id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.1 Rolnummer: C.08.0062.N-C.08.0369.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-03 Raadplegingen: 439 - laatst gezien 2026-07-02 21:16 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100121.1 Fiches 1 - 2 Uit het systeem van het CMR-Verdrag vloeit voort dat zowel de afzender als de geadresseerde gerechtigd zijn om op grond van artikel 17 een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder; zij dienen hiertoe niet het bestaan van de schade in het eigen vermogen te bewijzen, behoudens ingeval de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken; dit sluit niet uit dat wanneer de geadresseerde door de verzekeraar wordt vergoed, hij in die mate niet langer vorderingsgerechtigd is, maar uitsluitend de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: C.M.R.-Verdrag - Vervoerder - Aansprakelijkheid - Afzender - Geadresseerde - Aansprakelijkheidsvordering - Voorwaarde - Verzekeraar - Vergoeding - Subrogatie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-05-1956 - Art. 17, eerste lid - 30 Link Justel databank 19560519-30 Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - C.M.R.-Verdrag - Vervoerder - Aansprakelijkheid - Afzender - Geadresseerde - Aansprakelijkheidsvordering - Voorwaarde - Verzekeraar - Vergoeding Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-05-1956 - Art. 17, eerste lid - 30 Link Justel databank 19560519-30 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: C.M.R.-Verdrag - Vervoerder - Aansprakelijkheid - Afzender - Geadresseerde - Aansprakelijkheidsvordering - Voorwaarde - Verzekeraar - Vergoeding - Subrogatie Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - C.M.R.-Verdrag - Vervoerder - Aansprakelijkheid - Afzender - Geadresseerde - Aansprakelijkheidsvordering - Voorwaarde - Verzekeraar - Vergoeding Tekst van de beslissing I. Nr. C.08.0062.N
- COLONIA VERSICHERUNG AG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 5000 Köln (Duitsland), Colonia Allee 10,
- REALE MUTUA DI ASSICURAZIONI, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 10122 Turijn (Italië), Via Corte d'Appollo 11, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen
- SEGA FRANCE SA, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75725 Parijs, Cedex 15 (Frankrijk), Rue Colonel Pierre Avis 19-21, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,
- KATOEN NATIE, naamloze vennootschap, met zetel te 2060 Antwerpen, Van Aerdtstraat 31-33,
- KATOEN NATIE TRUCKING, naamloze vennootschap, met zetel te 2040 Antwerpen, Antwerpsebaan 25, Kaai 718, verweersters. II. Nr. C.08.0369.N
- KATOEN NATIE, naamloze vennootschap, met zetel te 2060 Antwerpen, Van Aerdtstraat 31-33,
- KATOEN NATIE TRUCKING, naamloze vennootschap, met zetel te 2040 Antwerpen, Antwerpsebaan 25, Kaai 718, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen
- SEGA FRANCE SA, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75725 Parijs (Frankrijk), rue Colonel Pierre Avis 19-21, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest,
- COLONIA VERSICHERUNG AG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 5000 Köln (Duitsland), Colonia Allee 10,
- REALE MUTUA DI ASSICURAZIONI, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 10122 Turijn (Italië), Via Corte d'Apollo 11, verweersters, minstens opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 16 april 2007 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. In de zaak C.08.0062.N Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. In de zaak C.08.0369.N Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL In de zaak C.08.0062.N De eiseressen voeren in hun verzoekschrift één middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 1241 tot en met 1252 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 22 van de Wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen (Titel X, Boek I, van het Wetboek van Koophandel); - artikel 41 van de Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst; - artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 12, 13 en 17 (in het bijzonder 17.1) van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (hierna het CMR-Verdrag genoemd); - artikel 149 van de Grondwet. Bestreden beslissing Het bestreden tussenarrest bevestigt het vonnis a quo in zoverre dit de hoofdvordering van (de eerste verweerster) tegen de tweede en de derde verweerster (de derde verweerster zijnde de verzekerde van de eiseressen) toelaatbaar verklaart, dit op volgende gronden: "Uit het systeem van het CMR-Verdrag vloeit voort dat zowel de afzender als de geadresseerde gerechtigd zijn om op grond van artikel 17 een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder. Zowel de afzender als de geadresseerde zijn op grond van de overeenkomst vorderingsgerechtigd voor het verlies of de beschadiging van de lading of voor vertraging in de aflevering. Zij dienen hiertoe niet het bestaan van schade in het eigen vermogen te bewijzen, behoudens ingeval de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken. Wanneer zoals in casu de vervoerder zowel door de afzender (nv Schenker) als door de geadresseerde (de eerste verweerster) wordt aangesproken, en er moet bepaald worden aan wie de vervoerder dient te betalen, dient te worden nagegaan wie feitelijk de schade lijdt. In casu is de geadresseerde (de eerste verweerster) de daadwerkelijke schadelijder, nu zij degene is die aan de hand van de contractuele verhoudingen feitelijk de schade lijdt. Het betreft in casu immers een FOB-verkoop Hong-Kong aan (de eerste verweerster) (onder zeekoop), zijnde een vaste en bepaalde verkoop in de ladingshaven Hong-Kong. In deze haven neemt de zeevervoerder, die door de koper (de eerste verweerster) werd aangesteld de goederen in ontvangst, gaan de risico‘s over, grijpt de eigendomsoverdracht plaats, en moet, tenzij anders werd overeengekomen, de prijs worden betaald. Bijgevolg moeten de door de nv Schenker (afzender in het kader van het CMR-vervoer van Antwerpen naar Le Havre,) betaalde Btw- en invoerrechten en daarop verworven interesten aan de Administratie op grond van haar wettelijke borgstelling als aangever die vermeld staat in het douanedocument, uiteindelijk eveneens door (de eerste verweerster) als goederenbelanghebbende worden betaald. Nu (de eerste verweerster) als vorderingsgerechtigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te bewijzen, is een onderzoek naar de volgende stellingen en twistpunten van partijen, nl.: (...) - de betwisting tussen (de eiseressen) enerzijds en (de eerste verweerster) anderzijds met betrekking tot de vraag of (de eerste verweerster) - die erkent dat zij volledig werd vergoed door haar verzekeraars en die zich niet kan beroepen op een beding van naamlening naar Belgisch recht - niettemin in eigen naam de vordering kan instellen, dan wel of de vordering, na subrogatie van de verzekeraars door betaling van de verzekeringsvergoeding, moet worden ingesteld door de verzekeraars, en/of op naam van de verzekerde kan en mag worden ingesteld, alsmede met de kwestie of deze vraag dient te worden beoordeeld naar Belgisch recht dan wel naar Engels recht. overbodig, aangezien (de eerste verweerster) als geadresseerde op grond van de bepalingen van het CMR-Verdrag gelegitimeerd is om als vorderingsgerechtigde op te treden. Bijgevolg dient de vordering van de nv Schenker als afzender niet toelaatbaar te worden verklaard, en de vordering van (de eerste verweerster) als geadresseerde toelaatbaar". Grieven Eerste onderdeel Wanneer een verzekerde voor een bepaald schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk kan worden gesteld, door haar verzekeraar wordt vergoed en deze laatste gesubrogeerd wordt in de rechten van de verzekerde, gaat de vordering van de verzekerde op de aansprakelijke derde over naar de verzekeraar met als gevolg dat in principe (behoudens naamlening) alleen deze laatste vorderingsgerechtigde is tegen de aansprakelijke derde en de hoedanigheid heeft om de vordering in te stellen (de artikelen 1241 tot en met 1252 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 22 van de Wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen, artikel 41 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek dat hoedanigheid vereist om een vordering in te stellen). Dit geldt ook wanneer de geadresseerde van een vervoer dat valt onder het CMR-Verdrag gerechtigd is om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder op grond van artikel 17 van dit verdrag. Werd de geadresseerde door haar verzekeraar vergoed, dan gaat de vordering van de geadresseerde op de vervoerder over naar de verzekeraar en is in principe alleen deze laatste vorderingsgerechtig¬de. De omstandigheid dat volgens de bepalingen van het CMR-Verdrag (de artikelen 12, 13 en 17, in het bijzonder 17.1) de geadresseerde een vordering kan instellen tegen de vervoerder voor verlies of beschadiging van de lading of voor vertraging in de aflevering zonder dat hij hiertoe een schade in eigen vermogen dient te bewijzen, brengt niet mee dat de regels inzake subrogatie niet meer zouden gelden en dat zelfs indien de geadresseerde door zijn verzekeraar is vergoed de vordering tegen de vervoerder bij de geadresseerde zou blijven en niet zou overgaan op de verzekeraar. De beslissing van de appelrechters dat "nu (de eerste verweerster) als vorderingsgerechtigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te bewijzen" een onderzoek naar het twistpunt tussen de eiseressen en (de eerste verweerster) "met betrekking tot de vraag of (de eerste verweerster) - die erkent dat zij volledig werd vergoed door haar verzekeraars en die zich niet kan beroepen op een beding van naamlening naar Belgisch recht - niettemin in eigen naam de vordering kon instellen, dan wel of de vordering, na subrogatie van de verzekeraars door betaling van de verzekeringsvergoeding, moet worden ingesteld door de verzekeraars, en/of op naam van de verzekerde kan en mag worden ingesteld, alsmede met de kwestie of deze vraag dient te worden beoordeeld naar Belgisch recht dan wel naar Engels recht" overbodig is, en de vordering van de eerste verweerster als geadresseerde toelaatbaar is, schendt derhalve de wetsbepalingen en verdragsbepalingen aangehaald in het middel (behalve artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel Wanneer onder een vervoer dat valt onder het CMR-Verdag de vervoerder zowel door de afzender als door de geadresseerde wordt aangesproken, is enkel diegene die het bestaan van schade in eigen vermogen bewijst vorderingsgerechtigd. Het bestreden arrest steunt uitdrukkelijk op die regel en stelt vast dat "in casu de vervoerder (wordt) aangesproken door zowel de afzender (nv Schenker) als door de geadresseerde (de eerste verweerster)", zodat "dient te worden nagegaan wie feitelijk de schade lijdt". Het bestreden arrest beslist vervolgens dat (de eerste verweerster) de daadwerkelijke schadelijder is. Om evenwel het twistpunt tussen de eiseressen en de eerste verweerster betreffende de vraag of de eerste verweerster die volledig door haar verzekeraars werd vergoed (en die dit erkent) nog in eigen naam de vordering kon instellen, overbodig te verklaren, beslist het bestreden arrest dat "(de eerste verweerster) als vorderingsgerech¬tigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te bewijzen". Het bestreden arrest is aldus vooreerst tegenstrijdig gemotiveerd. Het gaat ervan uit dat nu de vervoerder zowel door de afzender als de geadresseerde (de eerste verweerster) wordt aangesproken, deze laatste het bestaan van schade in eigen vermogen dient te bewijzen, maar beslist niettemin dat de eerste verweerster als vorde¬ringsgerechtigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te leveren (schending van artikel 149 van de Grondwet). Het bestreden arrest schendt vervolgens de bepalingen van het CMR-Verdrag waaruit het systeem volgt dat wanneer de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken, de geadresseerde enkel vorderingsgerech¬tigde is wanneer hij het bestaan van schade in eigen vermogen bewijst. Het bestreden arrest, nu het vaststelt dat in casu de vervoerder zowel door de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken, kan dus niet zonder schending van de artikelen 12, 13 en 17 (in het bijzonder 17.1) van het CMR-Verdrag beslissen dat de eerste verweerster als vorderingsgerechtigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient aan te tonen om op grond hiervan te beslissen dat de betwisting tussen de eiseressen en de eerste verweerster met betrekking tot de vraag of de eerste verweerster, die volledig werd vergoed door haar verzekeraars, in eigen naam de vordering kon instellen, overbodig is (schendig van de artikelen 12, 13 en 17, in het bijzonder 17.1 van het CMR-Verdrag). In de zaak C.08.0369.N De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Belgische Grondwet. Bestreden beslissingen Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt in het bestreden arrest van 16 april 2007 dat uit het systeem van het CMR-Verdrag volgt dat zowel de afzender als de geadresseerde op grond van de overeenkomst vorderingsgerechtigd zijn voor het verlies of de beschadiging van de lading of voor vertraging in de aflevering. Zij dienen dus niet het bestaan van schade in het eigen vermogen te bewijzen, behoudens ingeval de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken. Het hof van beroep stelt vast dat die laatste situatie voorligt en dat, "wanneer zoals in casu de vervoerder zowel door de afzender (nv Schenker) als door de geadresseerde (sa Sega France) wordt aangesproken, en er moet bepaald worden aan wie de vervoerder dient te betalen, dient te worden nagegaan wie feitelijk de schade lijdt." (cf. p. 4, A., I. en p. 5 van het arrest). Volgens het hof is "in casu de geadresseerde (sa Sega France) de daadwerkelijke schadelijder, nu zij degene is die aan de hand van de contractuele verhoudingen feitelijk de schade lijdt". Het hof van beroep oordeelt daarop dat "nu sa Sega France als vorderingsgerechtigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te bewijzen, een onderzoek naar de volgende stellingen en twistpunten, nl.: (...) - de betwisting tussen Colonia Versicherung AG en Reale Mutua di Assicurazioni enerzijds en sa Sega France anderzijds met betrekking tot de vraag of sa Sega France - die erkent dat zij volledig werd vergoed door haar verzekeraars en die zich niet kan beroepen op een beding van naamlening naar Belgisch recht - niettemin in eigen naam de vordering kan instellen, dan wel of de vordering, na subrogatie van de verzekeraars door betaling van de verzekeringsvergoeding, moest worden ingesteld door de verzekeraars, en/of op naam van de verzekerde kan en mag worden ingesteld, alsmede met de kwestie of deze vraag dient te worden beoordeeld naar Belgisch recht dan wel naar Engels recht. overbodig (is), aangezien de sa Sega France als geadresseerde op grond van de bepalingen van het CMR-Verdrag gelegitimeerd is om als vorderingsgerechtigde op te treden. Bijgevolg dient de vordering van de nv Schenker als afzender niet toelaatbaar te worden verklaard, en de vordering van sa Sega France als geadresseerde toelaatbaar". (cf. p. 5 en 6 van het arrest). Grieven Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Belgische Grondwet.
- Uit artikel 149 van de Grondwet volgt dat de rechter zijn beslissing zonder dubbelzinnigheid of tegenstrijdigheid dient te motiveren en de ter zake dienende grieven van de partijen moet beantwoorden.
- In het tussenarrest van 22 mei 2006 stelde het hof van beroep vast dat de nv Rhenus Belgium en sa Sega France afzender respectievelijk bestemmeling zijn, dat zij uit het CMR-Verdrag beiden een vorderingsrecht putten en dat derhalve de vraag rees of een aantal door partijen geponeerde stellingen nog relevant was. Het hof benadrukte tegelijk dat zo de vervoerder door afzender en bestemmeling samen wordt aangesproken, dient nagegaan wie de werkelijke schadelijder is: "Met andere woorden wanneer, zoals in casu de vervoerder door de afzender en de bestemmeling samen aansprakelijk wordt gesteld en tegelijkertijd zowel door afzender als door de bestemmeling een vordering wordt ingesteld, dient te worden onderzocht wie de werkelijke schadelijder is, en is de eis slechts toelaatbaar voor degene die aan de hand van de contractuele verhoudingen schade lijdt". (cf. p. 6 van dit tussenarrest). Het hof van beroep heropende daarop het debat.
- Na heropening van het debat werden conclusies ingediend door de nv Schenker, de sa Sega France, door de eiseressen en door Colonia Versicherung AG en Reale Mutua di Assicurazioni. Die laatsten hielden vol dat bestemmeling sa Sega France onder het CMR-Verdrag vorderingsgerechtigd was en effectief schadelijder was, dat het belang bij de vordering dus uitsluitend bij haar en niet bij de nv Schenker berustte maar dat zij anderzijds door haar verzekeraars vergoed werd. Daaruit leidden Colonia Versicherung AG en Reale Mutua di Assicurazioni af dat de vordering van sa Sega France ontoelaatbaar was bij gebrek aan belang en hoedanigheid, minstens dat die vordering ongegrond was (cf. p. 10, in fine van hun conclusie na tussenarrest). De eiseressen maakten zich in hun conclusie na het tussenarrest dit verweer eigen (cf. in die zin p. 3, I. van de samenvattende conclusie na tussenarrest van de eiseressen).
- Het hof van beroep oordeelt in het bestreden arrest dat de vordering van sa Sega France als geadresseerde toelaatbaar is en steunt deze beslissing op de overweging dat, "wanneer zoals in casu de vervoerder zowel door de afzender (nv Schenker) als door de geadresseerde (S.A. Sega France) wordt aangesproken, en er moet bepaald worden aan wie de vervoerder dient te betalen, dient te worden nagegaan wie feitelijk de schade lijdt". (cf. p. 4, A., I. en p. 5 van het arrest). Volgens het hof is "in casu de geadresseerde (S.A. Sega France) de daadwerkelijke schadelijder, nu zij degene is die aan de hand van de contractuele verhoudingen feitelijk de schade lijdt". Tegelijk oordeelt het hof van beroep echter dat "nu S.A. Sega France als vorderingsgerechtigde geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te bewijzen, een onderzoek naar de volgende stellingen en twistpunten, nl.: (...) - de betwisting tussen Colonia Versicherung AG en Reale Mutua di Assicurazioni enerzijds en S.A. Sega France anderzijds met betrekking tot de vraag of S.A. Sega France - die erkent dat zij volledig werd vergoed door haar verzekeraars en die zich niet kan beroepen op een beding van naamlening naar Belgisch recht - niettemin in eigen naam de vordering kan instellen, dan wel of de vordering, na subrogatie van de verzekeraars door betaling van de verzekeringsvergoeding, moest worden ingesteld door de verzekeraars, en/of op naam van de verzekerde kan en mag worden ingesteld, alsmede met de kwestie of deze vraag dient te worden beoordeeld naar Belgisch recht dan wel naar Engels recht. overbodig (is), aangezien de S.A. Sega France als geadresseerde op grond van de bepalingen van het CMR-Verdrag gelegitimeerd is om als vorderingsgerechtigde op te treden". (cf. p. 5 en 6 van het arrest).
- Nu het arrest aldus, enerzijds, aangeeft dat bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vorderingen van afzender en geadresseerde tegen de vervoerder moet worden nagegaan wie feitelijk de schade lijdt en, anderzijds, beslist dat sa Sega France als geadresseerde niet het bewijs van persoonlijke schade dient te leveren, is het aangetast door tegenstrijdigheid. De beslissing dat de vordering van de eerste verweerster, geadresseerde van het vervoer, toelaatbaar is, berust aldus immers op de tegenstrijdige overwegingen dat zij als geadresseerde tegelijk wél en niet het bewijs van schade dient te leveren. Die beslissing is bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd en schendt artikel 149 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Voeging
- De twee cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij moeten worden gevoegd. Zaak C.08.0062.N Eerste onderdeel
- De appelrechters stellen vast dat: - de vervoerder zowel door de afzender als door de geadresseerde (eerste verweerster) wordt aangesproken; - de eerste verweerster de daadwerkelijke schadelijder is, nu zij degene is die aan de hand van de contractuele verhoudingen feitelijk de schade lijdt en, - de eerste verweerster erkent dat zij volledig werd vergoed door haar verzekeraars en zich niet kan beroepen op een beding van naamlening naar Belgisch recht.
- De verzekeraar die de schade heeft vergoed, treedt in alle rechten die de verzekerde, ter zake van die schade, tegenover derden mocht hebben.
- Luidens artikel 17, lid 1, van het CMR-Verdrag, is de vervoerder aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor de vertraging in de aflevering. Uit het systeem van het CMR-Verdrag vloeit voort dat zowel de afzender als de geadresseerde gerechtigd zijn om op grond van artikel 17 een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder. Zij dienen hiertoe niet het bestaan van de schade in het eigen vermogen te bewijzen, behoudens ingeval de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken. Het vorenstaande sluit niet uit dat wanneer de geadresseerde door de verzekeraar wordt vergoed, hij in die mate niet langer vorderingsgerechtigd is, maar uitsluitend de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar.
- De appelrechters konden derhalve niet, zonder schending van de aangevoerde wetsbepalingen, beslissen dat de betwisting tussen de eiseressen en de eerste verweerster met betrekking tot de vraag of de eerste verweerster niettemin in eigen naam de vordering kan instellen, dan wel de vordering, na subrogatie van de verzekeraars door betaling van de verzekeringsvergoeding, moet worden ingesteld door de verzekeraars en/ of op naam van de verzekerde kan en mag worden inge¬steld, alsmede met de kwestie of deze vraag dient te worden beoordeeld naar Bel¬gisch recht dan wel naar Engels recht, overbodig is. Het onderdeel is gegrond. Omvang van cassatie
- De cassatie van de beslissing nopens de hoofdvordering strekt zich uit tot de beslissing nopens de vordering in tussenkomst en vrijwaring die ermede verbonden is. Zaak C.08.0369.N
- Gelet op de beslissing gewezen in de zaak C.08.0062.N vertoont het cassatieberoep geen belang. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.08.0062.N en C.08.0369.N. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het recht doet over de hoofdvordering van de sa Sega France tegen de nv Katoen Natie en de nv Katoen Natie Trucking en over de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de nv Katoen Natie Trucking tegen Colonia Versicherung AG en Reale Mutua di Assicurazioni. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 21 januari 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100121.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150130.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div