorgebracht waarop zij hun conventionele kwalificatie hebben gesteund. Terecht heeft (de verweerder) op basis van deze elementen beslist dat de gezagsverhouding niet aanwezig was, zodat het bestaan van een bediendencontract uitgesloten was. Uit het verhoor van (de tweede eiseres) volgt immers dat zij een leidinggevende functie had, waardoor zij zich bezighield met het management van de zaak, waaronder het opstellen van een businessplan, contacten met fabrieken en algemeen beheer; zij volgt daarbij de instructies van de opdrachtgever, met name Volvo, en zij doet daarbij hetzelfde van wat zij verricht bij de nv Automobilia Roeselare, waar zij afgevaardigd bestuurder is; zij licht toe dat zij bij de bestellingen van nieuwe auto's, afhankelijk van de verkoopsstrategie, gelijktijdig doet voor de vier firma's waarin zij betrokken is. Het gezag wordt alleszins niet uitgeoefend door haar echtgenoot die afgevaardigde bestuurder is, in haar verklaring zegt (de tweede eiseres) dat haar man de grote beslissingen treft naar investeringen toe, maar zij maakt nergens melding van enige gezagsuitoefening. De heer C. S. geeft in zijn verklaring als afgevaardigd bestuurder aan dat het grote verschil tussen de activiteiten van zijn echtgenote bij (de eerste eiseres) als bediende en haar activiteiten als bestuurder bij de andere vennootschappen ligt in het feit dat de (eerste eiseres) het grootste bedrijf is en ook het grootste deel van het werk meebrengt. Waar vastgesteld wordt dat de wijze van uitoefenen van dit werk elders buiten el¬ke gezagsverhouding (als bestuurder of afgevaardigd bestuurder) plaatsvindt, wordt dus aangetoond dat er ook bij de (eerste eiseres) geen gezagsverhouding aanwezig is en de heer S. beweert ook niet dat dit gezag door hem wordt uitgeoefend. (De eiseressen) laten in hun beroepsbesluiten gelden dat de schoonouders van (de tweede eiseres), L. S. en M. W. als oprichters nog dagelijks in de (eerste eiseres) aanwezig zijn en aldus toezicht zouden uitoefenen. Het uitoefenen van het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag gebeurt in de regel niet door de aandeelhouders. Een aandeelhouder doet een financiële participatie in de onderneming en kan via de algemene vergadering mee beslissen in de aanduiding van de raad van bestuur en/of het dagelijks bestuur dat de leiding van de vennootschap uitoefent; de dage¬lijkse leiding gebeurt dan ook niet door de aandeelhouder en er wordt niet betwist dat de schoonouders van (de tweede eiseres) zich uit de leiding van (de eerste ei¬seres) hebben teruggetrokken, wat niet wegneemt dat zij wellicht nog graag in de onderneming vertoeven. Anders dan (de eiseressen) voorhouden, komen zij in de gegeven omstandigheden dan ook niet in aanmerking voor de gezagsuitoefening. Er werd dan ook door niemand hiërarchische controle over (de tweede eiseres) uitgeoefend wat betreft haar werkzaamheden bij (de eerste eiseres). Te snel willen (de eiseressen) uit de cassatiearresten van 14 november 1994 (JTT 1995, 68) en 9 januari 1995 (Pas. 1995, 1, 25) afleiden dat het voldoende is dat het gezag "kan" worden uitgeoefend om voor te houden dat de mogelijkheid van gezag zou volstaan. Het woord kunnen heeft in het Nederlands echter een dubbele betekenis en beduidt naast mogelijk zijn ook: "de bevoegdheid hebben tot". De gezagsuitoefening moet derhalve reëel zijn in de zin dat er binnen de onderne¬ming iemand moet zijn die bevoegdheid heeft om de controle uit te oefenen. Dit is hier niet het geval, daar (de tweede eiseres) volledig zelfstandig handelde juist op dezelfde wijze als in de andere vennootschappen waar zij bestuursbe¬voegdheden had. De familiale verhoudingen versterken dit en (de tweede eiseres) geeft overigens zelf aan dat men gekozen heeft voor een bediendenovereenkomst voor het geval dat er iets zou gebeuren met haar echtgenoot of dat zij zouden scheiden; bovendien was zij volledig vrij in de organisatie van haar werktijd, zelfs in die mate dat zij niet eens kon zeggen hoeveel dagen verlof ze had. De bijkomende beschouwingen van (de eiseressen) doen aan het ontbreken van de gezagsrelatie geen afbreuk, zodat (de verweerder) terecht beslist heeft dat de kwa¬lificatie als bediendenovereenkomst uitgesloten wordt door de feitelijke elementen. Grieven Overeenkomstig artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-wet, vindt die wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Artikel 1, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, hieronder afgekort als Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, bepaalt dat onder werknemer wordt verstaan, de persoon die met een werkgever door een arbeidsovereenkomst is verbonden. Artikel 2, §1, eer¬ste lid, van die wet van 29 juni 1981 bepaalt dat zij van toepassing is op de werkne¬mers en werkgevers. Krachtens artikel 21 van RSZ-wet moet iedere verzekeringsplichtige werkgever zich bij de verweerder laten inschrijven en aan deze een aangifte doen met verantwoor¬ding van het bedrag van de verschuldigde bijdragen (...). Op grond van de arti¬kelen 14, 22, 23, §
2, 28 en 40 van dezelfde wet en de artikelen 1, §1, 2, §1, eerste lid, en 23 van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid is de verweerder belast met de invordering van de socialezekerheidsbijdragen die de werkgever gehou¬den is op het loon te betalen en in te houden en die in voorkomend geval ambtshalve vast te stellen, alsook over te gaan tot invordering van de bijdrageopslag en de ver¬wijlinterest. Krachtens de artikelen 1, eerste lid, 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever. Krachtens artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, diegenen die ze hebben aangegaan, tot wet. De afspraken die de partijen hebben gemaakt met betrekking tot de rechtsregels die zij wel of niet op hun overeenkomst wensen toegepast te zien (de kwalificatie), hebben, als onderdeel van de overeenkomst, verbindende kracht tussen de partijen, althans indien ze wettig zijn gemaakt. Indien de rechter de door de partijen gegeven kwalifi¬catie ter zijde schuift terwijl die kwalificatie de werkelijke wil van de partijen weergeeft en de aan zijn beoordeling voorgelegde feitelijke elementen die kwalificatie niet uitsluiten, miskent hij dan ook artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Uit wat voorafgaat, volgt dat de rechter weliswaar niet gebonden is door de kwalifi¬catie die de partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomst hebben gegeven. Maar wanneer de partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst en bij ontstentenis van een tegen die kwalificatie ingaand wettelijk vermoeden, kan de feitenrechter die kwalificatie niet ter zijde schuiven wanneer de feite¬lijke gegevens waarop hij zich steunt, afzonderlijk of (geheel of gedeeltelijk) samen genomen, de door de partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie niet uitslui¬ten. Het bewijs van de afwezigheid van een gezagsrelatie is dan niet geleverd wanneer de door de rechter vastgestelde feiten evenzeer passen in het kader van een ar¬beidsovereenkomst en daarmee niet onverenigbaar zijn. Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat "(de eerste eiseres) en (de tweede eiseres) (voorhouden) dat zij van bij de aanvang van de tewerkstelling op 1 januari 1974 een bediendenovereenkomst hebben afgesloten; omtrent de kwalificatie als dusdanig is er dus geen betwisting" (blz. 6, derde alinea, van het bestreden arrest). Uit die vaststelling van het arbeidshof blijkt dat de eiseressen de tussen hen bestaande arbeidsverhouding kwalificeerden als een arbeidsovereenkomst voor bedienden. Het arbeidshof stelt niet vast en uit de vaststellingen van het arbeidshof blijkt niet dat op de rechtsverhoudingen tussen de betrokkenen een wettelijk vermoeden van toepassing zou zijn dat tegen de kwalificatie als arbeidsovereenkomst ingaat.
- Eerste onderdeel Ingeval de partijen de tussen hen bestaande arbeidsverhouding hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, is het omtrent de gegevens die aangevoerd worden om de afwezigheid van een gezagsrelatie te staven, de taak van de rechter na te gaan of die gegevens onverenigbaar zijn met het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De feitenrechter die vaststelt dat de feitelijke elementen wijzen op een zelfstandige werkverhouding en op de afwezigheid van een toepassing of van de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid, dient aan te geven hoe en waardoor die elementen, elk afzonderlijk of in hun geheel beschouwd, onverenigbaar zijn met de uitvoering van arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof overweegt dat de verweerder op basis van de door de eiseressen naar voren gebrachte elementen terecht heeft beslist dat een gezagsverhouding tussen de eiseressen niet aanwezig was, zodat het bestaan van een bediendencontract uitgeslo¬ten was en dat de kwalificatie als bediendenovereenkomst uitgesloten wordt door de feitelijke elementen van het onderzoek van de verweerder, die verwijzen naar een zelfstandige werkverhouding. Het arbeidshof leidt de afwezigheid van een gezagsverhouding tussen de eiseressen en dus het bestaan van een overeenkomst van zelfstandige samenwerking in essentie af uit de volgende feitelijke elementen en overwegingen: - de verklaring van de tweede eiseres dat zij een leidinggevende functie had, waardoor zij zich bezighield met het management van de zaak, waaronder het opstellen van een businessplan, het onderhouden van contacten met de fabrieken en het algemeen beheer, waarbij zij de instructies volgt van opdrachtgever Volvo en hetzelf¬de doet als voor de nv Automobilia Roeselare, waarvan zij gedelegeerd bestuurder is (blz. 6, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest) en de toelichting van de tweede eiseres dat zij de bestellingen van nieuwe auto's, afhankelijk van de ver¬koopsstrategie, gelijktijdig doet voor de vier firma's waarin zij betrokken is; - de omstandigheid dat het gezag alleszins niet wordt uitgeoefend door de echtge¬noot van de tweede eiseres, die gedelegeerd bestuurder van de eerste eiseres is (blz. 6, laatste alinea, van het bestreden arrest), aangezien de tweede eiseres in haar verklaring zegt dat haar man de grote beslissingen neemt m.b.t. investeringen, maar zij nergens melding maakt van enige gezagsuitoefening (blz. 6, laatste alinea, van het bestreden arrest) en de heer C. S. in zijn verklaring als gedelegeerd bestuurder aangeeft dat het grote verschil tussen de activiteiten van zijn echtgeno¬te bij de eerste eiseres als bediende en haar activiteiten als bestuurder bij de andere vennootschappen ligt in het feit dat de eerste eiseres het grootste bedrijf is en ook het grootste gedeelte van het werk meebrengt (blz. 7, eerste alinea, van het bestreden arrest); - het gegeven dat, waar vastgesteld wordt dat de wijze van uitoefenen van dat werk elders buiten elke gezagsverhouding (als bestuurder of gedelegeerd bestuurder) plaatsvindt, dus wordt aangetoond dat ook bij de eerste eiseres geen gezagsver¬houding aanwezig is en de heer S. ook niet beweert dat dit gezag door hem zou worden uitgeoefend (blz. 7, tweede alinea, van het arrest); - het feit dat de schoonouders van de eerste eiseres, omtrent wie de eiseressen lieten gelden dat zij als oprichters nog dagelijks in de onderneming aanwezig zijn, in de gegeven omstandigheden niet in aanmerking komen voor de gezagsuitoefening, aangezien de dagelijkse leiding niet gebeurt door de aandeelhouder en niet wordt betwist dat de schoonouders van de tweede eiseres zich uit de leiding van de eer¬ste eiseres hebben teruggetrokken, wat niet wegneemt dat zij wellicht nog graag in de onderneming vertoeven (blz. 7, vijfde en zesde alinea, van het bestreden arrest) - de overweging dat dan ook niemand hiërarchische controle uitoefende over de tweede eiseres wat betreft haar werkzaamheden bij de eerste eiseres en niemand binnen de onderneming de bevoegdheid had de controle uit te oefenen, aangezien de tweede eiseres volledig zelfstandig handelde op precies dezelfde wijze als in de andere vennootschappen waarin zij bestuursbevoegdheden had (blz. 7, zevende, tiende en elfde alinea, van het bestreden arrest); - de overweging dat de familiale verhoudingen dat versterken en de tweede eiseres overigens zelf aangeeft dat men gekozen heeft voor een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor het geval iets met haar echtgenoot zou gebeuren of zij zouden scheiden (blz. 7, laatste alinea, van het bestreden arrest); - de omstandigheid dat de tweede eiseres volledig vrij was in de organisatie van haar werktijd, zelfs in die mate dat zij niet kon zeggen hoeveel dagen verlof ze had (blz. 8, eerste alinea, van het bestreden arrest). Hoewel het arbeidshof overweegt dat de door de partijen gekozen kwalificatie maar kan worden gewijzigd indien de elementen die voorgebracht worden, die kwalificatie uitsluiten (blz. 5, zesde alinea, van het bestreden arrest - waar manifest, als gevolg van een materiële vergissing, het woord niet is toegevoegd), geeft het met geen en¬kele van de voornoemde, noch met enige andere in het bestreden arrest voorkomende vaststelling of overweging aan hoe en waardoor de feitelijke elementen die het voor het bewijs van de afwezigheid van een gezagsverhouding in aanmerking neemt, elk afzonderlijk dan wel geheel of gedeeltelijk samen genomen, onverenigbaar zijn met gezag en een arbeidsovereenkomst.
- Eerste subonderdeel Aangezien het arbeidshof niet aangeeft hoe en waardoor de elementen die het in aan¬merking neemt, van die aard zijn dat zij, elk afzonderlijk dan wel geheel of gedeeltelijk samen beschouwd, onverenigbaar zijn met een arbeidsovereenkomst, oordeelt het niet wettig dat de verweerder terecht heeft beslist dat de gezagsverhouding niet aanwezig was, zodat het bestaan van een bediendencontract uitgesloten was (schending van de artikelen 1, eerste lid, 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) en beslist het evenmin wettig dat de kwalificatie van de overeenkomst tussen de eiseressen als bediendenovereenkomst uitgesloten wordt door de feitelijke elementen van het onderzoek van de verweerder, die verwijzen naar een zelf¬standige werkverhouding (schending van artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Het arbeidshof verklaart dienvolgens evenmin, door ongegrondverklaring van het hoger beroep van de eiseressen, wettig de vordering van de eiseressen ongegrond die ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat de verweerder ten onrechte is overgegaan tot ambtshalve schrapping van de voor de tweede eiseres aangegeven prestaties voor de periode van april 1998 tot en met 20 januari 2004 (schending van de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, 21, 22, 23, §
§2
, 28, §1, en 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de artikelen 1, §1, 2, §1, eerste lid, en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers). 1.
- Tweede subonderdeel Minstens maakt het arbeidshof, door niet aan te geven hoe en waardoor de elementen die het in aanmerking neemt, van die aard zijn dat zij, elk afzonderlijk dan wel geheel of gedeeltelijk samen beschouwd, onverenigbaar zijn met een arbeidsovereenkomst, het door uw Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht onmogelijk. Daardoor schendt het arbeidshof artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- Tweede onderdeel Het arbeidshof beslist tot het ontbreken van een gezagsrelatie, zodat de verweerder terecht beslist heeft dat de kwalificatie als bediendenovereenkomst uitgesloten wordt door de feitelijke elementen van het onderzoek van de verweerder, die verwijzen naar een zelfstandige werkverhouding.
- Eerste subonderdeel 2.1.
- Het arbeidshof beslist tot de ontstentenis van gezagsverhouding (onder meer) op het motief - dat ("er werd dan ook" - blz. 7, 7de alinea van het arrest) door niemand hiërarchi¬sche controle over de tweede eiseres werd uitgeoefend", - en dat het niet zo is ("Dit is hier niet het geval") dat er iemand binnen de onderne¬ming was die de bevoegdheid had om de controle uit te oefenen, op grond van zijn voorafgaande vaststellingen, overwegingen of beslissingen dat: - het gezag alleszins niet werd uitgeoefend door haar echtgenoot, gedelegeerd bestuurder van de eerste eiseres, - de tweede eiseres elders, met name bij andere vennootschappen, buiten elke gezagsuitoefening werkte, - de schoonouders van de tweede eiseres, oprichters en aandeelhouders, in de gegeven omstandigheden niet in aanmerking komen voor de gezagsuitoefening. Op grond van de artikelen 53 en 55 van boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel, vóór de opheffing van die titel door artikel 17 van de wet van 7 mei 1999 tot invoering van het Wetboek van Vennootschappen, en de artikelen 517 en 518 van het Wetboek van Vennootschappen wordt iedere naamloze vennootschap bestuurd door een raad van bestuur. Krachtens artikel 54, eerste lid, van boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel, vóór de opheffing van die titel door artikel 17 van de wet van 7 mei 1999 tot invoering van het Wetboek van Vennootschappen, en artikel 522, §1, van het Wetboek van Vennootschappen is de raad van bestuur bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwe¬zenlijking van het doel van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet alleen de algemene vergadering bevoegd is; een eventuele beperking van zijn bevoegdheden door de statuten kan, evenmin als de eventuele verdeling van de taken door de bestuurders overeengekomen, aan derden worden tegengeworpen, ook al is die beper¬king of verdeling openbaar gemaakt. Krachtens het tweede lid van het voornoemde artikel 54 en §2 van het voornoemde artikel 522 vertegenwoordigt de raad van bestuur de vennootschap jegens derden; de statuten kunnen aan deze bevoegdheid beperkingen aanbrengen, maar deze beperkingen kunnen, evenmin als de eventuele verdeling van de taken door de bestuurders overeengekomen, niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is die beperking of verdeling openbaar gemaakt. Uit de voornoemde wettelijke bepalingen blijkt dat de raad van bestuur van een naamlo¬ze vennootschap in rechte het geëigende orgaan is om gezag uit te oefenen over de werknemers van de vennootschap, die derden zijn. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregel die daarop van toepassing is, zodat hij ertoe verplicht is om, met eerbiediging van de rech¬ten van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen. De rechter mag en moet dus de hem voorgelegde feiten aan de erop toepasselijke wetten toetsen. Het arbeidshof stelt vast dat de eerste eiseres, voor wie de tweede eiseres werkzaam was, de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap. Het beslist tot het ontbre¬ken van een gezagsverhouding op het motief dat het niet zo was dat er binnen de on¬derneming iemand was die de bevoegdheid had om de controle uit te oefenen, na te hebben onderzocht of de gedelegeerd bestuurder van de eerste eiseres en de schoonou¬ders van de tweede eiseres in hun hoedanigheid van aandeelhouders gezag uitoefenden, maar zonder rekening te houden met het feit dat de eerste eiseres als een naamloze vennootschap van rechtswege wordt bestuurd door een raad van bestuur die het geëi¬gende orgaan is om het werkgeversgezag namens de vennootschap uit te oefenen, noch, eventueel na heropening van de debatten, te onderzoeken of, dan wel vast te stellen dat de raad van bestuur dat niet kon doen of deed. Aldus schendt het arbeidshof de artikelen 53, 54 en 55 van boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel, vóór de opheffing van die titel door artikel 17 van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen, en de artikelen 517, 518 en 522 van het Wetboek van Vennootschappen. Door zonder rekening te houden met de wettelijke bevoegdheden van de raad van bestuur van de eerste eiseres te beslissen tot het ontbreken van een gezagsrelatie en zonder te onderzoeken of noch vast te stellen dat die bevoegdheden niet konden wor¬den of niet werden uitgeoefend, te beslissen dat het niet zo was dat er binnen de on¬derneming iemand was die de bevoegdheid had om de controle uit te oefenen, schendt het arbeidshof tevens de artikelen 1, eerste lid, 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, 21, 22, 23, §
§2
, 28, §1, en 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 de¬cember 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de artikelen 1, §1, 2, §1, eerste lid, en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers).
- Tweede subonderdeel Het arbeidshof beslist tot het ontbreken van een gezagsrelatie, zodat de verweerder terecht heeft beslist dat de kwalificatie van de overeenkomst die de partijen sloten als arbeidsovereenkomst, uitgesloten wordt, op (onder meer) de in het eerste onderdeel vermelde en hier als hernomen beschouwde motieven. 2.2.
- Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat "(de tweede eiseres) een leidinggevende functie had, waardoor zij zich bezighield met het management van de zaak, waaronder het opstellen van een businessplan, contacten met fabrieken en algemeen beheer; zij (...) daarbij de instructies (volgt) van de opdrachtgever, met name Volvo, en zij (...) daarbij hetzelfde (doet) van wat zij verricht bij de nv Automobilia Roeselare, waar zij afgevaardigd bestuurder is; zij (toelicht) (...) dat zij (...) de bestellingen van nieuwe auto's, afhankelijk van de verkoopsstrategie, gelijktijdig doet voor de vier firma's waarin zij betrokken is." Het uitoefenen van een leidinggevende functie is niet onverenigbaar met een gezagsverhouding en met het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Ook het uitoefenen van dezelfde werkzaamheden als een gedelegeerd bestuurder, is daarmee niet onverenig¬baar. Tussen een naamloze vennootschap en een persoon belast met het dagelijks bestuur van de vennootschap of het management van de onderneming, kan een arbeidsovereenkomst bestaan. 2.2.
- Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat het gezag alleszins niet wordt uitgeoefend door de echtgenoot van de tweede eiseres, die gedelegeerd bestuurder van de eerste eiseres is. Het arbeidshof verwijst daarvoor naar de verklaring van de tweede eiseres dat haar man de grote beslissingen neemt m.b.t. investeringen, maar nergens melding maakt van enige gezagsuitoefening en, verder, naar de omstandigheid dat de heer C. S., echtgenoot van de tweede eiseres, niet beweert dat door hem gezag zou worden uitgeoefend. De omstandigheid dat de echtgenoot van een persoon die met een vennootschap een contractuele arbeidsverhouding heeft, gehuwd is met die persoon en gedelegeerd bestuurder is van die vennootschap en dat hij de grote beslissingen neemt m.b.t. de investeringen, is niet onverenigbaar met het bestaan van gezag en van een arbeidsovereen¬komst. Ook de omstandigheid dat een persoon in zijn verklaring nergens melding maakt van enige gezagsuitoefening, sluit niet uit dat hij onder gezag werkt en door een arbeidsovereenkomst verbonden is, zoals dat evenmin wordt uitgesloten door het feit dat de gedelegeerd bestuurder van een vennootschap, al dan niet echtgenoot van die persoon, niet beweert dat door hem gezag zou worden uitgeoefend. 2.2.
- Het arbeidshof overweegt dat "de heer C. S. (...) in zijn verklaring als afgevaardigd bestuurder (aangeeft) dat het grote verschil tussen de activiteiten van zijn echtgenote bij (de eerste eiseres) als bediende en haar activiteiten als bestuurder bij de andere vennootschappen ligt in het feit dat de (eerste eiseres) het grootste bedrijf is en ook het grootste deel van het werk meebrengt " en dat "waar vastgesteld wordt dat de wijze van uitoefenen van dit werk elders buiten elke gezagsverhouding (als bestuurder of afgevaardigd bestuurder) plaatsvindt, (...) dus (wordt) aangetoond dat er ook bij de (eerste eiseres) geen gezagsverhouding aanwezig is en de heer S. (...) ook niet (beweert) dat dit gezag door hem wordt uitgeoefend." De omstandigheid dat een persoon die met een vennootschap een contractuele arbeidsverhouding heeft, in andere vennootschappen bestuurder of gedelegeerd bestuurder is, is niet onverenigbaar met het bestaan van gezag en van een arbeidsovereenkomst tussen die persoon en de eerstgenoemde vennootschap. Het vervullen van een mandaat van bestuurder van een vennootschap, sluit niet uit dat in diezelfde vennootschap een andere functie wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst. Ook tussen een naamloze vennootschap en een gedelegeerd bestuurder kan een arbeidsovereenkomst bestaan, zelfs uitsluitend m.b.t. de taak van gedelegeerd bestuurder. A fortiori is de omstandigheid dat iemand bestuurder of gedelegeerd bestuurder is in een welbe¬paalde vennootschap, niet onverenigbaar met het bestaan van gezag en van een ar¬beidsovereenkomst tussen die persoon en een andere vennootschap. 2.2.
- Het arbeidshof overweegt dat, anders dan de eiseressen voorhouden, de schoonouders van de tweede eiseres, van wie de eiseressen aanvoerden dat zij als oprichters nog dagelijks in de onderneming van de eerste eiseres aanwezig zijn, in de gegeven omstandigheden niet in aanmerking komen voor de gezagsuitoefening, aangezien het uitoefenen van het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkend gezag in de regel niet gebeurt door de aandeelhouders, evenmin als de dagelijkse leiding, en niet wordt betwist dat de schoonouders van de tweede eiseres zich uit de leiding van de eerste eise¬res hebben teruggetrokken, wat niet wegneemt dat zij wellicht nog graag in de onderneming vertoeven. De omstandigheid dat de dagelijkse leiding niet gebeurt door de aandeelhouders en dat niet wordt betwist dat bepaalde aandeelhouders zich uit de leiding van een vennootschap hebben teruggetrokken, is niet onverenigbaar met het bestaan van gezag en van een arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en een persoon die daarvoor arbeid verricht. 2.2.
- Het arbeidshof overweegt dat de tweede eiseres volledig zelfstandig handelde, juist op dezelfde wijze als in de andere vennootschapen waarin zij bestuursbevoegdhe¬den had, wat versterkt wordt door de familiale verhoudingen, daarmee verwijzend naar het feit dat haar echtgenoot gedelegeerd bestuurder en haar schoonouders aandeelhou¬ders waren. Gezag en een arbeidsovereenkomst zijn niet onverenigbaar met het zelfstandig handelen, zelfs niet het volledig zelfstandig handelen, van de persoon die arbeid verricht, evenmin als het feit dat dergelijk persoon in andere vennootschappen, waarin hij bestuursbevoegdheden heeft, volledig zelfstandig handelt, noch met het bestaan van familiale relaties tussen die persoon en de gedelegeerd bestuurder en aandeelhouders van de vennootschap waarvoor hij werkt. 2.2.
- Het arbeidshof overweegt dat de tweede eiseres zelf aangeeft dat men gekozen heeft voor een bediendenovereenkomst voor het geval iets zou gebeuren met haar echtgenoot of dat zij zouden scheiden. De omstandigheid dat de partijen ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst te sluiten omwille van de sociale bescherming welke die overeenkomst met zich brengt voor de persoon die de arbeid verricht, sluit het bestaan van gezag en van een arbeidsovereenkomst niet uit. 2.2.
- Ten slotte overweegt het arbeidshof dat de tweede eiseres volledig vrij was in de organisatie van haar werktijd, zelfs in de mate dat zij niet eens kon zeggen hoeveel dagen verlof zij had. De omstandigheid dat de persoon die arbeid verricht voor een contractpartij, volledig vrij is in de organisatie van zijn arbeidstijd, sluit gezag en het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet uit. Conclusie Aangezien de door het arbeidshof in aanmerking genomen feitelijke gegevens, afzonderlijk dan wel geheel of gedeeltelijk samen genomen, niet onverenigbaar zijn met het bestaan van gezag en met een arbeidsovereenkomst en de door de partijen aan hun overeenkomsten gegeven kwalificatie als arbeidsovereenkomst niet uitsluiten, sluit het arbeidshof niet wettig de door de partijen aan hun overeenkomsten gegeven kwalificatie als bediendenovereenkomst uit (schending van artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en beslist het dienvolgens niet wettig dat de eiseressen verbonden waren door een overeenkomst van zelfstandige samenwerking (schending van de artikelen 1, eerste lid, 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof verklaart dienvolgens evenmin, door ongegrondverklaring van het hoger beroep van de eiseressen, wettig de vordering van de eiseressen ongegrond die ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat de verweerder ten onrechte is overgegaan tot ambtshalve schrapping van de voor de tweede eiseres aangegeven prestaties voor de periode van april 1998 tot en met 20 januari 2004 (schending van de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, 21, 22, 23, §
§2
, 28, §1, en 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de artikelen 1, §1, 2, §1, eerste lid, en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Eerste en tweede subonderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - de eiseressen hun verhouding hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst voor bedienden; - deze kwalificatie slechts kan standhouden, wanneer er een daadwerkelijke gezagsverhouding is, die moet worden aangetoond; - het ontbreken van een gezagsverhouding immers de kwalificatie van de voorge¬houden arbeidsovereenkomst voor bedienden uitsluit; - uit het verhoor van de tweede eiseres, bevestigd door dat van haar echtgenoot, volgt dat zij bij de eerste eiseres hetzelfde doet als wat zij bij de nv Automobilia Roeselare verricht, al waar zij, als afgevaardigd bestuurder, buiten elke gezagsverhouding haar werkzaamheden uitoefent; - de tweede eiseres naar aanleiding van haar verhoor ook geen gewag maakte van een gezagsuitoefening door haar echtgenoot; - waar de schoonouders van de tweede eiseres zich uit de leiding van de vennootschap hebben teruggetrokken en als aandeelhouders de dagelijkse leiding niet waarnemen, deze evenmin in aanmerking komen voor gezagsuitoefening; - er dan ook door niemand hiërarchische controle wordt uitgeoefend op de tweede eiseres in het kader van haar werkzaamheden bij de eerste eiseres; - waar de tweede eiseres in het kader van haar werkzaamheden bij de eerste eiseres volledig zelfstandig handelde, zoals zij dit deed in de andere vennootschappen alwaar zij bestuursbevoegdheden had, geen reële gezagsuitoefening over haar werd uitgeoefend en binnen de onderneming ook niemand de bevoegdheid had om de controle uit te oefenen; - de familiale verhoudingen de afwezigheid van gezagsverhouding komen bevestigen, terwijl de tweede eiseres zelf aangeeft dat voor een bediendenovereenkomst werd geopteerd voor het geval er iets zou gebeuren met haar echtgenoot of voor het geval ze zouden scheiden; - de eiseres bovendien volledig vrij was in de organisatie van haar werktijd, zelfs in die mate dat zij niet eens kon zeggen hoeveel dagen vakantie zij had; - de verweerder op grond van de elementen van de zaak dan ook terecht besliste dat de gezagsverhouding niet aanwezig was, zodat het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor bedienden uitgesloten was.
- Het onderdeel dat er in zijn beide subonderdelen van uitgaat dat de appelrech¬ters niet aangeven hoe en waardoor de elementen die zij in aanmerking nemen onverenigbaar zijn met een arbeidsovereenkomst, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, dient de rechter niet alle feitelijke gegevens te vermelden die zijn beslissing naar recht verantwoorden. Uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat de eiseressen voor de appelrechters hebben aangevoerd dat het werkgeversgezag over de tweede eiseres werd uitgeoefend door de raad van bestuur van de eerste eiseres. Het arrest dat vaststelt dat over de werkzaamheden van de tweede eiseres bij de eerste eiseres door niemand hiërarchische controle werd uitgeoefend en ook niemand die bevoegdheid had binnen de onderneming, diende aldus niet te zeggen dat ook de raad van bestuur van de eerste eiseres dit niet kon doen. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede subonderdeel
- Krachtens de artikelen 5, 9, 22 en 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zeker¬heid der arbeiders, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bevoegd om het voordeel van de wet te ontzeggen aan degenen die de voorwaarden ervan niet vervullen en bijgevolg ambtshalve over het al dan niet bestaan van een in het eerste artikel van de wet bedoelde arbeidsovereenkomst te beslissen. De rechtmatigheid van deze beslissing houdt in dat, wanneer partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst voor bedienden, het bewijs wordt geleverd dat de feitelijke elementen van de zaak het bestaan van dergelijke overeenkomst uitsluiten. Omtrent de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit te sluiten, is het de taak van de rechter na te gaan of deze gegevens hetzij afzonderlijk, hetzij in hun geheel genomen de afwezigheid van gezagsuitoe¬fening of van mogelijkheid tot gezagsuitoefening aantonen.
- Op grond van de onder randnummer 1 aangehaalde feitelijke elementen, vermochten de appelrechters te oordelen dat deze in hun geheel genomen de afwezigheid van gezagsuitoefening of van mogelijkheid tot gezagsuitoefening aanto¬nen en dan ook het bestaan van een arbeidsovereenkomst uitsluiten. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 276,52 euro jegens de eisende partijen en op de som van 129,70 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 4 januari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100104.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130118.7 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251208.3F.5 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130904.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div