← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.3 Rolnummer: P.09.1324.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-07-02 21:12 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het Hof van Cassatie dient geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, wanneer deze vraag enkel een onderscheid aanklaagt tussen twee procedures die kennelijk totaal verschillende rechtstoestanden betreffen die met elkaar niet vergelijkbaar zijn, met name tussen, enerzijds, de rechtspleging gevolgd met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, die enkel een incident binnen de strafprocedure betreft, en, anderzijds, de rechtspleging gevolgd met toepassing van artikel 235bis van hetzelfde wetboek die betrekking heeft op onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, van voormeld wetboek of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking of op een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering welke alle een invloed kunnen hebben op de regelmatigheid van de bewijsgaring of van de strafvordering als dusdanig

(1).
(1)Zie Cass., 5 nov. 1996, AR P.95.1428.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961105.3, A.C., 1996, nr. 417 met concl. adv.-gen. Dubrulle; Cass., 18 jan. 2002, AR P.01.0033.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.19, A.C., 2002, nr. 45; Cass., 28 jan. 2003, AR P.02.0431.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030128.8, A.C., 2003, nr. 62; Cass., 26 mei 2006, AR C.05.0150.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060526.4, A.C., 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Opheffing PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Vraag die het onderscheid aanklaagt tussen kennelijk totaal verschillende rechtstoestanden - Verplichting van het Hof van Cassatie Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Opheffing PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Vraag die het onderscheid aanklaagt tussen kennelijk totaal verschillende rechtstoestanden - Verplichting van het Hof van Cassatie Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Opheffing PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Rechtspleging in toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Rechtspleging in toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering - Onderscheid Tekst van de beslissing Nr. P.09.1324.N L G, verzoeker tot het opheffen van een onderzoekshandeling, eiser, met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het verzoek van de eiser tot het opheffen van een onderzoekshandeling met betrekking tot de goederen, ingesteld met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, wordt afgewezen. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, van hetzelfde wetboek. Het cassatieberoep is bijgevolg voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk. Prejudiciële vraag
  4. De eiser verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en het recht van verdediging, in de mate dat deze wetsbepaling een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat een schending inroept van de wettelijkheid en de regelmatigheid van de in beroep gevolgde procedure zoals uitdrukkelijk voorgeschreven door artikel 61quater, § 5, Wetboek van Strafvordering, niet toelaat en onontvankelijk maakt wegens voorbarigheid, terwijl het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat in een procedure ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering in toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over de wettelijkheid en de regelmatigheid van een onderzoeksmaatregel, wel toegelaten en ontvankelijk is?"
  5. Ook wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van een procedure bepaald bij artikel 61quater Wetboek van Strafvordering toepassing maakt van artikel 235bis van dat wetboek, is de uitspraak die zij doet over de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, van voormeld wetboek of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking of over een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, beheerst door de procedure bepaald bij artikel 235bis en blijft ze vreemd aan de procedure gevolgd met toepassing van artikel 61quater.
  6. De rechtspleging gevolgd met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering betreft enkel een incident binnen de strafprocedure. Daarentegen heeft de rechtspleging gevolgd met toepassing van artikel 235bis van hetzelfde wetboek betrekking op onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, van voormeld wetboek of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking of over een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering welke alle een invloed kunnen hebben op de regelmatigheid van de bewijsgaring of van de strafvordering als dusdanig. Die twee procedures betreffen kennelijk totaal verschillende rechtstoestanden die met elkaar niet vergelijkbaar zijn. Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Middel
  7. Het middel houdt geen verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en behoeft dus geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 12 januari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.8 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200902.2F.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961105.3 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.19 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030128.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060526.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.