id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.2 Rolnummer: C.09.0029.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 540 - laatst gezien 2026-07-02 21:14 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.2 Fiche 1 In civiele zaken is de betekening een vereiste voor de gedwongen tenuitvoerlegging. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Gedwongen tenuitvoerlegging - Vereiste Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1495, eerste en derde lid Fiches 2 - 3 De termijn die door de strafrechter in stedenbouwzaken wordt bepaald om de overtreder toe te laten de plaats in de vorige staat te herstellen, maakt geen gedwongen tenuitvoerlegging uit in de zin van artikel 1495 Ger.W., waarvoor een voorafgaande betekening in de regel vereist is
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Strafrechter - Hersteltermijn - Aard - Gevolg - Betekening Wettelijke bepalingen: Wet - 29-03-1962 - Art. 65, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1962032904 Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 68, § 1, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, § 1, eerste en laatste lid, 152 en 153 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Strafrechter - Hersteltermijn - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 29-03-1962 - Art. 65, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1962032904 Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 68, § 1, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 149, § 1, eerste en laatste lid, 152 en 153 Fiches 4 - 7 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregelen - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Dwangsom - Uitvoeringstermijn - Respijttermijn - Onderscheid - Beslissing die enkel een uitvoeringstermijn oplegt - Gevolg - Verbeurte van de dwangsom - Aanvang Herstel van plaats in de vorige staat - Strafrechter - Hersteltermijn - Aard - Gevolg - Betekening Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) Vrije woorden: Stedenbouw - Herstel van plaats in de vorige staat - Strafrechter - Hersteltermijn - Aard Tekst van de beslissing Nr. C.09.0029.N GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de Provincie Oost-Vlaanderen, met kantoor te 9000 Gent, Gebr. Van Eyckstraat 4-6, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- S. E., en,
- A. M., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 oktober 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest en de voorziening blijken de volgende feiten en procedurevoorgaanden:
- De verweerders worden bij vonnis van 18 januari 2005 van de correctionele rechtbank te Gent strafrechte¬lijk veroordeeld wegens inbreuken op de stedenbouwreglementering en tot herstel als volgt: "Beveelt (de verweerders) over te gaan tot het herstel van de plaats te (...) in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de trainingspiste en het nivelleren van het terrein, alsook de afbraak van alle wederrechtelijk opgerichte schuilhokken en stallingen vermeld op de stukken 11 en 12 van het strafdossier onder referte I binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden. Beveelt aan (de verweerders) over te gaan tot het herstel van de plaats te (...) in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de open loopstal voor vee en de voederkribbe met aanrijverharding, betonplateau en afsluiting uit vangrails en het nivelleren van het terrein, het herstel van het maaiveld en de verwijdering van alle materialen van het terrein, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden. Zegt voor recht dat op vordering van het openbaar ministerie en de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur door (de verweerders) een dwangsom verbeurd zal worden van 500 euro per dag vertraging in de nakoming van deze bevelen."
- Dit vonnis treedt in kracht van gewijsde op 2 februari
- Het wordt betekend aan de verweerders op 5 oktober
- Op 22 maart 2006 wordt aan verweerders bevel tot betaling betekend voor een bedrag van 83.479,98 euro voor dwangsommen verbeurd voor de periode van 6 oktober 2005 tot 20 maart 2006, meer kosten.
- Hiertegen wordt door de verweerders op 6 april 2006 verzet aange¬tekend voor de beslagrechter te Gent, die het, zowel bij verstek als bij verzet, inwilligt.
- Deze beslissing wordt door het thans bestreden arrest bevestigd. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, §1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; - artikel 68, §1 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening; - de artikelen 149, §1, in zijn versie zoals van toepassing zowel vóór de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in deze na de wijziging bij het decreet van 4 juni 2003 en in deze na de wijziging bij decreet van 21 november 2003, §2 en §3, zowel in zijn versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in zijn huidige versie, 152 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - de artikelen 19, 23, 24, 25, 26, 28 en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 203, §§1 en 3, van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 44 van het Strafwetboek; - het algemeen rechtsbeginsel inzake de kracht van gewijsde in strafzaken; - het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag van gewijsde in strafzaken. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 2 oktober 2007 verklaart het hof van beroep te Gent eisers hoger beroep tegen het vonnis van 31 oktober 2006 van de beslagrechter, dat zijn verzet als ongegrond verwierp tegen het verstekvonnis van 2 mei 2006, waarbij de vordering van verweerder ontvankelijk en gegrond werd verklaard en werd gezegd voor recht dat de bij bevel van 22 maart 2006 gevorderde dwangsommen niet verschuldigd waren, ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigde de bestreden beschikking, weze het deels op grond van andersluidende motieven. Deze beslissing is gesteund op volgende overwegingen: "2.
- De eerste rechter overweegt verder dat, aangezien de opgelegde her¬stelmaatregel een maatregel van burgerrechtelijke aard is, dit hoe dan ook - en zelfs afgezien van de vraag of er al dan niet een afzonderlijke respijttermijn naast de uitvoeringstermijn werd toegestaan - voor gevolg heeft dat de regels van het civiele procesrecht moeten gevolgd worden en een voorafgaandelijke betekening derhalve noodzakelijk blijft om de uitvoeringstermijn een aanvang te doen nemen. Het feit dat de herstelmaatregel tot de strafvordering behoort en hieruit voortvloeit, staat er niet aan in de weg dat de maatregel intrinsiek een civielrechte¬lijk karakter heeft. In diverse arresten oordeelde het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof) immers dat herstelmaatregelen geen straf zijn, doch, doordat zij afhankelijk zijn van de vaststellingen van een misdrijf en uitsluitend kunnen opgelegd worden in het belang van een goede ruimtelijke ordening, wel verbonden zijn met de publieke vordering en als dusdanig binnen het concept van artikel 44 van het Strafwetboek vallen (...). Ook het Hof van Cassatie bevestigt zulks in diverse arresten (...). Vanuit deze optiek dient dan ook vooropgesteld dat inzake uitvoering de bur¬gerlijke procesregels van toepassing zijn en dus ook artikel 1495 Ger. W. krachtens hetwelk geen veroordelende beslissing kan worden ten uitvoer ge¬legd dan nadat zij aan de partij is betekend. Dit impliceert evenzeer, zoals de eerste rechter terecht overwoog, dat de in het veroordelend vonnis opgelegde uitvoeringstermijn pas kan beginnen lopen na betekening van het vonnis aan degene aan wie de herstelmaatregel is opgelegd. Waar deze betekening ter zake plaatsvond op 5 oktober 2005, nam de uitvoe¬ringstermijn aldus pas een aanvang op 6 oktober 2005 om te eindigen op 06 april
- Waar in casu het bevel tot betalen enkel betrekking heeft op de dwangsommen voor de periode vanaf 06 oktober 2005 tot 20 maart 200