id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100105.1 Rolnummer: P.09.0486.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-01-12 Raadplegingen: 735 - laatst gezien 2026-07-02 21:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het staat de rechter, in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vaststellingen die hij verricht, geen gevolgtrekking afleidt die deze niet kunnen verantwoorden
(1)Cass., 5 mei 1987, AR 1059, A.C., 1986-1987, nr. 517; Cass., 12 april 2000, AR P.00.0136.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16, A.C., 2000, nr. 247; Cass., 8 feb. 2005, AR P.04.1317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4, A.C., 2005, nr. 77; Cass., 26 sept. 2006, AR P.06.0604.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7, A.C., 2006, nr. 439; R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 1642 e.v. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Verdrag Rechten van de Mens - Redelijke termijn - Vonnisgerecht - Beoordeling - Marginale toetsing Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Redelijke termijn - Vonnisgerecht - Beoordeling - Toezicht van het Hof Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Verdrag Rechten van de Mens - Redelijke termijn - Vonnisgerecht - Beoordeling - Toezicht van het Hof Fiche 4 Wanneer het bestuur bij het instellen van de herstelvordering wettelijk gebonden is het herstel in de oorspronkelijke toestand te vorderen en over geen verdere keuze beschikt, mag de strafrechter niet oordelen over de opportuniteit van de gevorderde herstelmaatregel. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Herstelvordering - Vordering tot herstel in de oorspronkelijke toestand - Wettelijke verplichting - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 149, § 1, derde lid Tekst van de beslissing Nr. P.09.0486.N
- R P A J, beklaagde,
- CONSTRIMMO bvba, met zetel te 2830 Willebroek, Molenweg 90, tussengekomen partij, met als raadsman mr Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel, eisers, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor de provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111/113, bus 55, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 februari
- De eiser voert geen middel aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: op grond van de elementen die zij aanhalen, vermochten de appelrechters niet te oordelen dat een termijn van meer dan 23 jaar tussen de eerste vaststelling en de uitspraak, respectievelijk meer dan 18 jaar tussen de kennisgeving van de herstelvordering en deze uitspraak, nog als redelijk kon worden beschouwd; dat de herstelvordering een legitiem doel nastreefde, dat de rechtsvoorgangers van eiseres bij de inkennisstelling van de herstelvordering geen verklaring wensten af te leggen, dat tot tweemaal toe getracht werd een regularisatievergunning te krijgen, vormen geen pertinente feitelijke overwegingen die zouden toelaten te besluiten dat de redelijke termijn niet is overschreden.
- Het staat de rechter in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vaststellingen die hij verricht, geen gevolgtrekking afleidt die deze niet kunnen verantwoorden.
- De bekritiseerde motivering betreft feitelijke gegevens die niet vreemd zijn aan gedragingen of tussenkomsten van de eisers en die een vertraging bij de afhandeling van de strafzaak en een uitstel van de uitspraak kunnen verantwoorden. Of deze feitelijke gegevens effectief een verlenging van de redelijke termijn verantwoorden, betreft een feitelijke beoordeling waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 65 Stedenbouwwet, artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996 en artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999: vermits het bestreden arrest, gelet op hetgeen werd uiteengezet in het eerste onderdeel, ten onrechte heeft besloten dat de redelijke termijn niet werd overschreden, heeft het arrest deze overschrijding van de redelijke termijn eveneens ten onrechte niet mee betrokken in zijn oordeel over de al dan niet kennelijke onredelijkheid van de vordering tot herstel.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel dat de appelrechters onterecht oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 159 Grondwet, artikel 65 Stedenbouwwet, artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996 en artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999: ten onrechte oordelen de appelrechters dat het gevorderde herstel niet kennelijk onredelijk is, uitsluitend op basis van de planologische bestemming van het gebied en zonder rekening te houden met de werkelijke feitelijke toestand, namelijk de aanwezigheid van nog minstens twee andere ongemoeid gelaten woningen in dezelfde bufferzone alsmede het afnemende belang van de kwalificatie als bufferzone.
- De appelrechters verwijzen naar het doel van een bufferzone en verwerpen op grond van het gemeentelijk structuurplan de bewering dat deze bestemming zou achterhaald zijn. Voorts stellen zij vast dat de uitgevoerde werken en de handelingen een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormen op de essentiële bestemmingsvoorschriften, en dat de omstandigheid dat nog een andere constructie in de buurt ongemoeid wordt gelaten aan deze wederrechtelijkheid niets afdoet. Zodoende oordelen de appelrechters niet uitsluitend op grond van de planologische bestemming van het gebied, maar betrekken bij hun beslissing eveneens de feitelijke gegevens die de eiseres in haar verweer aanvoerde. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel in zijn geheel
- Het middel voert schending aan van artikel 65 Stedenbouwwet, artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de strafrechter niet mag oordelen over de opportuniteit van de gevorderde herstelmaatregel tot afbraak en deze niet mag vervangen door een veroordeling tot betaling van een meerwaarde; dit is in strijd met het intrinsiek strafrechtelijk karakter van de vordering tot afbraak in de zin van artikel 6.1 EVRM en 14 IVBPR, waarbij de rechter deze maatregel, als intrinsiek strafrechtelijke sanctie, moet kunnen beoordelen of hervormen op alle punten, zowel in rechte als in feite (eerste onderdeel); minstens houdt deze beslissing, in verband met een betwisting omtrent het eigendomsgebruik en eigendomsbeperking, dit is die het patrimonium van de burger aanbelangt, miskenning in van diens recht op een toetsing met volle rechtsmacht door de rechter (tweede onderdeel).
- Het middel in zijn beide onderdelen gaat uit van de onderstelling dat de bevoegdheid van het bestuur bij het instellen van de herstelvordering wettelijk niet gebonden is, het bestuur over een keuzemogelijkheid beschikt wat de op te leggen maatregel betreft, welke keuze de strafrechter bijgevolg krachtens zijn ‘volle rechtsmacht' ook op het vlak van de opportuniteit moet kunnen wijzigen.
- Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/2005 van 19 januari 2005 bepaalt artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: "Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van [...] is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist." Artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 geeft aan het bestuur de bevoegdheid om een herstelbeleid te voeren: het bestuur beslist of het al dan niet een herstelmaatregel zal vorderen; indien het beslist een herstelmaatregel te vorderen, beschikt het over de keuze tussen drie mogelijke herstelmaatregelen, evenwel enkel binnen de grenzen en de modaliteiten die nader bij artikel 149 zijn bepaald.
- Artikel 149, § 1, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: "Voor de misdrijven waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze werden gepleegd voor 1 mei 2000, kan in principe steeds het middel van de meerwaarde worden aangewend, tenzij in één van de volgende gevallen: (...) 3° indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg." Uit die bepaling volgt dat bij een dergelijke inbreuk het bestuur het herstel in de oorspronkelijke toestand moet vorderen en over geen verdere keuze beschikt.
- De appelrechters (arrest, p. 11, r.o. c.3.) oordelen dat "de uitgevoerde werken en de handelingen (...) een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk op de essentiële bestemmingsvoorschriften van het gewestplan [vormen] zodat de herstelvordering niet disproportioneel is ten aanzien van het beoogde doel van de ruimtelijke ordening met name het vrijwaren van de bufferzone." Die reden volstaat om het door hen bevolen herstel in de oorspronkelijk staat naar recht te verantwoorden. Het middel dat in zijn geheel is gericht tegen een overtollig motief, kan niet tot cassatie leiden. Het is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de herstelvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten op 91,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 5 januari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100105.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100923.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div