id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100126.4 Rolnummer: P.09.0264.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-02-03 Raadplegingen: 618 - laatst gezien 2026-07-02 22:39 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De ambtshalve veroordeling van de werkgever tot betaling, aan de inningorganismen van de sociale zekerheidsbijdragen, van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, opgelegd bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van de R.S.Z.-wet, valt weliswaar onder de toepassing van de strafvordering maar is geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43quater Strafwetboek; zij ontleent echter aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigt, een repressief en afschrikwekkend karakter dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, waardoor ze het karakter vertoont van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 E.V.R.M. en 15.1 I.V.B.P.R.
(1).
(1)Zie: Cass., 12 sept. 2007, AR P.07.0373.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070912.1, A.C., 2007, nr 401; Cass., 26 feb. 2008, AR P.07.0033.N (onuitgegeven). Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Bijkomende straffen - Ontbinding rechtspersoon STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere veroordelingen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Andere (sociale zekerheid) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Verplichting eerbiediging - art. 1 Vrije woorden: Straf en maatregel - Sociale zekerheid - Werknemers - Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Niet-onderwerping - Werkgever - Veroordeling tot betaling van een vergoeding - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Wet - 27-06-1969 - Art. 35, § 1, vijfde lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Bijkomende straffen - Ontbinding rechtspersoon STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere veroordelingen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Andere (sociale zekerheid) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Verplichting eerbiediging - art. 1 Vrije woorden: Sociale zekerheid - Werknemers - Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Niet-onderwerping - Werkgever - Veroordeling tot betaling van een vergoeding - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Wet - 27-06-1969 - Art. 35, § 1, vijfde lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Bijkomende straffen - Ontbinding rechtspersoon STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere veroordelingen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Andere (sociale zekerheid) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Verplichting eerbiediging - art. 1 Vrije woorden: Sociale zekerheid - Werknemers - Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Niet-onderwerping - Werkgever - Veroordeling tot betaling van een vergoeding - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Wet - 27-06-1969 - Art. 35, § 1, vijfde lid Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Bijkomende straffen - Ontbinding rechtspersoon STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere veroordelingen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Andere (sociale zekerheid) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Verplichting eerbiediging - art. 1 Vrije woorden: Werknemers - Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Niet-onderwerping - Werkgever - Veroordeling tot betaling van een vergoeding - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Wet - 27-06-1969 - Art. 35, § 1, vijfde lid Tekst van de beslissing Nr. P.09.0264.N I
- G. J. C. beklaagde,
- V. A. J beklaagde,
- VILLE-FLEUR bvba, met zetel te 8200 Brugge (Sint-Andries), Legeweg 333 civielrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie te Brugge, II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen
- G. C., reeds vermeld, beklaagde,
- VILLE-FLEUR bvba, reeds vermeld, civielrechtelijk aansprakelijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 januari
- De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eisers I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 145, 155 en 156 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest laat na de door de eisers I als rechtvaardigingsgrond aangevoerde noodtoestand te onderzoeken.
- Anders dan het middel aanvoert, onderzoeken de appelrechters de aangevoerde rechtvaardigingsgrond en beantwoorden zij het bedoelde verweer. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- De artikelen 145, 155 en 156 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het enkele feit dat de rechter anders oordeelt dan een partij in conclusie aanvoert, levert geen motiveringsgebrek noch een miskenning van het recht van verdediging of van het vermoeden van onschuld op. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.
- In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers I en middel van de eiser II
- Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging op een ambtshalve middel, behoeven de middelen geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15.1 IVBPR; - artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet, zoals gewijzigd en vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december
- Krachtens artikel 35, laatste lid, RSZ-wet, zoals van toepassing van 1 januari 2002 tot 8 januari 2006, veroordeelt de rechter, bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, ambtshalve de werkgever tot betaling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, zonder dat dit bedrag minder dan 1.275 euro per tewerkgestelde persoon en dit per maand of fractie ervan, mag bedragen. Artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet, zoals gewijzigd en vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005 en van toepassing vanaf 9 januari 2006, bepaalt: "Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, (...), tot betaling aan de inningsorganismen van de sociale zekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen." Krachtens artikel 35, § 3, eerste lid, RSZ-wet, zoals gewijzigd en vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005 en van toepassing vanaf 9 januari 2006, mag, in de situaties bedoeld in § 1, derde tot vijfde lid, en in § 2, het bedrag van de te betalen bijdragen in geen geval lager zijn dan 2.500 euro per tewerkgestelde persoon, en dit per maand of fractie ervan. Krachtens de artikelen 72 en 73 van de programmawet van 22 december 2008, werd het voormelde artikel 35, § 3, met ingang van 1 januari 2009 opgeheven.
- Uit het feit dat de veroordeling bedoeld bij artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet, voorheen artikel 35, laatste lid, van deze wet, als "vergoeding" wordt gekwalificeerd en ze bestemd is voor de inningsorganismen van de sociale zekerheidsbijdragen, blijkt dat de wetgever hiermee een bijzondere vorm van herstel of teruggave heeft willen instellen teneinde, ten behoeve van de financiering van de sociale zekerheid, de door het misdrijf verstoorde wettelijke orde te herstellen. De ambtshalve veroordeling tot betaling van deze vergoeding is bijgevolg geen straf in de zin van de artikelen 7 tot 43quater Strafwetboek, ook al valt zij onder de uitoefening van de strafvordering. Niettemin ontleent deze vergoeding aan de strafrechtelijke sanctie die zij vervolledigt, een repressief en afschrikwekkend karakter dat vooral tot uiting komt in het bedrag ervan, vastgesteld op het drievoud van de ontdoken bijdragen. Deze maatregel beoogt aldus niet enkel het herstel van de schade die de Rijksdienst voor sociale zekerheid door het misdrijf werkelijk heeft geleden. De ambtshalve veroordeling bepaald bij artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet, voorheen artikel 35, laatste lid, van deze wet, vertoont hierdoor ook het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.
- Artikel 15.1 IVBPR bepaalt: "Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren."
- Ingevolge de opheffing met ingang van 1 januari 2009 van artikel 35, § 3, RSZ-wet, dient ter bepaling van de vergoeding gelijk aan het drievoud van de ont¬do¬ken bijdragen bedoeld bij artikel 35, § 1, vijfde lid, voorheen 35, laatste lid, geen minimumbedrag meer worden toegepast. Aldus kan niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van de RSZ-wet thans minder zwaar worden bestraft dan vóór zowel 9 januari 2006 als 1 januari
- Overeenkomstig artikel 15.1 IVBPR dient die lichtere straf ook te worden toegepast op strafbare feiten die zoals hier zijn begaan vóór 9 januari
- Met overname van de redenen en beslissingen van het beroepen vonnis, bepaalt het arrest de vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen waartoe de eisers I.1 en I.3 worden veroordeeld, op grond van het minimumbedrag van 1.275 euro per tewerkgestelde persoon, en dit per maand of fractie ervan, bepaald in artikel 35, laatste lid, RSZ-wet, zoals van toepassing vóór 9 januari
- Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, met bevestiging van het beroepen vonnis, de eisers I.1 en I.3 ambtshalve veroordeelt tot betaling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van een vergoeding van respectievelijk 3.825,00 euro en 1.275,00 euro. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers I in drie vierden van de kosten van hun cassatieberoepen en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Begroot de kosten in het geheel op 232,98 euro waarvan op het cassatieberoep van de eisers I 120,13 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep van de eiser II 112,85 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 26 januari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100126.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161115.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171211.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070912.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div