← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.4 Rolnummer: P.09.1458.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 900 - laatst gezien 2026-07-02 21:12 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007, dat bepaalt dat de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel het voorwerp uitmaken van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepaling, in de zin van artikel 42, 1° Strafwetboek, volgt dat een witgewassen vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, het voorwerp van het misdrijf witwassen uitmaakt in de zin van artikel 42, 1°, van dat wetboek; daarentegen is het goed dat door de witwasoperatie is verkregen, ook al is het verkrijgen van dat vermogensvoordeel de finaliteit van de witwasoperatie, niet het voorwerp van het misdrijf witwassen, maar wel een vermogensvoordeel dat voortkomt uit dat misdrijf als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, zodat de verbeurdverklaring van een dergelijk uit het witwasmisdrijf verkregen vermogensvoordeel enkel mogelijk is op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek

(1).
(1)Cass., 6 nov. 2007, AR P.07.0627.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1, A.C., 2007, nr. 527. Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Witwas - Vermogensvoordeel rechtstreeks uit misdrijf verkregen - Witwassen van het vermogensvoordeel - Witgewassen vermogensvoordeel - Aard Witwas - Vermogensvoordeel rechtstreeks uit misdrijf verkregen - Witwassen van het vermogensvoordeel - Witgewassen vermogensvoordeel - Goed dat door het witgewassen vermogensvoordeel wordt verworven - Aard Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witwasmisdrijf - Vermogensvoordeel rechtstreeks uit misdrijf verkregen - Witwassen van het vermogensvoordeel - Witgewassen vermogensvoordeel - Goed dat door het witgewassen vermogensvoordeel wordt verworven - Aard Fiche 4 In correctionele of politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen; die eerste kwalificatie en omschrijving is voorlopig en het vonnisgerecht heeft, ook in hoger beroep, het recht en de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging, aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven
(1).
(1)Cass., 23 sept. 1987, AR 6005, nr. 51; Cass., 8 dec. 1992, AR 5908, nr. 774; Cass., 7 sept. 1994, AR P.94.1051.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.7, nr. 364; Cass., 28 jan. 1997, AR P.96.0039.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970128.6, nr. 51; Cass., 25 nov. 1997, AR P.95.1350.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.5, nr. 500; Cass., 21 juni 2000, AR P.00.0446.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.26, nr. 389, Cass., 23 okt. 2002, AR P.02.0958.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.9, nr. 561; Cass., 13 sept. 2005, AR P.05.0657.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.41, A.C., 2005, nr. 430. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Correctionele of politierechtbank - Kwalificatie van de feiten - Verplichting van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 5 Op grond van de gegevens van de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding en deze van het strafdossier oordeelt de rechter onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen
(1).
(1)Cass., 13 sept. 2005, AR P.05.0657.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.41, A.C., 2005, nr. 430. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Herkwalificatie van de feiten - Beoordeling of die feiten werkelijk het voorwerp uitmaken van de vervolging Fiches 6 - 9 Wanneer de witgewassen vermogensvoordelen geldsommen zijn waarvan ermee overeenstemmende bedragen in het patrimonium van de dader van de witwasoperatie worden aangetroffen, kan de rechter oordelen dat die bedragen de witgewassen geldsommen zijn die zich steeds in het patrimonium van de dader bevinden; het patrimonium van de witwasser wordt immers als een geheel beschouwd en het is bijgevolg irrelevant dat de geldsommen op bepaalde bankrekeningen van de witwasser worden teruggevonden alhoewel zij aanvankelijk op andere bankrekeningen werden overgeschreven
(1).
(1)Cass., 6 juni 2006, AR P.06.0274.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060606.8, A.C., 2006, nr. 311; VANDERMEERSCH, D., "Controverse à propos de la confiscation de l'objet du blanchiment", J.T., 2004, p.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witwassen van vermogensvoordelen - Witgewassen vermogensvoordelen bestaande uit geldsommen - Met deze geldsommen overeenstemmende bedragen terug te vinden in het patrimonium van de dader Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Witwassen van vermogensvoordelen - Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen bestaande uit geldsommen - Met deze geldsommen overeenstemmende bedragen terug te vinden in het patrimonium van de dader Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witwassen van vermogensvoordelen - Witgewassen vermogensvoordelen bestaande uit geldsommen - Met deze geldsommen overeenstemmende bedragen terug te vinden in het patrimonium van de dader - Verbeurdverklaring van deze geldsommen - Wettigheid Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Witwassen van vermogensvoordelen - Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen bestaande uit geldsommen - Met deze geldsommen overeenstemmende bedragen terug te vinden in het patrimonium van de dader - Verbeurdverklaring van deze geldsommen - Wettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.09.1458.N I. A L alias A L, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Dirk De Wandeleer, advocaten bij de balie te Brussel. II. J J H B, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel en mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge. III. A L A D R, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel en mr. Arthur Flieger, advocaat bij de balie te Antwerpen. IV E M F J D W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Dirk De Maeseneer, advocaat bij de balie te Brussel, de vier cassatieberoepen tegen
  2. IMMALEC nv, met zetel te 2970 Schilde, Vloeyenbergdreef 11, vrijwillig tussengekomen partij,
  3. LABIS SERVICES Ltd, met zetel te Monrovia (Liberia), 80 Broad Street, die voorheen woonplaats heeft gekozen bij mr. Serge Defrenne, advocaat, met kantoor te 9000 Gent, Baliestraat 28, vrijwillig tussengekomen partij,
  4. Christine VERFAILLIE, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 128, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van MATINA FORWARDING AND TRADING CY bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Maria-Theresialei 2, vrijwillig tussengekomen partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 september
  5. In memories die aan dit arrest zijn gehecht, voeren de eiser I een middel, de eiser II vijf middelen, de eiser III drie middelen en de eiser IV een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  6. Het arrest spreekt de eisers vrij voor een aantal telastleggingen. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 1°, 505, eerste lid, en 505, derde lid (oud), Strafwetboek: het arrest verklaart ten onrechte verbeurd het onroerend goed als voorwerp van het misdrijf witwassen; enkel de witgewassen gelden waarmede het onroerend goed is aangekocht, zijn het voorwerp van het misdrijf witwassen.
  8. Artikel 505, derde lid (oud), Strafwetboek dat hier van toepassing is, bepaalt dat de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel het voorwerp uitmaken van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepaling, in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek. Hieruit volgt dat een witgewassen vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, het voorwerp van het misdrijf witwassen uitmaakt in de zin van artikel 42, 1°, van dat wetboek. Daarentegen is het goed dat door de witwasoperatie is verkregen, niet het voorwerp van het misdrijf witwassen, maar wel een vermogensvoordeel dat voortkomt uit dat misdrijf als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Het feit dat het verkrijgen van dat vermogensvoordeel de finaliteit is van de witwasoperatie, doet hieraan geen afbreuk. Een verbeurdverklaring van het uit het witwasmisdrijf verkregen vermogensvoordeel is dus enkel mogelijk op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek.
  9. Het arrest verklaart ten laste van de eiser de tegenwaarde in euro verbeurd van 9.590.081 US dollar en 2.700.000 US dollar wegens respectievelijk de bewezen verklaarde telastleggingen A.IV en A.V. Daarin is, volgens het arrest, het appartementsgebouw gelegen te 2018 Antwerpen, Maria-Theresialaan 2-4, begrepen, in de mate dat het gefinancierd is met de cheques ten bedrage van 33.600.000 frank en 978.746 US dollar afkomstig van de verkoop van ACLN aandelen. Het arrest oordeelt aldus dat dit appartementsgebouw werd verkregen door het witwassen van illegale vermogensvoordelen. Dit appartementsgebouw is bijgevolg niet het voorwerp van het misdrijf witwassen bedoeld in de telastleggingen A.IV en A.V, maar het vermogensvoordeel dat erdoor is verkregen.
  10. Hieruit volgt dat de verbeurdverklaring van dit appartementsgebouw door het arrest met toepassing van de artikelen 42, 1°, Strafwetboek en 505, derde lid, Strafwetboek, in de hier toepasbare versie, niet naar recht verantwoord is. Het middel is gegrond. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12, tweede lid, Grondwet, artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 130, 182, 211 en 231 Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte wegens feiten van witwassen van vermogensvoordelen afkomstig van de verkoop van aandelencertificaten genoteerd op de NASDAQ; hierdoor breidt het arrest het voorwerp van de telastleggingen A.II, A.III, B.I en B.II uit tot andere feiten dan deze die door de verwijzingsbeschikking voor de rechter zijn aanhangig gemaakt en die enkel betrekking hadden op aandeelcertificaten genoteerd op de NYSE. In correctionele of politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. Die eerste kwalificatie en omschrijving is voorlopig en het vonnisgerecht heeft, ook in hoger beroep, het recht en de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging, aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven. Op grond van de gegevens van de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding en deze van het strafdossier oordeelt de rechter onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen. Hiertoe kan de rechter oordelen dat de telastlegging gekwalificeerd als het misdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, gelet op de gegevens van het strafdossier, ook betrekking heeft op feiten van witwassen van vermogensvoordelen verkregen door een ander basismisdrijf dan datgene dat in de oorspronkelijke omschrijving van de telastlegging is vermeld. De rechter kan bijgevolg de omschrijving van de telastlegging in die zin rechtzetten, zonder dat zulks als dusdanig miskenning van het recht van verdediging oplevert. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het arrest oordeelt dat "uit het geheel van de in het strafdossier opgenomen en aan de beklaagden ten laste gelegde feiten - waaronder feiten van witwas die dateren van vóór 18 juli 2001 - blijkt dat zij onmiskenbaar ook werden vervolgd voor het witwassen van nader geïdentificeerde vermogensvoordelen, voortspruitend uit bedrieglijke beurskoersmanipulatie van ACLN Ltd op de NASDAQ". Het stelt eveneens vast dat de eiser voorafgaandelijk van de rechtzetting in die zin van de omschrijving van de telastleggingen van witwassen van wederrechtelijke vermogensvoordelen is in kennis gesteld. Op grond van die redenen verklaart het arrest de eiser schuldig aan de telastleggingen A.II, A.III, B.I en B.II, omschreven als betrekking hebbende op het witwassen van de wederrechtelijke vermogensvoordelen afkomstig van het te gelde maken van de aandelencertificaten of aandelen ACLN Ltd. genoteerd op de beurzen van New York. Die beslissing is naar recht verantwoord. Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden.
  13. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel door het arrest dat de telastleggingen A.II, A.III, B.I en B.II, betrekking hebben op het witwassen van de wederrechtelijke vermogensvoordelen afkomstig van het te gelde maken van de aandelencertificaten of aandelen ACLN Ltd. genoteerd op de beurzen van New York, wat niet alleen de NYSE maar ook de NASDAQ impliceert. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1119, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat onder de kwalificatie van de telastleggingen A.II, A.III, B.I en B.II, ook de feiten van de verkoop van de aandelen of aandelencertificaten genoteerd op de NASDAQ begrepen zijn; hierdoor geeft het arrest van de verwijzingsbeschikking een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.
  15. Het arrest oordeelt dat "uit het geheel van de in het strafdossier opgenomen en aan de beklaagden ten laste gelegde feiten - waaronder feiten van witwas die dateren van vóór 18 juli 2001 - blijkt dat zij onmiskenbaar ook werden vervolgd voor het witwassen van nader geïdentificeerde vermogensvoordelen, voortspruitend uit bedrieglijke beurskoersmanipulatie van ACLN Ltd op de NASDAQ".
  16. Aldus oordeelt het arrest dat gelet op de gegevens van het strafdossier en de in de telastlegging vermelde strafbare periode, de omschrijving van de vermelde telastleggingen duidelijk betrekking heeft op het witwassen van wederrechtelijke vermogensvoordelen verkregen door beursmanipulatie in New York gedurende een ruimere strafbare periode dan deze gedurende dewelke de beursmanipulatie op de NYSE heeft plaatsgevonden. Het arrest leidt hieruit af dat de bedoelde telastleggingen niet enkel beursmanipulaties op de NYSE beogen, maar ook deze op de NASDAQ. Hierdoor geeft het arrest van de verwijzingsbeschikking een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemene rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en schending van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt dat er bij de eiser een manifeste onwil bestaat om zich in persoon voor de rechtbank aan te bieden, zijn verklaringen af te leggen en eventueel geconfronteerd te worden met de overige in het dossier betrokken personen; aldus blijkt dat de appelrechters de mening toegedaan zijn dat, wil de eiser voor de rechter verklaringen afleggen, hij zich eerst gevangen dient te geven; hierdoor wordt de uitoefening van eisers recht van verdediging afhankelijk gesteld van de vereiste dat de eiser zich gevangen geeft.
  18. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt het arrest noch met eigen redenen noch met de redenen van het beroepen vonnis die het overneemt en die het onderdeel weergeeft, dat, wil de eiser verklaringen afleggen, hij zich eerst gevangen dient te geven. Dit kan niet worden afgeleid uit het oordeel van het beroepen vonnis dat het arrest overneemt, dat er bij de eiser een manifeste onwil bestaat zich in persoon voor de rechtbank aan te bieden, zijn verklaringen af te leggen en eventueel geconfronteerd te worden met de overige in het dossier betrokken personen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht van verdediging niet is miskend en dat zijn vertegenwoordiging door zijn raadsman ter rechtszitting gelijkstaat met zijn persoonlijke aanwezigheid; de eiser had immers het recht persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces.
  20. Met het bedoelde oordeel zegt het arrest niet dat de eiser het recht niet heeft persoonlijk ter rechtszitting aanwezig te zijn. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het arrest dit oordeel wel bevat, berust op een onjuiste lezing en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: de periode benut door het openbaar ministerie voor het opstellen van de eindvordering in deze zaak is onredelijk lang; het arrest dat bovendien niet onderzoekt of de behandeling van eisers verzoeken gericht aan de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling niet onredelijk lang heeft geduurd, noch vaststelt dat deze verzoeken enkel werden aangewend om de rechtsgang te vertragen, oordeelt aldus niet wettig dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak niet is overschreden.
  22. Anders dan het onderdeel aanvoert, kon het arrest uit de feitelijke gegevens die het vaststelt en die het onderdeel weergeeft, wettig afleiden dat de duur van het opstellen van de eindvordering niet onredelijk lang was. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
  23. Het oordeel dat de duur voor het opstellen van de eindvordering van het openbaar ministerie niet onredelijk lang is, houdt ook het oordeel in dat de duur van de behandeling door de onderzoeksrechter en de kamer van inbeschuldigingstelling van eisers verzoeken tijdens het opstellen van die eindvordering ingediend met toepassing van respectievelijk de artikelen 61ter en 136 Wetboek van Strafvordering, geen onredelijke vertraging heeft gekend. De vraag of die verzoeken al dan niet enige kans op slagen hadden, is hierbij irrelevant. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel
  24. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest houdt bij de beoordeling van de redelijke termijn voor de strafvervolging van de eiser ten onrechte rekening met vertragende initiatieven die andere beklaagden of vrijwillig tussenkomende partijen hebben ondernomen, zonder vast te stellen dat de eiser daarin enige verantwoordelijkheid draagt.
  25. Het arrest beoordeelt de redelijke termijn van het hele proces in functie van de complexiteit van de zaak. De complexiteit van de zaak wordt mede beïnvloed door het aantal partijen die in het proces betrokken zijn. Zo kan de rechter voor de beoordeling van de redelijke termijn, de houding van de partijen in hun geheel in aanmerking nemen. De onderdelen kunnen niet aangenomen worden. Vierde middel van de eiser II
  26. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 42, 3° Strafwetboek en artikel 505 Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007: het arrest oordeelt ten onrechte dat de integrale opbrengst van de ACLN Ltd. aandelen wederrechtelijk vermogensvoordeel is dat uit het basismisdrijf voortkomt; dit kon het arrest niet wettig uit de erin vastgestelde feiten afleiden.
  27. Het arrest oordeelt dat zonder de basismisdrijven, de aandelen ACLN Ltd. nooit op de beurzen van New York waren geïntroduceerd en er evenmin aandelenopties waren uitgegeven. Aldus geeft het arrest te kennen dat zonder de basismisdrijven, de aandelen en aandelencertificaten op de beurzen nooit een koper zouden gevonden hebben en dat de eiser daarvoor nooit een prijs zou hebben gekregen. Hieruit leidt het arrest wettig af dat de integrale opbrengst van de ACLN Ltd. aandelen een wederrechtelijk vermogensvoordeel is. Het middel kan niet aangenomen worden. Vijfde middel van de eiser II
  28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 1° en 42, 3° Strafwetboek, artikel 505 Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007 en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart ten onrechte dat de tegoeden op de rekeningen van de eiser bij KBC en Citibank deel uitmaken van de verbeurd verklaarde vermogensvoordelen. Eerste onderdeel
  29. Het onderdeel voert aan dat het arrest eisers verweer dat het onmogelijk is de verbeurdverklaring uit te spreken van de tegoeden die zich bevinden op de diverse rekeningen van de eiser bij KBC en Citibank, daar deze gelden geen uit het misdrijf voortkomend vermogensvoordeel uitmaken, niet beantwoordt.
  30. Het arrest oordeelt: "Indien de verbeurdverklaarde zaken zich echter wel in het vermogen van de veroordeelde bevinden (wat het geval is wanneer die zaken in dat vermogen zijn gekomen en er niet zijn uitgegaan) en die zaken daar als genuszaken zijn vermengd met overeenstemmende genuszaken, dan kan het [hof van beroep] oordelen dat de in hetzelfde vermogen teruggevonden genuszaken in feite de genuszaken zijn die het voorwerp van witwas zijn." Verder oordeelt het arrest dat van het verbeurde bedrag van 17.000.000 US dollar, het bedrag van 11.429.425,27 euro terechtgekomen is in het patrimonium van de eiser, dat tot dit bedrag de positieve saldi van de vier KBC rekeningen en de twee Citibank rekeningen behoren en dat de eiser zijn witgewassen vermogen verspreid heeft over meerdere bankrekeningen. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  31. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet vaststelt dat de som van 11.429.425,27 euro zich op de vier KBC rekeningen en de twee Citibank rekeningen bevindt of bevonden heeft; het arrest stelt integendeel vast dat de vermelde geldsom op andere rekeningen werd overgeschreven en dat het enige illegale vermogensvoordeel waarvan ze vaststellen dat het langs een der voormelde rekeningen is gekomen, namelijk 2.000.000 euro, dezelfde dag naar de rekening van een medebeklaagde is overgeschreven.
  32. Uit het arrest (p. 156, eerste alinea) blijkt dat het bedrag van 2.000.000 euro dat van een der KBC rekeningen van de eiser naar de bankrekening van medebeklaagde De Ridder werd overgeschreven, betrekking heeft op andere bewezen verklaarde telastleggingen, met name de telastleggingen A.III.n en A.III.o. Het is dus een ander verbeurd bedrag dat geen deel uitmaakt van het bedrag van 11.429.425,27 euro dat deel uitmaakt van het bedrag van 17.000.000 US dollar dat ten laste van de eiser is verbeurd wegens de telastlegging A.II. l, 6de, 7de en 8ste rij. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  33. Wanneer de witgewassen vermogensvoordelen geldsommen zijn waarvan ermee overeenstemmende bedragen in het patrimonium van de dader van de witwasoperatie worden aangetroffen, kan de rechter oordelen dat die bedragen de witgewassen geldsommen zijn die zich steeds in het patrimonium van de dader bevinden. Het patrimonium van de witwasser wordt immers als een geheel beschouwd. Het is bijgevolg irrelevant dat de geldsommen op bepaalde bankrekeningen van de witwasser worden teruggevonden alhoewel zij aanvankelijk op andere bankrekeningen werden overgeschreven. De verschillende rekeningen maken immers deel uit van hetzelfde patrimonium. De rechter moet bijgevolg niet vaststellen dat de witgewassen geldsommen zich steeds op dezelfde bankrekeningen als deze waar ze aanvankelijk zijn gestort, bevinden. Hij moet enkel vaststellen dat ze steeds in het vermogen van de witwasser terug te vinden zijn.
  34. Het arrest stelt vast dat van het verbeurdverklaarde bedrag van 17.000.000 US dollar, 11.429.425,27 euro terechtgekomen is in het vermogen van de eiser, dat tot dat bedrag de positieve saldi behoren van de vier KBC rekeningen en de twee Citibank rekeningen en dat de eiser zijn witgewassen vermogen verspreid heeft over meerdere bankrekeningen. Hierdoor stelt het arrest vast dat van de witgewassen vermogensvoordelen die het wegens de bewezen verklaarde telastleggingen A.II,l, 6de, 7de en 8ste rij verbeurd verklaart, 11.429.425,25 euro zich steeds in het vermogen van de eiser bevindt. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  35. Het onderdeel voert aan dat het oordeel van het arrest dat de tegoeden op de vier KBC rekeningen en de twee Citibank rekeningen deel uitmaken van het voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen van witwassen, tegenstrijdig gemotiveerd is.
  36. Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  37. Het onderdeel voert aan dat het oordeel van het arrest dat de saldi op de vier KBC rekeningen en de twee Citibank rekeningen deel uitmaken van het voorwerp van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven, de bewijskracht miskent van de uittreksels van die rekeningen.
  38. Het arrest geeft geen uitlegging van de bedoelde rekeninguittreksels en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser III
  39. De onderdelen hebben dezelfde draagwijdte als de onderdelen van het eerste middel van de eiser II.
  40. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het middel van de eiser II, kunnen de onderdelen niet aangenomen worden. Tweede middel van de eiser III
  41. De onderdelen hebben dezelfde draagwijdte als de onderdelen van het derde middel van de eiser II.
  42. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel van de eiser II, kunnen de onderdelen niet aangenomen worden. Derde middel van de eiser III
  43. Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het vierde middel van de eiser II.
  44. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het vierde middel van de eiser II, kan het middel niet aangenomen worden. Middel van de eiser IV
  45. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de regels inzake bewijslast: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; de redenen op grond waarvan het arrest de eiser schuldig verklaart aan de feiten van de telastlegging A.II,b, zijn strijdig met deze op grond waarvan het de medebeklaagde Markesinis vrijspreekt; daarenboven leidt het arrest het bewijs van de feiten af uit indirecte feiten.
  46. De redenen op grond waarvan het arrest de medebeklaagde Markesinis vrijspreekt, betreffen de telastlegging A.II.c, waarvoor ook de eiser is vrijgesproken. Die feiten zijn andere feiten dan deze van de telastlegging A.II. b, waarvoor het arrest de eiser schuldig verklaart. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  47. De rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten al dan niet bewezen zijn. Hij kan dit bewijs afleiden uit alle feitelijke gegevens die aan de tegenspraak van de partijen zijn voorgelegd. Niets belet hem het bewijs van een bepaald feit af te leiden uit andere feiten. In zoverre faalt het middel naar recht.
  48. Voor het overige leidt het middel een tegenstrijdigheid in de motivering af uit het oordeel door het arrest dat de eiser na 21 december 2001 niet langer kon vertrouwen op de positieve berichtgeving over ACLN Ltd. Aldus komt het middel in werkelijkheid op tegen het onaantastbare oordeel van de feiten door het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de niet-vernietigde beslissingen op de strafvordering
  49. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  50. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft de beslissing op de tegen de eiser II ingestelde strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser II wordt bevolen, heeft het bijgevolg geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het ten laste van de eiser I de verbeurdverklaring uitspreekt van het appartement gelegen te 2018 Antwerpen, Maria-Theresiastraat 2-
  51. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser I in drie vierden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige vierde ten laste van de Staat. Veroordeelt de eisers II, III en IV in de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Begroot de kosten in het geheel op 1120,12 euro waarvan de eisers I 586,84 euro en de eisers II, III en IV elk 177,76 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 12 januari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140910.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250122.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940907.7 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970128.6 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.5 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.26 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.41 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060606.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141007.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.