← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.4 Rolnummer: C.08.0538.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-03 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-07-02 21:17 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een partij in conclusie aanvoert dat de rechtsplegingsvergoeding tot de minimumvergoeding moet worden herleid op grond van haar bijzonder slechte financiële situatie enerzijds en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie afgeleid uit het grote verschil in economische toestand tussen de partijen anderzijds, kan de rechter niet weigeren dit verzoek in te willigen uitsluitend op grond dat de stukken die de partij aanbrengt om aan te tonen dat haar financiële situatie dit rechtvaardigt, niet bewijzen dat haar financiële toestand dermate precair is geworden dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet verminderd worden. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Verzoek tot vermindering - Financiële situaties - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0538.N CTI COMMODITIES TRADING & INVESTMENTS Ltd., vennootschap naar Engels recht, met zetel te Londen SW 1Y4EP (Engeland), Clareville House, 26-27 Oxendon Street, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. DADCO EUROPE Ltd., met zetel te Hamilton House, St. Julian's Avenue, St. Peter Port GY1 1WA Guernsey, Anglo-Normandische Eilanden,
  2. DADCO ALUMINA AND CHEMICALS Ltd., met zetel te Hamilton House, St. Julian's Avenue, St. Peter Port GY1 1WA Guernsey, Anglo- Normandische Eilanden, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 juni 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1017, eerste lid, 1018, 6°, 1022 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, tweede lid, en 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 25 juni 2008 veroordeelt het hof van beroep te Brussel, verwijzend naar het tussenarrest van 26 februari 2008 en recht sprekend in voortzetting hiervan, de eiseres tot de (gerechts)kosten vereffend voor de eerste verweerster op 10.000,00 euro en voor tweede verweerster op 10.000,00 euro. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende gronden:
  3. Partijen zijn het erover eens dat gelet op de waarde van de vorde¬ring, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 10.000,00 euro bedraagt, het minimumbedrag 1.000,00 euro en het maximumbedrag 20.000,00 euro. Zij betwisten het te betalen bedrag in die zin dat (de eerste verweerster) en (de tweede verweerster) elk een rechsplegingsvergoeding vorderen terwijl (de eiseres) meent dat er slechts één rechtsplegingsvergoeding voor hen twee samen verschuldigd is en dat (de eerste en de tweede verweerster) elk het maximumbedrag van 20.000,00 euro vorderen en (de eiseres) stelt dat de verschuldigde rechtsplegingsver¬goeding tot het minimum van 1.000,00 euro moet herleid worden.
  4. Thans is er geen wettelijke bepaling die toelaat zonder meer aan te nemen dat verschillende partijen die door dezelfde raadsman bijgestaan wor¬den slechts aanspraak kunnen maken op een enkele rechtsplegingsvergoeding. Dergelijke bepaling was opgenomen in artikel 1 van het KB van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit KB is echter opgeheven door artikel 9 (van) het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechts¬plegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. in werking getreden op 1 januari 2006, en in voormeld KB van 26 oktober 2007 is geen gelijkluidende bepaling opgenomen. In huidige zaak zijn de middelen en argumenten ontwikkeld in verband met (de eer¬ste verweerster) en (de tweede verweerster) niet volledig hetzelfde. Er is dus, noch in feite, noch in rechte, reden om aan (de eerste verweerster) en (de tweede verweerster) samen slechts een enkele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
  5. De argumentatie van (de eiseres) om het bedrag van de rechtsple¬gingsvergoeding te herleiden kan niet gevolgd worden aangezien de stukken die zij aanbrengt om aan te tonen dat haar financiële situatie dit rechtvaardigt, niet bewijzen dat haar financiële toestand dermate precair is geworden dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet verminderd worden. Er blijkt niet waarom negatieve berichten over de DADCO-vennootschappen - zonder effectief bewijs van enige veroordeling - een vermindering van de rechtsplegingsvergoeding in huidige zaak zou rechtvaardigen. Grieven 1.
  6. Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed. De rechter is ingevolge deze Grondwetsbepaling verplicht te ant¬woorden op alle precieze en relevante middelen die partijen op regelmatige wijze in hun besluiten aanvoeren ter staving van hun eis of verweer. 1.
  7. Luidens artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel be¬krachtigt. Het artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt welke de gerechtskosten zijn en vermeldt daaronder als "6°" de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Luidens artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelo¬nen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Het derde lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek preci¬seert dat de rechter, op verzoek van een van de partijen en op een met bijzon¬dere redenen omklede beslissing, ofwel de vergoeding kan verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbe¬dragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen van de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Aldus kan de rechter de vergoeding verminderen, zonder de door de Koning bepaalde minimumbedragen te overschrijden, daarbij rekening houdend met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, ook al is de verliezende partij voldoende financieel draagkrachtig om het basisbedrag van de rechtsple¬gingsvergoeding te betalen.
  8. De eiseres voerde in haar "aanvullende en hernemende beroepscon¬clusie na heropening der debatten", gedateerd op 23 mei 2008 (p. 4, vanaf het derde laatste lid en p. 5, eerste, tweede en derde lid), aan dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding diende te worden herleid tot het minimumbedrag en dit wegens het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. De eiseres stelde aldaar terzake: "Het is ten tweede zo dat het onredelijk karakter van de situatie wel kan ingeroe¬pen worden door (de eiseres) ten aanzien van (de verweersters); De rechter mag zich trouwens laten leiden door de billijkheid overeenkomstig dit criterium; In casu spreken we toch over een groot verschil in economische toestand tussen partijen waarbij (de eiseres) als kleine David het tegen Goliath moet opnemen, hetgeen wijst op het onredelijke karakter van de situatie; (De eiseres) voegt daartoe bij huidige conclusie kopie van haar jaarrekeningen 2001 (stuk A.5) met cijfers 2000 en 2001, evenals deze van 2006 (stuk A.6) op grond waarvan duidelijk blijkt wat de gevolgen zijn geweest van de verbreking van de overeenkomst door de DADCO groep; Op grond van deze jaarrekening blijkt dat (de eiseres) m.b.t. "shipbroking commissions" een enorme terugval heeft gekend: - in 2000 een omzet van £ 481.065 - in 2001 een omzet van £ 347.216 - in 2005 een omzet van £ 144.866 - in 2006 een omzet van £114.250 Deze terugval heeft een directe impact gehad op het resultaat van de vennootschap. - in 2000 een operationele winst van £ 77.844 - in 2001 een operationele winst van £ 63.780 - in 2005 een operationele winst van £ 11.716 - in 2006 een operationeel verlies van (-) £ 5.428" Op grond van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, afge¬leid uit de disproportionele verhouding tussen de financiële toestand van de eiseres en deze van beide verweersters, vorderde de eiseres aldus de herleiding van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimumbedrag van 1.000,00 euro ("aanvullend en hernemende beroepsconclusie na heropening der debatten", ge¬dateerd op 23 mei 2008, p. 6, beschikkend gedeelte). De appelrechter oordeelt in het bestreden arrest (p. 2 en 3, nr. 3) dat de argumentatie van de eiseres om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te herleiden, niet kan gevolgd worden aangezien de stukken die zij aanbrengt om aan te tonen dat haar financiële situatie dit rechtvaardigt, niet bewijzen dat haar financiële toestand dermate precair is geworden dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet worden verminderd. Het hof van beroep antwoordt evenwel niet op de hiervoren aange¬haalde precieze en relevante aanvoeringen in de conclusies in hoger beroep van de eiseres waarin zij aanvoerde dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoe¬ding diende te worden herleid op grond van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie afgeleid uit de disproportionele verhouding tussen de financiële toestand van de eiseres en die van beide verweersters. Het bestreden arrest is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed en schendt artikel 149 van de Grondwet.
  9. Voor zover het bestreden arrest aldus zou moeten worden gelezen dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet moet verminderd worden wegens het kennelijk onredelijk karakter van de situatie omdat de eiseres niet bewijst dat haar toestand dermate precair is geworden, is het bestreden arrest eveneens onwettig. De rechter kan immers het basisbedrag van de rechtsplegings¬vergoeding verminderen wanneer de situatie kennelijk onredelijk is, ook al is de financiële draagkracht van de verliezende partij niet preciair. Het hof van beroep kon bijgevolg niet wettig beslissen dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet moet verminderd worden, louter omdat de eiseres niet bewijst dat haar financiële toestand dermate precair is gewor¬den, zonder daarbij rekening te houden met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie afgeleid door de eiseres uit de disproportionele verhouding tussen de fi¬nanciële toestand van de respectieve partijen. Door dit kennelijk onredelijk ka¬rakter van de situatie niet te betrekken in zijn beoordeling, miskent het hof van beroep de artikelen 1017, eerste lid, 1018.6°, 1022 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Door de eiseres aldus te veroordelen om het basisbedrag van 10.000,00 euro aan elk van beide verweersters te betalen, miskent het hof van beroep tevens de artikelen 1, tweede lid en 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober
  10. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  11. De eiseres heeft in haar appelconclusie aangevoerd dat de rechtsplegingsver¬goeding tot de minimumvergoeding moet worden herleid op grond van haar bijzonder slechte financiële situatie enerzijds en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie afgeleid uit het grote verschil in economische toestand tussen de partijen anderzijds.
  12. Het arrest willigt dit verzoek niet in, uitsluitend op grond dat de stukken die de eiseres aanbrengt om aan te tonen dat haar financiële situatie dit rechtvaardigt, niet bewij¬zen dat haar financiële toestand dermate precair is geworden dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet verminderd worden. Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 21 januari 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.