id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.1 Rolnummer: P.09.1066.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 628 - laatst gezien 2026-07-02 21:28 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De stedenbouwkundige inspecteur kan geen herstelvordering inleiden op de wijze bepaald door artikel 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, aangezien de herstelmaatregel niet, zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen beoogt, maar het ongedaan maken van de gevolgen van het misdrijf in het algemeen belang
(1).
(1)Zie Cass., 8 sept. 2009, AR P.09.0341.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090908.2, A.C., 2009, nr. ... met concl. eerste adv.-gen. De Swaef. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Herstelvordering van het bevoegd bestuur - Wijze van inleiding - Artikel 4, tweede en derde lid, V.T.Sv. - Toepasselijkheid Herstelmaatregel - Doel Tekst van de beslissing Nr. P.09.1066.N
- GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, bus 22, eiser tot herstel,
- GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111/113, bus 55, eiser tot herstel, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- E J E V, beklaagde,
- T Y V, beklaagde,
- C C M V, beklaagde,
- P M, als lasthebber ad hoc van MARCKLAND nv, met zetel te 2328 Hoogstraten, Strijbeek 5, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet, artikel 149, § 1, eerste lid, en § 3, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 68, § 1 eerste lid, Stedenbouwdecreet 1996, evenals miskenning van het beginsel van de scheiding der machten, zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 van de Grondwet: de appelrechters leiden de kennelijk onredelijkheid van de herstelvordering strekkende tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand af uit het feit dat de herstelvordering van 6 januari 1998 aanpassingswerken beoogde en het bestuur deze wijze van herstel aanvankelijk wel mogelijk achtte; de appelrechters gaan evenwel niet na of deze aanpassingswerken mogelijk zijn en zonder in feite het voor verweerders minder ingrijpend karakter van deze herstelmaatregel aan te nemen; de appelrechters miskennen tevens de appreciatie en beleidsvrijheid van het bestuur om de reeds ter kennis van het parket gebrachte herstelvordering aan te passen; in geen geval konden de appelrechters wettig aannemen dat ook aanpassingswerken, zoals in de eerste herstelvordering van 6 januari 1998 voorzien, mogelijk zijn nu alleen blijkt dat de aanpassingswerken als alternatief van de afbraak mogelijk blijven.
- De appelrechters oordelen dat: - een andere herstelmaatregel zoals aanpassingswerken of meerwaarde mogelijk is gelet op de aard van de overtreding en de vooraf bestaande vergunde toestand waardoor de goede ruimtelijke ordening zal worden hersteld; - hierdoor de goede ruimtelijke ordening zal kunnen worden hersteld; - de herstelvorderende overheid in het verleden immers ook een andere maatregel heeft voorgesteld, die aanpassingswerken beoogde; - bij beslissing van 2 maart 2009 van het college van burgemeester en schepenen een meerwaarde wordt voorgesteld.
- Anders dan de eisers aanvoeren, leiden de appelrechters de mogelijkheid van aanpassingswerken derhalve niet zonder meer af uit de omstandigheid dat het bestuur bij de eerste herstelvordering van 6 januari 1998 deze wijze van herstel aanvankelijk wel mogelijk achtte, noch oordelen zij dat alleen de aanpassingswerken zoals deze beoogd in die eerste herstelvordering mogelijk zijn tot herstel van de wettigheid. Met voorgaande overwegingen oordelen de appelrechters evenmin dat de herstelmaatregel van aanpassingswerken louter mogelijk is naast het herstel in de oorspronkelijke plaats. Inzonderheid met de reden dat "(h)ierdoor de goede ruimtelijke ordening [zal] kunnen worden hersteld" beslissen de appelrechters daarentegen dat een andere maatregel dan deze bedoeld in de herstelvordering van 15 februari 1999 noodzakelijk is.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet en artikel 149, § 1, eerste lid, en derde lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999: enerzijds beantwoorden de appelrechters niet eisers' verweer volgens hetwelk met toepassing van artikel 149, § 1, derde lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999 een herstelmaatregel in betaling van meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen, onmogelijk is gelet op het karakter van zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk op de essentiële bestemmingsvoorschriften en, anderzijds, sluiten de appelrechters niet uit dat het lastens verweerders bewezen verklaarde misdrijf een inbreuk vormde zoals omschreven in dit artikel; de appelrechters kunnen derhalve ook niet wettig tot de kennelijke onredelijkheid van de gevorderde herstelmaatregel van 15 februari 1999 besluiten.
- De appelrechters oordelen dat: - de herstelvordering in deze verzuimt rekening te houden met de ruimtelijke impact van de vooraf steeds bestaande vergunde toestand van residentieel gebruik; - niet wordt betwist dat reeds voor de wet van 29 maart 1962 een woonhuis met grote en kleine bijgebouwen midden in het bosgebied stond; - er een bouwvergunning werd verleend op 13 oktober 1987 voor het herbouwen van het bescheiden woonhuis op een andere plaats en voor het herstel van de daken van de bijgebouwen mits enkele kleine aanpassingen op voorwaarde dat het bestaande woongebouw (stationsgebouw) binnen de 6 maanden wordt afgebroken; - bij het toekennen van deze vergunning werd bepaald dat het feit dat deze gebouwen gelegen waren in bosgebied dit de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt; - op die plaats in het bosgebied dus steeds een residentiële functie is geweest; - de inbreuken niet van die aard zijn dat de ruimtelijke draagkracht wordt overschreden waardoor de ruimtelijke ordening ernstig geschaad is; - bij beslissing van 2 maart 2009 van het college van burgemeester en schepenen een meerwaarde wordt voorgesteld.
- Met die redenen beantwoorden de appelrechters het verweer van de eisers en sluiten zij derhalve uit dat er in de zin van artikel 149, § 1, derde lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999 sprake is van een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat: - de verweerders in plaats van een bescheiden woning een riant kasteel bouwden met een exuberant bouwvolume en bovendien de woning die volgens de vergunning diende afgebroken te worden, behielden; - de verweerders, en zeker de vierde verweerder, van in het begin een ander bouwproject beoogd hebben en met de afgeleverde vergunning als dekmantel een situatie van voldongen feiten hebben gecreëerd. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Artikel 149, §1, derde lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999, bepaalt dat "voor de misdrijven waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze werden gepleegd (...), in principe steeds het middel van de meerwaarde [kan] worden aangewend, tenzij in één van de volgende gevallen: - bij het niet naleven van een bevel tot staking; - indien het misdrijf onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaakt voor de omwonenden; - indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg." Blijkens de voorbereidende werken moet het begrip zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk in voormeld artikel worden beoordeeld op grond van de aanwezige en gewenste structuren in de directe omgeving, evenals de aard, de ouderdom en de wijze van totstandkoming van de overtreding.
- Op grond van de hiervoor in het onderdeel aangehaalde overwegingen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat een andere herstelmaatregel zoals meerwaarde mogelijk is, naar recht. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- De grief dat de appelrechters niet wettig tot de kennelijke onredelijkheid van de gevorderde herstelmaatregel van 15 februari 1999 konden besluiten, is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde grieven. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 149, § 1, eerste lid, en 151 Stedenbouwdecreet 1999: de appelrechters oordelen onterecht dat de door de stedenbouwkundige inspecteurs behartigde belangen bij de uitoefening van de herstelvordering geen burgerlijke belangen zijn in de zin van artikel 4, tweede lid, Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering en weigeren onterecht op die grond de burgerlijke belangen aan te houden.
- Krachtens artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering voortspruitend uit een misdrijf voor de strafgerechten worden vervolgd indien zij tezelfdertijd en voor dezelfde rechter als de strafvordering wordt ingesteld. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel houdt de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is. Het derde lid van hetzelfde artikel bepaalt dat, onverminderd het recht om de zaak bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie neergelegd verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos kan verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen. Het vierde lid van het vermelde artikel bepaalt dat dit verzoekschrift als burgerlijke partijstelling geldt.
- Die bepalingen beogen de benadeelde die zijn burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding uit een misdrijf niet tezelfdertijd en voor dezelfde rechter als de strafvordering heeft ingesteld, toe te laten zich vooralsnog voor die strafrechter burgerlijke partij te stellen, zelfs na de beoordeling van de strafvordering, teneinde ook over zijn vordering een uitspraak te verkrijgen.
- Artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: "Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen en wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van ... is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist." Artikel 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: "De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen."
- De herstelmaatregel beoogt niet zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar het ongedaan maken van de gevolgen van het misdrijf in het algemeen belang.
- Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 327,21 euro, waarvan 83,69 euro verschuldigd is en 243,52 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 12 januari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181113.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220914.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090908.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130903.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div