id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.7 Rolnummer: C.08.0082.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 712 - laatst gezien 2026-07-02 23:58 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.7 Fiche 1 Noch de omstandigheid dat de redelijke opzeggingstermijn, waarop de concessiehouder recht heeft in geval eenzijdige beëindiging van een voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop, bepaald wordt bij de opzegging van het contract, noch de billijkheid waardoor de rechter zich moet laten leiden, beletten dat hij, bij de raming van de redelijke opzeggingstermijn, rekening houdt met alle elementen waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt; de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bepaald element, waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt en dat dateert van na de opzegging van het contract, een effectieve weerslag dient te hebben op de raming naar billijkheid van de redelijke opzeggingstermijn
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Berekening - In aanmerking te nemen referentieperiode Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art. 2 Fiche 2 Bij ontstentenis van een redelijke opzeggingstermijn moet de concessiegever een vergoeding betalen ter compensatie van de schade die de concessiehouder ingevolge die ontoereikende opzeggingstermijn lijdt; wanneer een partij de concessie beëindigt met een ontoereikende opzeggingstermijn, kan de rechter, in geval van betwisting, die partij enkel veroordelen tot de betaling van een vergoeding ter compensatie van de schade geleden ingevolge die ontoereikende opzeggingstermijn, nu de verplichting tot betaling van dergelijke opzeggingsvergoeding geen autonome contractuele verbintenis is, maar een verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Verplichting tot betaling - Aard van de verbintenis Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art. 2 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Berekening - In aanmerking te nemen referentieperiode Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Verplichting tot betaling - Aard van de verbintenis Tekst van de beslissing Nr. C.08.0082.N HONDA MOTOR EUROPE NORTH GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 63069 Offenbach (Duitsland), Sprenlinger Landstrasse 166, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 4020 Luik, rue de Chaudfontaine 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen M. Y., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 september 2006 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder gegrond en hervormt het bestreden vonnis als volgt: "Zegt voor recht dat (de eiseres) een opzegtermijn van 20 maanden had moeten toekennen, zodat (de verweerder) aansprak mag maken op een vervangende opzegvergoeding ter compensatie van de bijkomende termijn van 5 maanden en 4 dagen en berekend op basis van de semi-brutowinst die hij gemiddeld realiseerde tijdens de boekjaren 1999, 2000 en 2001. (...)" (p. 18). Deze beslissing steunt namelijk op volgende redenen: "Geïntimeerde meent (...) dat de door haar toegekende opzeggingstermijn van bijna 15 maanden redelijk is, rekening houdend met het feit dat (
- i)(de verweerder) onmiddellijk na de afloop van de opzeggingstermijn identieke, concurrerende producten kon verdelen, (
- ii)zijn infrastructuur is ingericht voor de verdeling van dergelijke producten, (iii) de kostenstructuur gelijkwaardig is en (
- iv)de winstmarges vrijwel identiek zijn in de betrokken sector. Krachtens artikel 2 van de Concessiewet kan, behalve bij grove tekortkoming van één van de partijen aan haar verplichtingen, deze concessie niet worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door partijen wordt bepaald bij de opzegging van het contract. Zijn zij het niet eens, dan doet de rechter uitspraak naar billijkheid, eventueel met inachtneming van de gebruiken. Er moet worden aangenomen dat de opzegtermijn redelijk is wanneer, op het ogenblik van de opzegging, voorzienbaar is dat de concessienemer na afloop van de overeenkomst een gelijkwaardige bron van inkomsten kan hebben gevonden. Hier kan rekening worden gehouden met de duur van de concessie, de aard en de bekendheid van de verkochte producten, het territorium van de concessie, het aandeel ervan in de globale activiteit van de concessiehouder en het omzetcijfer. Hierbij dient men zich te plaatsen op het moment van de opzegging en moet men in billijkheid nagaan wat een redelijke termijn zou zijn in het licht van de hierboven gestelde doelstelling. Het oordeel in billijkheid brengt met zich mee dat de rechter met alle omstandigheden rekening houdt, eventueel met feitelijke elementen die zich hebben voorgedaan na het einde van de concessie. Deze latere gebeurtenissen kunnen echter hoogstens een aanwijzing zijn bij de beoordeling naar billijkheid. Op het ogenblik dat de concessie werd opgezegd, bedroeg de duur ervan bijna 10 jaar. De concessie vertegenwoordigde 100 pct. van de bedrijfsactiviteit van (de verweerder). De opzegging van dergelijke concessie treft de concessiehouder uiteraard harder dan wanneer hij verschillende concessies zou voeren. De concessie had betrekking op een beperkt territorium. Zij omvatte de gemeenten Deinze, Sint-Martens-Latem, Nazareth, Nevele en De Pinte. Dit zijn dichtbevolkte gemeenten met een hoge levensstandaard. Normalerwijze zal het vinden van een alternatief gemakkelijker zijn voor een beperkt territorium dan voor een uitgebreid territorium. De verkoop van nieuwe wagens door (de verweerder) is gedaald vanaf het boekjaar 1999. Deze neerwaartse trend sluit echter aan bij de daling in de verkoop van wagens door geïntimeerde in gans België. De percentages zijn vergelijkbaar: een daling van 53,5 pct. bij (de verweerder) en een daling van 52,3 pct. op nationaal vlak voor de periode van 1999 tot 2001. Daarbij is het weinig overtuigend dat de daling op het nationale vlak volgens (de eiseres) het gevolg zou zijn van de herstructurering van het dealernetwerk. Het komt waarschijnlijker voor dat de herstructurering werd ingegeven om de dalende markttrend te doorbreken. (De verweerder) werd derhalve verhoudingsgewijs in dezelfde mate getroffen door de algemene achteruitgang van het merk Honda. Verder wordt het merk Honda beschouwd als bekend en betrouwbaar. Terecht voert (de verweerder) aan dat dit het moeilijker maakt om een gelijkwaardige bron van inkomsten na de opzegging te vinden. Rekening houdend met al deze elementen oordeelt het hof dat (de eiseres) een opzegtermijn van 20 maanden had moeten toekennen, zodat (de verweerder) aanspraak kan maken op een vervangende opzegvergoeding berekend op basis van een bijkomende opzegtermijn van 5 maanden en 4 dagen. Het feit dat (de verweerder) na 15 maanden een nieuwe concessie heeft gevonden, staat hieraan niet in de weg. Een oordeel naar billijkheid sluit niet uit dat de rechter, zich plaatsend op het moment van de opzegging van de concessie, een redelijke termijn vaststelt die achteraf niet blijkt samen te vallen met de termijn waarbinnen de concessiehouder een nieuwe concessie heeft gevonden. Daarenboven impliceert het snel vinden van een alternatief niet dat het een gelijkwaardig alternatief is. (...) (De verweerder) heeft bijgevolg recht op een vervangende opzegvergoeding berekend op basis van een bijkomende opzegtermijn van 5 maanden en 4 dagen. Om billijk te zijn, moet de vergoeding beantwoorden aan de economische waarde die de uitvoering van een redelijke opzeggingstermijn had vertegenwoordigd. Dergelijke vergoeding dient te worden berekend op basis van de semi-brutowinst, behaald tijdens de activiteitsperiode die zo dicht mogelijk bij het tijdstip van de opzegging ligt. (De verweerder) neemt als relevante periode de boekjaren 1999, 2000 en 2001. (De eiseres) heeft geen bezwaar tegen het gebruik van deze periode doch voert aan dat de semi-brutowinst die (de verweerder) heeft gerealiseerd in het kader van zijn nieuwe Rover-MG concessie (dus na 31 augustus 2002) moet worden verrekend. Wanneer evenwel de concessiegever de concessie beëindigt met een ontoereikende opzeggingstermijn kan de rechter de concessiegever enkel veroordelen tot de betaling van een vergoeding ter compensatie van die ontoereikende opzeggingstermijn. Bij het bepalen van deze vergoeding kan dan ook geen rekening worden gehouden met de winst die de concessiehouder mogelijks uit een andere concessie zou hebben behaald tijdens de door de rechter bepaalde ontbrekende opzeggingstermijn. De verbintenis tot het betalen van de opzeggingsvergoeding treedt immers ín de plaats van de niet-nagekomen verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen" (p. 9, 10, 11 en 13-14). Grieven Eerste onderdeel Artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop bepaalt dat een voor onbepaalde tijd verleende, aan de wet onderworpen verkoopconcessie, behalve bij grove tekortkoming van een van de partijen aan haar verplichtingen, niet kan worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door partijen worden bepaald bij de opzegging van het contract en dat, indien partijen het niet eens zijn, de rechter dan uitspraak doet naar billijkheid, eventueel met inachtneming van de gebruiken. Noch de omstandigheid dat de redelijke opzeggingstermijn waarop de concessiehouder recht heeft, bepaald wordt bij de opzegging van het contract, noch de billijkheid waardoor de rechter zich moet laten leiden, beletten dat hij, bij de raming van de redelijke opzeggingstermijn, rekening houdt met alle elementen waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt. Ondanks het feit dat in theorie wordt toegegeven door het bestreden arrest dat de rechter de verplichting heeft om rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, met inbegrip van de gebeurtenissen die volgen na de breuk, blijkt uit geen enkele overweging dat de beroepsrechters, die niet uitleggen waarom "het feit dat appellant na 15 maanden een nieuwe concessie heeft gevonden, (...) hieraan niet in de weg (staat)" en evenmin waarom de nieuwe concessie die verweerder heeft gevonden niet "een gelijkwaardig alternatief" zou zijn, ook effectief rekening zouden gehouden hebben, zij het ten indicatieve titel, met het feit dat verweerder een nieuwe concessie had gevonden voor het einde van de opzegtermijn zodat, ook al betwisten zij dit, zij op een abstracte manier de duur van de redelijke opzegtermijn hebben beoordeeld en bijgevolg artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 hebben geschonden. Tweede onderdeel Nu de billijke vergoeding, voorzien door artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, tot voorwerp heeft om de schade te vergoeden, voor de partij die werd beëindigd, van de afwezigheid of de niet toereikendheid van de opzeg, kan zij niet tot gevolg hebben dat deze partij zich in een betere situatie bevindt dan degene waarin ze zich zou bevinden indien de concessie niet was verbroken. Om de schade te evalueren die volgt uit de afwezigheid van een opzeg of een onvoldoende opzegtermijn moet de rechter, op het ogenblik dat hij een beslissing neemt, rekening houden met alle omstandigheden van de zaak die een invloed hebben op het bestaan van die schade of de omvang ervan. Hij moet met name rekening houden met gebeurtenissen die ontstaan na de schade en die, alhoewel zij niets te maken hebben met de onrechtmatige daad, toch een invloed hebben op de schade die er uit volgt. In haar tweede aanvullende en synthesebesluiten voerde eiseres aan dat "(de verweerder) (minstens) onmiddellijk na het einde van de opzeggingsperiode, met name op 1 september 2002, (
- is)gestart met de uitbating van een nieuwe Rover-MG-concessie. In het licht van de bovenvermelde rechtspraak dient de deskundige bij het begroten van de eventuele opzegvervangende vergoeding bijgevolg niet enkel rekening te houden met de gemiddelde semi-brutowinst gerealiseerd door (de verweerder) in de periode (2 tot 3 jaar) voorafgaand aan de opzegging, doch tevens rekening te houden met de gemiddelde semi-brutowinst die (de verweerder) uit zijn nieuwe concessie heeft verwezenlijkt tijdens de extra maanden opzeggingstermijn die aan hem desgevallend hadden moeten worden verleend. Dit met het oog op de toerekening ervan op de in abstracto aan de hand van een aan de beëindiging voorafgaande referentieperiode bepaalde semi-bruto winst" (p. 36). Door te weigeren om de winst die de verweerder gedurende de eerste vijf maanden van zijn Rover-MG-concessie heeft genoten af te trekken van de winst die hij zou hebben gerealiseerd in de loop van de opzegtermijn die, volgens de beroepsrechters, hij redelijkerwijze had moeten krijgen van de eiseres, op grond dat "bij het bepalen van deze vergoeding (...) geen rekening (kan) worden gehouden met de winst die de concessiehouder mogelijks uit een andere concessie zou hebben behaald tijdens de door de rechter bepaalde ontbrekende opzeggingstermijn", en dit terwijl de winst in kwestie niet vreemd was aan de schade die volgde uit de ontoereikende opzegtermijn toegekend door de eiseres of zonder dit minstens onderzocht te hebben, staat het bestreden arrest toe dat de verweerder gedurende 5 maanden een effectief inkomen cumuleert met een vervangende schadevergoeding, waardoor hij een vergoeding krijgt die hoger is dan de schade die men beoogt te herstellen (schending van artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop). Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop; - artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek; - het beschikkingsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel); - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder gegrond en hervormt het bestreden vonnis als volgt: "Zegt voor recht dat (de verweerder) aanspraak mag maken op een billijke bijkomende vergoeding voor aanbreng van cliënteel, gelijk aan negen maanden brutowinst berekend op basis van het gemiddelde van de jaren 1999, 2000 en 2001 (...) Stelt Adolf De Backer, bedrijfrevisor, Oude Mechelsesstraat 150/A te 1853 Strombeek-Bever (...), aan als deskundige met als opdracht de gemiddelde brutowinst (van de verweerder te berekenen) voor (de boekjaren 1999, 2000 en 2001)". Deze beslissing steunt voornamelijk op volgende redenen: "(De verweerder) stelt tevens aanspraak te maken (
- op)een bijkomende billijke vergoeding overeenkomstig artikel 3 Concessiewet. Hij vordert een bedrag van 114.271,73 euro op grond van een aan de concessiegever verworven meerwaarde aan cliënteel (artikel 3, 1°) (...). (...) Inzake meerwaarde moet (de verweerder) krachtens dit artikel bewijzen dat hij een bekende meerwaarde aan cliënteel heeft aangebracht, die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van de concessie. Wat deze aanbreng betreft, moet de concessiehouder aantonen dat deze mee te danken is aan zijn eigen inspanningen. Dat het succes van de producten en de promotie door de concessiegever hierbij een rol spelen, staat aan het toekennen van de billijke bijkomende vergoeding niet in de weg. Verder moet de concessiehouder aantonen dat de door hem aangebrachte bekende meerwaarde aan cliënteel van aard is aan de concessiegever te verblijven. Hij moet echter niet bewijzen dat de concessiegever die effectief heeft verworven. (...) Hoewel (de verweerder) niet de eerste concessiehouder was in het territorium, wordt het niet betwist dat het contract met zijn voorganger reeds in 1988 werd beëindigd zodat er gedurende een periode van ongeveer 4 jaar geen aanwezigheid van (de eiseres) was in het betrokken territorium. Uit de voorgelegde verkoopcijfers blijkt dat (de verweerder) gestaag het aantal verkopen heeft opgedreven in de loop van 1991 tot 1998 met een tussentijdse daling in 1996. De daling in de verkoop vanaf 1999 sluit dan weer aan bij de daling van de verkoopcijfers van (de eiseres) op het nationale vlak (zie randnummer 15). Deze daling is bijgevolg niet van aard om het recht op een billijke bijkomende vergoeding uit te sluiten. (De verweerder) heeft zelf inspanningen moeten leveren om zijn concessie uit te bouwen. In dit verband kan verwezen worden naar de strikte voorschriften en richtlijnen die door (de eiseres) werden opgelegd voor de inrichting van de kantoren en werkplaatsen en de organisatie van de verkoop. Deze noodzaakten (de verweerder) tot belangrijke investeringen. Hierdoor heeft (de verweerder) bijgedragen aan de uitstraling van het merk. Dat (de eiseres) van haar kant ook voortdurend geïnvesteerd heeft in het uitdragen van de naambekendheid van haar merk doet geen afbreuk aan de inspanningen van (de verweerder). Rekening houdend met de merkbekendheid en het merkimago van Honda moet verder worden geoordeeld dat het gaat om een bekende meerwaarden van cliënteel waarvan redelijk kan worden aangenomen dat zij de concessiegever trouw zal blijven. Het merk blijft een doorslaggevend argument bij de aankoop van een wagen. Dat (de verweerder) onmiddellijk met een nieuwe concessie van een ander automerk startte, staat hieraan niet in de weg. Gezien de contractproducten een zekere levensduur hebben - een aantal jaren - blijven de klanten nog een tijd gebonden aan de concessiegever die in tussentijd ook de mogelijkheid heeft om deze verder aan zich te binden. In de gegeven omstandigheden maakt (de verweerder) derhalve met reden aanspraak op een billijke bijkomende vergoeding voor de aanbreng van cliënteel. Het hof stelt deze vergoeding vast op een bedrag gelijk aan negen maanden brutowinst, berekend op basis van het gemiddelde van de boekjaren 1999, 2000 en 2001. Het cliënteel is immers een actief waarvan de waarde moet worden bepaald in functie van zijn potentieel om winst te generen. Deze vergoeding dient te worden berekend op basis van de resultaten van de bevolen onderzoeksmaatregel" (p. 14 tot en met 17). Grieven Eerste onderdeel In zoverre geraamd in functie van de bekende meerwaarde aan cliënteel, die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract, is de verbintenis tot betaling van de bijkomende vergoeding, bepaald bij artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, een vergoeding die aan de concessiehouder wordt toegekend wegens de meerwaarde die na de beëindiging van de overeenkomst hoe dan ook ten goede van de concessiegever blijft. Nu de ratio legis van deze bepaling een notie van verrijking zonder oorzaak is, vreemd aan elke discussie over de verantwoordelijkheid van de ene of de andere partij bij de overeenkomst, kan de rechter geen rekening houden met de oorzaak van de vermindering van cliënteel op het einde van de concessie om deze vermindering buiten beschouwing te laten en te besluiten tot een merkbare meerwaarde aan cliënteel. Na te hebben onderlijnd, zich baserende op talrijke referenties in rechtsleer en rechtspraak, dat "het (niet) volstaat (...) dat er een meerwaarde is: deze dient aanzienlijk te zijn, wat wil zeggen een opmerkelijke, gevoelige of belangrijke meerwaarde" en dat "(
- er)voornamelijk rekening wordt gehouden met de evolutie van de verkoopcijfers tijdens de laatste jaren voorafgaand aan de beëindiging van de overeenkomst" zodat "er (...) geen sprake (kan) zijn van een aanzienlijke meerwaarde inzake cliënteel wanneer de verkopen in dalende lijn gaan op het einde van de uitoefening van de overeenkomst of zelfs stationair zijn" (tweede aanvullende en synthesebesluiten, nr. 24, p. 28-29), benadrukte de eiseres in haar beroepsconclusies dat "in casu kan - in tegenstelling tot wat (de verweerder) beweert - op basis van de verkoopcijfers voor nieuwe wagens uit de balansrekeningen van (de verweerder) een gevoelige daling van 27 pct. worden vastgesteld, met name van 27.859.863 BEF (690.627,96 euro) in 1999 tot 20.233.006 BEF (501.563,11 euro) in 2001" en dat "zo de gerealiseerde verkoop van nieuwe wagens door (de verweerder) in de periode 1998-2001 in aanmerking wordt genomen is er sprake van een daling van maar liefst 53,5 pct. (m.n. van 73 wagens in 1998 naar 34 in 2001)", om daaruit af te leiden dat "dergelijke omvangrijke daling van meer dan 50 pct. (...) ontegensprekelijk (wijst) op de afwezigheid van een aanzienlijke meerwaarde bij het einde van de overeenkomst, ondanks een mogelijke stijging van het cliënteel bij het begin van de concessie" (tweede aanvullende en synthesebesluiten, p. 30). Het bestreden arrest dat, zonder deze beweringen te betwisten en evenmin het principe volgens hetwelk de laatste jaren van een concessie bijzonder belangrijk zijn voor de evaluatie van het recht op een bijkomende vergoeding, van oordeel is dat de daling in de verkoop vanaf 1999 "niet van aard is om het recht op een billijke bijkomende vergoeding uit te sluiten", enkel om de reden dat "deze daling dan weer aan(sluit) bij de daling van de verkoopcijfers van (de eiseres) op het nationale vlak", miskent de aard van de bijkomende vergoeding en schendt daarom artikel 3 van de wet 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. Tweede onderdeel De verweerder, die erkende in zijn beroepsconclusie dat "de wijze waarop deze bijkomende vergoeding moet worden berekend, is in de rechtspraak nog niet uniform uitgeklaard", eiste niet dat er voor de raming van de bijkomende vergoeding verwezen werd naar het bruto zakencijfer maar "(...) stel(
- de)dan ook voor een gemiddelde te nemen van de meest gebruikelijke berekeningswijzen (d.i.) (A) 10 pct. van de gemiddelde jaaromzet, (B) de behaalde semi-brutowinst (
- en)(C) de behaalde brutowinst" (aanvullende en hernemende conclusie nr. 55, pp. 30-31). Door voor de bepaling van de billijke bijkomende vergoeding te verwijzen naar de "brutowinst", weerhoudt het bestreden arrest een berekeningswijze die voor de verweerder meer voordelig is dan degene die hij zelf suggereerde en kent daarbij meer toe dan wat gevraagd was (schending van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en van het beschikkingsbeginsel). Door aan partijen, in het bijzonder aan de eiseres, geen mogelijkheid te bieden om de wettelijkheid van het beroep op de brutowinst te betwisten, schendt het arrest het algemene rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van de verdediging. Derde onderdeel Volgens artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, kan de concessiehouder waarvan de verkoopconcessie als bedoeld in artikel 2 van de wet door de concessiegever werd beëindigd op andere gronden dan een grove tekortkoming, aanspraak maken op een billijke bijkomende vergoeding geraamd met name in functie van de bekende meerwaarde inzake cliënteel die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract. Het arrest, dat voor de begroting van de bijkomende cliënteelvergoeding verschuldigd aan de verweerder verwijst naar de gemiddelde brutowinst - dit wil zeggen de gemiddelde winstmarge - gerealiseerd door de verweerder gedurende de laatste drie jaren van de concessie, zonder rekening te houden met welke kost dan ook, dit terwijl de uitbating van een concessie de concessiehouder noodzakelijkerwijze verplicht om kosten te maken zodat zijn winstmarge niet de waarde kan vertegenwoordigen van het cliënteel dat hij aanbrengt aan de concessiegever, veroordeelt de eiseres om een vergoeding te betalen die hoger is dan de meerwaarde inzake cliënteel die door de verweerder is aangebracht en die aan de eiseres verblijft na de beëindiging van het contract, en schendt daardoor artikel 3, meer in het bijzonder §1, 1°, van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 2, eerste lid, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, kan een voor onbepaalde tijd verleende, aan deze wet onderworpen verkoopconcessie, behalve bij grove tekortkoming van een van de partijen aan haar verplichtingen, niet worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door de partijen worden bepaald bij de opzegging van het contract. Krachtens het tweede lid van dit artikel, doet de rechter, wanneer de partijen het niet eens zijn, uitspraak naar billijkheid, eventueel met inachtneming van de gebruiken. 2. Noch de omstandigheid dat de redelijke opzeggingstermijn waarop de concessiehouder recht heeft, bepaald wordt bij de opzegging van het contract, noch de billijkheid waardoor de rechter zich moet laten leiden, beletten dat hij, bij de raming van de redelijke opzeggingstermijn, rekening houdt met alle elementen waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt. De rechter oordeelt in feite of een bepaald element, waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt en dat dateert van na de opzegging van het contract, een effectieve weerslag dient te hebben op de raming naar billijkheid van de redelijke opzeggingstermijn. 3. Het onderdeel dat in werkelijkheid opkomt tegen die beoordeling in feite, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 4. De concessiegever kan de voor onbepaalde tijd verleende, aan de wet van 27 juli 1961 onderworpen concessie van alleenverkoop, behalve bij grove tekortkoming van een van de partijen aan haar verplichtingen, alleen beëindigen dan met naleving van een redelijke opzeggingstermijn. Bij ontstentenis van een redelijke opzeggingstermijn moet de concessiegever een vergoeding betalen ter compensatie van de schade die de concessiehouder ingevolge die ontoereikende opzeggingstermijn lijdt. De verplichting tot betaling van dergelijke opzeggingsvergoeding is geen autonome contractuele verbintenis, maar een verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen. Wanneer een partij de concessie beëindigt met een ontoereikende opzeggingstermijn, kan de rechter, in geval van betwisting, die partij enkel veroordelen tot de betaling van een vergoeding ter compensatie van de schade geleden ingevolge die ontoereikende opzeggingstermijn. 5. Het onderdeel gaat ervan uit dat de rechter, die de ontbrekende opzeggingstermijn naar billijkheid en met inachtneming van alle elementen van de zaak heeft geraamd, de door de opgezegde partij tijdens de ontbrekende opzeggingstermijn uit een nieuwe concessieovereenkomst behaalde semi-brutowinst in elk geval in mindering moet brengen bij het bepalen van de toe te kennen opzeggingsvergoeding. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel 6. Krachtens artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, wordt de billijke bijkomende vergoeding, waarvan sprake in dit artikel, al naar gelang het geval geraamd op grond van onder meer: de bekende meerwaarde inzake clientèle die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract. De rechter oordeelt in feite of er sprake is van een bekende meerwaarde in de zin van het voormeld artikel. 7. Het onderdeel dat in werkelijkheid opkomt tegen die beoordeling in feite, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 8. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters meer hebben toegekend dan gevorderd, vergt het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het mitsdien niet ontvankelijk. De partijen hebben voor de appelrechter de gronden voorgelegd waarop naar hun mening de raming van de billijke bijkomende vergoeding moest worden gegeven. De vraag van de parameters van de bijkomende vergoeding was aan de feitenrechter voorgelegd. De feitenrechter heeft op grond van de aangegeven argumenten de parameters bepaald waarop de deskundige zijn onderzoek moest uitvoeren. Het recht van verdediging wordt hierdoor niet geschonden. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Derde onderdeel 9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor de appelrechters heeft aangevoerd dat voor de begroting van de billijke bijkomende vergoeding niet mocht worden verwezen naar de gemiddelde brutowinst van de laatste drie jaren van de concessie, zonder rekening te houden met welke kost dan ook. Het onderdeel is nieuw en derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 657,82 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 januari 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.7 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.7 geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2011:ARR.20110503.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div