← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

ige aanvraag tot tegemoetkoming voor het geheel van zijn geteisterde goederen. Deze mogelijkheid tot aanvraag buiten termijn geldt niet indien de aanvraag tot tegemoetkoming reeds door de gouverneur werd afgewezen. Tegen die beslissing moet de belanghebbende op grond van artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 voorziening instellen bij het hof van beroep. Thesaurus CAS: NATUURRAMP UTU-thesaurus: PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Tegemoetkomingsaanvraag Vrije woorden: Financiële tegemoetkoming - Aanvraag - Termijn - Mogelijkheid om de aanvraag in te dienen buiten termijn Wettelijke bepalingen: Wet - 12-07-1976 - Art. 17 Koninklijk Besluit - 18-08-1976 - Art. 5 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0069.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw

Wetenschapsbeleid, met kantoor te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen V. I. C., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 oktober 2007 gewezen werd door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen

algemene beginselen - de artikelen 1, §1, 2, §1, 2°,

§2

, 17, §§1

4, 21, 24, 27

28 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen (hierna: de wet van 12 juli 1976); - de artikelen 1

3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 waarbij de schade veroorzaakt aan bepaalde teelten door de overvloedige regenval van oktober

november 2000 op het grondgebied van verscheidene gemeenten als een landbouwramp wordt beschouwd, waarbij de geografische omvang van deze ramp afgebakend wordt

waarbij de schadeloosstelling van de schade wordt vastgesteld (hierna: koninklijk besluit van 9 augustus 2002); - de artikelen 2, eerste lid,

5, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 tot vaststelling van de vorm

de termijn van indiening der aanvragen tot financiële tegemoetkoming wegens schade aan private goederen veroor¬zaakt door natuurrampen (hierna: koninklijk besluit van 18 augustus 1976); - artikel 2, van het ministerieel besluit van 12 augustus 2002 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 waarbij de schade veroorzaakt aan bepaalde teelten door de overvloedige regenval van oktober

november 2000 op het grondgebied van verscheidene gemeenten als een landbouwramp wordt beschouwd, waarbij de geografische omvang van deze ramp afgeba¬kend wordt

waarbij de schadeloosstelling van de schade wordt vastgesteld (hierna het ministerieel besluit van 12 augustus 2002); - de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart de door de eiser ingestelde voorzie¬ning tegen het besluit van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 16 november 2004, waarbij aan de verweerster een herstelvergoeding van 19.222,54 euro werd toegekend ingevolge de bij koninklijk besluit van 9 augustus 2002 als landbouwramp erkende overvloedige regenval van oktober

no¬vember 2000, ongegrond,

bevestigt het aangevochten besluit, op volgende gronden: "3.1. (De eiser) (houdt) voor dat het bestreden besluit ten onrechte aan (de verweerster) een vergoeding toekent. (De verweerster) diende op 18 oktober 2004 een tweede aanvraag in tot het bekomen van een schadevergoeding, op grond waarvan haar uiteindelijk een vergoeding werd toegekend van 19.222,44 euro. Voordien, op 28 december 2002, had (de verweerster) al een aanvraag ingediend verwijzend naar een proces-verbaal van 9 januari 2001 waarbij vastgesteld werd dat de vernietigde of beschadigde oppervlakte aan aardappelen 5 ha bedroeg op een totale oppervlakte van 18,5 ha, d. i. 27,61 pct.. (De verweerster) had het proces-verbaal van de commissie voor akkoord onder¬tekend. Gezien artikel 3 van het KB van 9 augustus 2002 bepaalde dat geen schadevergoeding werd toegekend onder de 30 pct., kwam (de verweerster) niet voor ver¬goeding in aanmerking. Op 2 juli 2004 vernam (de verweerster) dat zij niet voor vergoeding in aanmerking kwam gezien de schadedrempel van 30 pct. niet was overschreden. (De verweerster) diende daarop een tweede aanvraag in voorhoudende dat de werkelijke schade minstens 6 ha zou hebben belopen, terwijl naderhand werd gesteld dat de schade zich zou hebben uitgespreid over 6,5 à 7 ha. (De eiser) (stelt) vooreerst dat een tweede aanvraag niet kan aanvaard worden

(verwijst) naar artikel 2 van het KB van 18 augustus

  1. Daarnaast (wijst) (de eiser) er op dat (de verweerster) bezwaarlijk kan gewagen van een ‘foutief stuk' gezien zijzelf met de initiële vaststellingen akkoord is gegaan. Ten slotte (houdt) (de eiser) voor dat (de verweersters) schade niet afdoend kan worden aangetoond met verkoopfacturen gezien het eenzijdige documenten betreft die niet kunnen opwegen tegen tegensprekelijke vaststellingen. (De eiser) (vordert) dienvolgens dat het aangevochten besluit zou worden tenietgedaan. 3.
  2. (De verweerster) stelt dat zij gerechtigd was om een tweede aanvraag in te die¬nen. Zij vordert dat het hoger beroep als ongegrond zou worden afgewezen. Beoordeling
  3. (De verweerster) heeft recht op een herstelvergoeding die wordt berekend volgens het percentage van de ‘te gelegener tijd' geraamde schade, of volgens het percentage berekend op basis van de stavende stukken. (zie artikel 3, lid 3, van het KB van 9 augustus 2002)
  4. Bij de beoordeling van de voorliggende betwisting moet worden uitgegaan van het proces-verbaal van 9 januari 2001 van de bevoegde commissie.

erzijds werd door de commissie vastgesteld dat er 5 ha vernietigde of be¬schadigde oppervlakte was op een totaal van 18,5 ha, anderzijds vermeldt het verslag dat er een tweede vaststelling nodig was. (zie stuk 5bis in het dossier van (de eiser)) Die laatste opmerking maakt aannemelijk dat, zoals (de verweerster) voorhoudt, de commissie van op de nabijgelegen rijbaan haar schatting heeft uitgevoerd. (De verweerster) mocht er van uitgaan dat er effectief een tweede vaststelling zou volgen

de omstandigheid dat (de verweerster) te goeder trouw dat proces-ver¬baal heeft ondertekend doet daaraan geen afbreuk. Dat er een tweede visitatie noodzakelijk was vindt bijkomend steun in het feit dat de eerste schatting een percentage van 27,61 pct. opleverde, wat hoe dan ook zeer dicht in de buurt kwam van de drempel van 30 pct. die in het KB van 9 augustus 2002 werd vastgelegd. Gezien er geen tweede schatting is gebeurd was (de verweerster) gerechtigd om op 18 maart 2004 haar bezwaren kenbaar maken nadat zij het definitief tech¬nisch verslag de dato 22 december 2003 had ontvangen. (zie stukken 4/3

4/4 in het dossier van (de verweerster)) Evenzeer was (de verweerster) in de gegeven omstandigheden gerechtigd om na het eerste besluit van 2 juli 2004

binnen de door artikel 5, §2, van het KB van 18 augustus 1976 voorziene termijn een tweede aanvraag in te dienen. De op 18 oktober 2004 door (de verweerster) ingediende (tweede) aanvraag is ontvankelijk

tijdig zoals in het besluit van 16 november 2004 expliciet wordt vermeld. (zie de stukken 13

21 in het dossier van (de eiser)). Rekening houdend met de wettelijke bepalingen

met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft de gouverneur dan een bijkomend onderzoek naar de omvang van de schade bevolen

als deskundige Marnick Devrome, extern landbouwdeskundige, aangewezen. 3. Voornoemde expert Marnick Devrome schrijft in zijn verslag van 18 oktober 2004 o.m.: ‘(...) Het schattingsverslag verwijst naar een tweede vaststelling die nodig is, doch die niet heeft plaatsgevonden. Het schattingsverslag is onnauwkeurig opgemaakt. Tengevolge van het overlijden van de echtgenoot van (de verweerster) (de heer V.) ontbrak de tijd voor een adequate controle te velde. Bovendien zijn aardappelen ten gevolge van de wateroverlast gerot in de loods waardoor de schade merkelijk hoger was. Op basis van de verkoopfacturen aardappelen

de gemiddelde opbrengsten van de streek volgens de fiscale gegevens kan een geoogste oppervlakte be¬paald worden t.b.v. 7,97 ha. Op basis van het totale areaal geteelde aardappelen t.b.v. 18,11 ha betekent dit een verlies t.b.v. 10,14 ha. (...)' (zie stuk 18 in het dossier van (de eiser)) Het is derhalve onjuist zoals (de eiser) (stelt) dat de stavende stukken waarop die expert zich heeft gesteund volkomen in tegenspraak zijn met de tegenspreke¬lijke vaststellingen die in tempore non suspecto gebeurden. Zoals reeds uiteengezet waren die vaststellingen niet accuraat gezien er volgens de commissie nog een tweede vaststelling noodzakelijk was. (De eiser) (maakt) op geen

kele wijze aannemelijk waarom de vaststellingen ter plaatse, de onderzoeken van de verkoopfacturen

van de gemiddelde op¬brengsten van de streek volgens de fiscale gegevens van een door de gou¬verneur aangewezen externe land-

tuinbouwexpert, met name Marnick Devrome, niet met de vereiste objectiviteit, onafhankelijkheid

zorgvuldigheid zouden zijn geschied, noch waarom zij niet als basis zouden kunnen dienen om (de verweerster) op grond van de Natuurrampenwet schadeloos te stellen. 4. Uit wat voorafgaat volgt dat (de verweerster) aan alle wettelijke vereisten op afdoende wijze heeft voldaan om het bewijs te leveren van haar rechtstreekse

zekere schade. Het aangevochten besluit moet onverkort worden bevestigd." (arrest pp. 2-5) Het voor het hof van beroep aangevochten besluit van de gou¬verneur van de provincie West-Vlaanderen van 16 november 2004 besloot "ARTIKEL 1: Het dossier LI2000/3/1/604 wordt herzien

de beslissing van 2 juli 2004 wordt verbeterd. ARTIKEL 2: De bijkomende aanvraag, ingediend door (de verweerster) wordt ontvankelijk verklaard. ARTIKEL 3: Een bedrag van 19.222,54 euro wordt als herstelvergoeding toege¬kend. De betaling van die vergoeding zal worden gedaan door de Nationale Rampenkas, Wetstraat 71, 1040 Brussel. ARTIKEL 4: Er wordt aan (de verweerster) geen herstelkrediet tegen verlaagde rentevoet toegekend. ARTIKEL 5: Dit besluit wordt gelijktijdig per aangetekende zending met bericht van ontvangst gestuurd: aan de aanvrager; aan de FOD Economie, KMO, Middenstand

ergie, Algemene Directie van het Economisch Potentieel Dienst Financiering Landbouwbeleid, Simon Bolivarlaan 30, 4de verdieping 1000 Brussel' op volgende gronden: "Gelet op de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen

op de koninklijk besluiten in uitvoering van die wet; Gelet op het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 waarbij de schade veroor¬zaakt aan bepaalde teelten door de overvloedige regenval van oktober

no¬vember 2000 op het grondgebied van verscheidene gemeenten als een landbouwramp wordt beschouwd, waarbij de geografische omvang van deze ramp afgebakend wordt

waarbij de schadeloosstelling van de schade wordt vastgesteld; Gelet op het ministerieel besluit van 12 augustus 2002 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 waarbij de schade veroorzaakt aan bepaalde teelten door de overvloedige regenval van oktober

november 2000 op het grondgebied van verscheidene gemeenten als een landbouwramp wordt beschouwd, waarbij de geografische omvang van deze ramp afgeba¬kend wordt

waarbij de schadeloosstelling van de schade wordt vastgesteld; Gelet op de aanvraag ingediend op 28 december 2002 door (de verweerster) wonende te Palingstraat 12, 8978 Poperinge; Gelet op de ingediende stukken om de teistering, evenals de omvang van de schade te bewijzen; (...) dat de schade zich heeft voorgedaan binnen de geteisterde zone, zoals afgebakend bij het koninklijk besluit van 9 augustus 2002; Gelet op de tegensprekelijke vaststelling van de schade

op het verslag dat ervan werd opgemaakt,

waarvan een afschrift aangetekend aan de betrok¬kene werd gestuurd op 11 maart 2004; (...) dat betrokkene na ontvangst van het afschrift van het verslag van de vaststelling van de schade, volgende opmerkingen heeft gemaakt: - de schade zoals vastgesteld door de gemeentelijke schattingscommissie klopt niet met de werkelijkheid. De commissie heeft de schade op afstand geschat (vanop de weg)

heeft niet gecontroleerd op het veld. De werkelijke schade bedraagt minstens 6 ha. Ik was niet volledig op de hoogte van de procedures gehanteerd door de schattingscommissie

heb me door deze heren laten overdonderen; (...) dat de aanvraag aan al de voorwaarden voldoet die door de wet werden vastgelegd, dat ze onder meer binnen de vereiste termijn is ingediend; Gelet op het koninklijk besluit van 7 april 1978 tot vaststelling van de percen¬tages, veranderlijk per gedeelten van het netto totaal bedrag van de geleden schade, evenals van het bedrag van de vrijstelling

van het abattement voor de berekening van de herstelvergoeding van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door landbouwrampen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 6 mei 2002; Gelet op de beslissing van 2 juli 2004 waarbij de aanvraag van (de verweerster) ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard; (...) dat vanwege (de verweerster) volgende opmerkingen worden ge¬formuleerd: - De beslissing van 2 juli 2004 is klaarblijkelijk genomen op basis van een fou¬tief stuk, namelijk het verslag van de aangestelde deskundige. De deskundige beweert dat er geen elementen aanwezig zijn om de schatting van de com¬missie tot vaststelling van schade aan teelten in twijfel te trekken. Nochtans kan de schade perfect aangetoond worden aan de hand van de verkoopfactu¬ren van de aardappelen. Op het ogenblik dat de overvloedige regenval van oktober

november 2000 als landbouwramp erkend werd was ik verkeerdelijk van mening dat ík mijn aanvraag diende te beperken tot de schade aanvaard door de commissie tot vaststelling van schade aan teelten. Aangezien de werkelijke schade veel ho¬ger is

ik over de wijze van indienen verkeerd ingelicht werd wens ik bovendien een bijkomende aanvraag tot tegemoetkoming in te dienen die overeenkomt met de werkelijk geleden schade; Gelet op de bijkomende aanvraag ingediend op 18 oktober 2004; Gelet op het ministerieel besluit van 12 augustus 2002 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002, meer bepaald op artikel 2 waaruit blijkt dat de termijn voor het indienen van de aanvragen gesteld was op 31 december 2002; Gelet op het koninklijk besluit van 18 augustus 1976

meer bepaald op artikel 5, §2

3, waarbij de gouverneur inzake laattijdige aanvragen kan oordelen over het bestaan van de voorwaarden (heirkracht of goede trouw) in hoofde van de aanvrager, die de laattijdige indiening kunnen rechtvaardigen; (...) dat de argumenten, ingeroepen door (de verweerster) om de laattijdigheid van de bijkomende aanvraag tot financiële tegemoetkoming te verantwoorden aan de gestelde voorwaarden voldoen; Gelet op het bijkomend onderzoek naar de omvang van de schade

het verslag dat ervan werd opgemaakt; (...) dat het netto bedrag van de geleden schade door de deskun¬dige (zie bijgevoegd berekeningsblad) is bepaald; (...) dat het bedrag van de herstelvergoeding moet berekend wor¬den zoals in het bijgevoegd berekeningsblad'; (...) dat (de verweerster) verklaart dat de geteisterde goederen niet verzekerd zijn; (...) dat (de verweerster) geen voorschot heeft ontvangen; (...) dat het voortbestaan van het bedrijf gegarandeerd is

dat bijgevolg kan beschouwd worden dat de wederbelegging voor het toegekende bedrag als gedaan beschouwd wordt' (beslissing van de gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen van 16 november 2004, pp. 1-4). Grieven 1. Artikel 1, §1, van de wet van 12 juli 1976 bepaalt: "Uitgezon¬derd in de gevallen waarin het herstel door bijzondere wetten of door internati¬onale overeenkomsten wordt geregeld, geeft tot een financiële tegemoetko¬ming onder de bij deze wet bepaalde voorwaarden, aanleiding, de rechtstreekse, materiële

zekere schade, op het grondgebied van België aan private lichamelijke goederen, roerende

onroerende, veroorzaakt door de in artikel 2 bepaalde schadelijke feiten". Artikel 2, §1, 2°, van dezelfde wet bepaalt: "Als schadelijke feiten, bedoeld in artikel 1, §1, worden in aanmerking genomen: (...) 2° De natuurverschijnselen met uitzonderlijk karakter of van uitzonderlijke hevigheid of de massieve

onvoorzienbare werking van schadelijke organismen die

kel belangrijke

algemene vernielingen hebben teweeggebracht van gronden, teelten of oogsten, evenals de ziekten

vergiftigingen met uitzonderlijk ka¬rakter die, door sterfte of verplichte slachting, belangrijke

veralgemeende verliezen van voor de landbouw nuttige dieren hebben veroorzaakt. Deze fei¬ten worden hierna genoemd: landbouwrampen". Artikel 2, §2, van dezelfde wet bepaalt: "De erkenning van het schadelijk feit, de toepassing van 1° of 2° van §1 rechtvaardigend, maakt, voor elke ramp, het voorwerp uit van een in ministerraad overlegd koninklijk besluit. Dit besluit, op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken getroffen indien het een algemene ramp betreft

op voordracht van de minister van Landbouw getroffen indien het een landbouwramp betreft, omschrijft de geografische uitgestrektheid van het toepassingsgebied van de wet". 2. Bij artikel 1, van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 werd de schade aan de aardappelen, het aardappelpootgoed, de suikerbieten, de voederbieten, de wortelen

de maïs veroorzaakt door de overvloedige re¬genval van oktober

november 2000 beschouwd als een landbouwramp die de toepassing verantwoordt van artikel 2, §1, 2°, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. Artikel 3, van hetzelfde koninklijk besluit voorziet de wijze van berekening van de schadeloosstelling, bepaalt de minimumdrempel van het recht op schadevergoeding van een getroffen bedrijf op een schadepercentage van minimum 30 pct. van de normale productie per teelt, of 20 pct. in de probleemge¬bieden, dit volgens het "te gelegener tijd vastgestelde schadepercentage",

bepaalt dat de minister, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,

belast met Landbouw, "de modaliteiten van de indiening van de aanvragen alsmede de wijze van hun onderzoek (vaststelt)". 3. Overeenkomstig artikel 17, §1, van de wet van 12 juli 1976 moet de aanvraag tot financiële tegemoetkoming aan de gouverneur van de provincie van de plaats van de teistering worden gericht. Artikel 2, eerste lid, van het in uitvoering van artikel 17, §4, van wet van 12 juli 1976 genomen koninklijk besluit van 18 augustus 1976 bepaalt dat de getroffene slechts één aanvraag opmaakt voor het geheel van zijn geteisterde goederen. Overeenkomstig artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976,

artikel 2, van het ministerieel besluit van 12 augustus 2002, moet de aanvraag tot tegemoetkoming, "op straf van uitsluiting", worden ingediend vóór het verstrijken van de derde maand volgend op de maand waarin het koninklijk besluit houdende erkenning van een algemene ramp of landbouwramp in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. De aanvragen tot tegemoetkoming op grond van de bij artikel 1, van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 erkende landbouwramp, dienden derhalve, rekening houdende met de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad op 20 september 2002, ten laatste op 31 december 2002 te worden ingediend bij de bevoegde provinciegouverneur. Artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 laat evenwel de personen die een geval van heirkracht of hun goede trouw kunnen aanvoeren toe om de indiening buiten termijn van hun aanvraag te rechtvaardigen, waarbij zij deze aanvraag nog kunnen indienen "vóór het verstrij¬ken van de derde maand volgend op de maand waarin hetzij het beletsel, hetzij de redenen tot staving van hun goede trouw, hebben opgehouden te bestaan". Overeenkomstig artikel 5, §3, van hetzelfde koninklijk besluit dient de gouverneur over het bestaan van deze voorwaarde te oordelen bij gemoti¬veerde beslissing. Overeenkomstig artikel 19, §1, van de wet van 12 juli 1976 wordt het onderzoek van de aanvraag tot tegemoetkoming gedaan door de provin¬ciegouverneur bij wie de aanvraag aanhangig is gemaakt,

wordt binnen het raam van dit onderzoek de vaststelling van de schade tegensprekelijk gedaan tussen de deskundige aangewezen door de gouverneur

de belangheb¬bende geteisterde of zijn gevolmachtigde. Een afschrift van het verslag van de vaststelling van de schade dient bij ter post aangetekende zending aan de be¬langhebbende te worden toegezonden. 4. Krachtens artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 kunnen de be¬langhebbende,

, naargelang van het geval, de minister van Openbare Wer¬ken of de minister van Landbouw, of hun gemachtigde, tegen de beslissing van de gouverneur voorziening instellen bij het hof van beroep van het ambtsgebied waarin zich de provincie bevindt waarvan de gouverneur in eer¬ste aanleg heeft uitspraak gedaan. Krachtens artikel 24, van de wet van 12 juli 1976 biedt de door de belanghebbende of door de minister ingestelde voorziening aan beide partijen de mogelijkheid alle punten van de bestreden beslissing opnieuw ter sprake te brengen. 5. Zoals blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest

de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan,

inzonderheid de beroepen beslissing van de provinciegouverneur van 16 november 2004, - stelde de commissie tot vaststelling van schade aan teelten op 9 januari 2001 vast dat er in het bedrijf van de verweerster 5ha vernietigde of beschadigde oppervlakte aardappelen was op een totaal van 18,5ha,

dat er een tweede vaststelling nodig was; - werd bij koninklijk besluit van 9 augustus 2002 de regenval van oktober

november 2000 op het grondgebied van verscheidene gemeenten als een landbouwramp beschouwd,

dienden de aanvragen tot tegemoetko¬ming ten laatste in de maand december 2002 te worden ingediend bij de bevoegde provinciegouverneur; - diende de verweerster op 28 december 2002 een aanvraag tot financiële tegemoetkoming in bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, voorhou¬dende dat zij 5ha aardappelen had verloren op een totale oppervlakte van 18ha5a; - werd op 22 december 2003 het in opdracht van de provinciegouverneur de¬finitief technisch verslag Braeckman opgemaakt, waartegen verweerster op 18 maart 2004 haar bezwaren kenbaar maakte; - verklaarde de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen op 2 juli 2004 de aanvraag van de verweerster ontvankelijk doch ongegrond nu het schadeper¬centage niet minimum 30 pct. van de normale productie per teelt bedroeg; - diende de verweerster op 18 oktober 2004 een nieuwe aanvraag tot financiële tegemoetkoming in bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, voorhoudende dat zij 10hal4a aardappelen had verloren op een totale oppervlakte van 18ha5a; - werd op 18 oktober 2004 het in opdracht van de provinciegouverneur defini¬tief technisch verslag Devrome opgemaakt; - besloot de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen op 16 november 2004 tot "herziening" van het dossier van verweerster, tot "verbetering" van de beslissing van 2 juli 2004, tot ontvankelijkverklaring van "de bijkomende aanvraag" van verweerster van 18 oktober 2004

tot toekenning van een bedrag van 19.222,54 euro als herstelvergoeding. Eerste onderdeel 6. Niettegenstaande de getroffene, overeenkomstig artikel 2, eer¬ste lid, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976, slechts één aanvraag tot tegemoetkoming voor het geheel van zijn geteisterde goederen mag indienen,

de verweerster te dezen reeds op 28 december 2002 een eerste aanvraag had ingediend,

bovendien de termijn voor het indienen van een aanvraag "op straf van uitsluiting" ten tijde van de tweede aanvraag van 18 ok¬tober 2004 reeds verstreken was op 31 december 2002, oordeelt het bestre¬den arrest dat verweerster "in de gegeven omstandigheden gerechtigd (was) om na het eerste besluit van 2 juli 2004

binnen de door artikel 5, §2, van het KB van 18 augustus 1976 voorziene termijn een tweede aanvraag in te die¬nen". De hierbij weerhouden omstandigheden betreffen het feit dat hoewel in het proces-verbaal van de bevoegde commissie van 9 januari 2001 was vermeld dat een tweede vaststelling nodig was, deze tweede schatting niet gebeurd is

op 22 december 2003 het definitief technisch verslag werd ontvangen. Het bestreden arrest oordeelt eveneens dat de tweede aanvraag van de verweerster van 18 oktober 2004 "ontvankelijk

tijdig (is) zoals in het besluit van 16 november 2004 expliciet wordt vermeld". Aldus neemt het de beslissing

de redenen van het beroepen besluit van de provinciegouverneur over, waarin werd geoordeeld "dat de ar¬gumenten, ingeroepen door de geteisterde (verweerster) om de laattijdigheid van de bijkomende aanvraag tot financiële tegemoetkoming te verantwoorden aan de gestelde voorwaarden voldoen", met name de voorwaarden van artikel 5, §2

3, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976, op grond waarvan de gouverneur inzake laattijdige aanvragen kan oordelen over het bestaan van de voorwaarden (heirkracht of goede trouw) in hoofde van de aanvrager, die de laattijdige indiening kunnen rechtvaardigen. 7. Rekening houdende met de beschouwingen in de aanhef van de grieven (supra sub 1 tot 5), die hier als uitdrukkelijk hernomen dienen te worden aangezien, geldt de door artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 geboden mogelijkheid aan de belanghebbende om "hun aanvraag" nog in te dienen buiten de op "straf van uitsluiting" in artikel 5, §1, van hetzelfde koninklijk besluit van 18 augustus 1976,

artikel 2, van het mi¬nisterieel besluit van 12 augustus 2002, bepaalde termijn, voor zover zij "een geval van heirkracht of hun goede trouw kunnen aanvoeren", alleen voor de door de belanghebbende in te dienen

ige aanvraag tot tegemoetkoming voor het geheel van zijn geteisterde goederen. Deze mogelijkheid tot aanvraag buiten termijn ingevolge "heirkracht of goede trouw', doet derhalve geen afbreuk aan de door artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 augus¬tus 1976 gestelde beperking tot één aanvraag. Het bestreden arrest, waaruit blijkt dat de verweerster reeds op 28 december 2002 een aanvraag indiende voor haar geteisterde goederen, kon derhalve niet wettig oordelen dat de verweerster gerechtigd was "om na het eer¬ste besluit van 2 juli 2004

binnen de door artikel 5, §2, van het KB van 18 augustus 1976 voorziene termijn een tweede aanvraag in te dienen",

dat "de op 18 oktober 2004 door (de verweerster) ingediende (tweede) aanvraag ont¬vankelijk (is)

tijdig zoals in het besluit van 16 november 2004 expliciet wordt vermeld". De algemene

niet nader verduidelijkte verwijzing in het bestreden arrest naar "de beginselen van behoorlijk bestuur", kan de toepassing van voornoemde regels niet verhinderen. Door aldus de bestreden beslissing van de provinciegouverneur van 16 november 2004, waarbij de "bijkomende aanvraag" van de verweerster van 18 oktober 2004 ontvankelijk werd verklaard, te bevestigen, miskent het bestreden arrest derhalve de artikelen 17, §§1

4, 21

24 van de wet van 12 juli 1976, artikelen 2, eerste lid,

5, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976, artikel 2 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2002,

, voor zoveel als nodig, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,

kon het dienvolgens niet wettig aan de verweerster een bedrag van 19.222,54 euro herstelvergoeding toekennen (schending van dezelfde wetsbepalingen

de artike¬len 1, §1, 2, §1, 2°,

§2

van de wet van 12 juli 1976,

de artikelen 1

3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002). Tweede onderdeel 8. Voor zover de redengeving van het bestreden arrest zou toelaten aan te nemen dat de appelrechter de "tweede aanvraag" van de verweerster van 18 oktober 2004 beschouwt, of minstens ook beschouwt, als een aanvraag tot herziening van de over de eerste aanvraag van de verweerster op 2 juli 2004 door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen gewezen beslis¬sing,

inzonderheid een aanvraag tot vernietiging in de zin van artikel 27, §1, van de wet van 12 juli 1976,

de beroepen beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 16 november 2004, waarin onder artikel 1 van het "besluit" melding van een "herziening" van de beslissing van 2 juli 2004, beschouwt, of minstens ook beschouwt, als een vernietigingsbeslissing waarbij eveneens uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak, in de zin van voornoemde wetsbepaling, quod non, is de beslissing evenmin naar recht verantwoord. 9. De artikelen 27

28 van de wet van 12 juli 1976 bevatten een herzieningsprocedure van de definitief geworden vergoedingsbeslissing van de gouverneur die niet het voorwerp uitmaakte van een voorziening bij het hof van beroep. Artikel 27, §1, van de wet van 12 juli 1976 laat de vernietiging toe van de definitief geworden vergoedingsbeslissing van de gouverneur, op verzoek van de belanghebbende of de minister van Openbare Werken of de minister van Landbouw, naargelang van het geval, of hun gemachtigde, in vol¬gende gevallen: "1° als blijkt dat de belanghebbende niet aan de in artikel 6 bepaalde voorwaarden voldoet; 2° als de belanghebbende bedrog heeft gepleegd; 3° als de beslissing werd gewezen op stukken of verklaringen die later vals of klaarblijkelijk onjuist bevonden werden; 4° als de belanghebbende bij toepassing van artikel 7, geheel of gedeel¬telijk, van het genot, van de financiële tegemoetkoming had moeten of moet worden uitgesloten". Overeenkomstig artikel 28 van de wet van 12 juli 1976 moet de herzieningsprocedure worden ingediend bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt bij ter post aangetekende brief aan de gouverneur die de betrokken beslissing heeft gewezen, onderzoekt de gouverneur de aanvraag in dezelfde vormen als de oorspronkelijke aanvraag, doet de gou¬verneur, in geval van aanvraag tot vernietiging, bij een

dezelfde beslissing gezamenlijk uitspraak over de vernietiging

over de grond van de zaak,

zijn de beslissingen vatbaar voor dezelfde voorzieningen als de vernietigende of verbeterde beslissingen. 10. De herzieningsprocedure van artikel 27, §1, van de wet van 12 juli 1976 beoogt de vernietiging van "de definitief geworden vergoedingsbe¬slissing",

is dan ook

kel van toepassing wanneer een vergoeding werd toegekend door de provinciegouverneur. Nu te dezen bij beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 2 juli 2004 de (eerste) aanvraag van verweerster van 28 december 2002 tot tegemoetkoming, ongegrond werd verklaard, kon geen herzieningsprocedure, in de zin van de artikelen 27, §1,

28 van de wet van 12 juli 1976, worden ingeleid tegen deze beslissing,

kon derhalve door de provinciegouverneur

door het hof van beroep, oordelend op grond van de artikelen 21

28, derde lid, van de wet van 12 juli 1976, op de voorziening tegen deze beslissing, niet worden overgegaan tot "herziening", in de zin van vernietiging, van de beslissing van 2 juli 2004,

tot een nieuwe beoordeling van de grond van de zaak (schending van artikelen 21, 27, §1,

28, van de wet van 12 juli 1976). De algemene

niet nader verduidelijkte verwijzing in het bestreden arrest naar "de beginselen van behoorlijk bestuur", kan de toepassing van voornoemde regels niet verhinderen (schending van dezelfde wetsbepalingen,

, voor zoveel als nodig, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Het bestreden arrest kon dienvolgens op grond van derge¬lijke "herziening",

rekening houdende met de beschouwingen in de aanhef van de grieven (sub 1 tot 5), die hier als uitdrukkelijk hernomen dienen te wor¬den aangezien, niet wettig een herstelvergoeding van 19.222,54 euro aan de verweerster toekennen (schending van dezelfde wetsbepalingen

de artikelen 1, §1, 2, §1, 2°,

§2

, van de wet van 12 juli 1976,

de artikelen 1

3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002). 11. Bovendien laat artikel 27, §1, van de wet van 12 juli 1976 alleszins slechts de vernietiging toe van de definitief geworden vergoedingsbe¬slissing van de gouverneur, in de gevallen limitatief opgesomd, waarbij de her¬ziening van de beslissing die werd gewezen "op stukken of verklaringen die later vals of klaarblijkelijk onjuist bevonden werden", o.m. vereist dat de "klaar¬blijkelijke onjuistheid" "later" is gebleken. De "klaarblijkelijke onjuistheid" moet derhalve pas na de beslissing van de gouverneur

na het verstrijken van de termijn van voorziening -ter gelegenheid waarvan, overeenkomstig artikel 24 van de wet van 12 juli 1976, partijen de mogelijkheid hadden alle punten van de bestreden beslissing opnieuw ter sprake te brengen- gebleken zijn. Nu te dezen uit het bestreden arrest

uit de beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 16 november 2004 blijkt dat tot "herziening" van de beslissing van 2 juli 2004 werd overgegaan om reden dat de oorspronkelijk -op basis van de tegensprekelijke vaststelling bij pro¬ces-verbaal van 9 januari 2001 van de bevoegde commissie tot vaststelling van schade aan teelten,

op basis van het definitief technisch verslag van 22 december 2003- slechts op 5ha aardappelen geraamde omvang van de schade van de verweerster ingevolge de erkende landbouwramp, in werkelijkheid gro¬ter was,

met name 10,14ha bedroeg, terwijl uit het bestreden arrest blijkt dat de verweerster de oorspronkelijk weerhouden omvang reeds vóór de beslissing van de gouverneur van 2 juli 2004,

met name reeds op 18 maart kon betwisten

ook daadwerkelijk betwistte, kon het bestreden arrest niet wettig, met toepassing van artikel 27, §1, 3°, van de wet van 12 juli 1976, de aangevochten beslissing van de gouverneur van 16 november 2004, waarbij tot "herziening" van de beslissing van 2 juli 2004 werd overgegaan, bevestigen. De algemene

niet nader verduidelijkte verwijzing in het bestreden arrest naar "de beginselen van behoorlijk bestuur", kan de toepassing van voornoemde regels niet verhinderen. Aangezien niet blijkt dat de oorspronkelijke beslissing van de gou¬verneur van 2 juli 2004 "werd gewezen op stukken of verklaringen die later vals of klaarblijkelijk onjuist bevonden werden", in de zin van artikel 27, §1, 3°, van de wet van 12 juli 1976,

alleszins niet wettig kon weerhouden worden dat de oorspronkelijke beslissing van de gouverneur van 2 juli 2004 "werd gewe¬zen op stukken of verklaringen die later vals of klaarblijkelijk onjuist bevonden werden", miskent het bestreden arrest de artikelen 21, 27, §1,

28, van de wet van 12 juli 1976,

, voor zoveel als nodig, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,

kon het dienvolgens op grond van een "herziening",

rekening houdende met de beschouwingen in de aanhef van de grieven (sub 1 tot 5), hier uitdrukkelijk hernomen, niet wettig een herstelvergoeding van 19.222,54 euro aan de verweerster toekennen (schending van dezelfde wetsbepalin¬gen

de artikelen 1, §1, 2, §1, 2°,

§2

, van de wet van 12 juli 1976,

de artikelen 1

3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 2002). Derde onderdeel 11. Voor zover de redengeving van het bestreden arrest zou toelaten aan te nemen dat de appelrechter de "tweede aanvraag" van de verweerster van 18 oktober 2004 beschouwt, of minstens ook beschouwt, als een aanvraag tot herziening van de over de eerste aanvraag van de verweerster op 2 juli 2004 door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen gewezen beslis¬sing,

inzonderheid een aanvraag tot verbetering in de zin van artikel 27, §2, van de wet van 12 juli 1976,

de beroepen beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 16 november 2004, waarin onder artikel 1 van het "besluit" melding van een "verbetering" van de beslissing van 2 juli 2004, beschouwt, of minstens ook beschouwt, als een verbeteringsbeslissing hetzij gewezen op dit verzoek, hetzij ambtshalve, in de zin van voornoemde wetsbepaling, quod non, is de beslissing evenmin naar recht verantwoord. 12. De artikelen 27

28 van de wet van 12 juli 1976 bevatten een herzieningsprocedure van de definitief geworden vergoedingsbeslis¬sing van de gouverneur die niet het voorwerp uitmaakte van een voorziening bij het hof van beroep. Artikel 27, §2, van de wet van 12 juli 1976 laat de verbetering toe, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de belanghebbende of van de minister van Openbare Werken of de minister van Landbouw, naargelang van het geval, of hun gemachtigde, van "de beslissing waarin materiële vergissin¬gen door de gouverneur die ze gewezen heeft". Overeenkomstig artikel 28 van de wet van 12 juli 1976 moet de herzieningsprocedure worden ingediend bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt bij ter post aangetekende brief aan de gouverneur die de betrokken beslissing heeft gewezen, onderzoekt de gouverneur de aanvraag in dezelfde vormen als de oorspronkelijke aanvraag,

zijn de beslis¬singen vatbaar voor dezelfde voorzieningen als de vernietigende of verbeterde beslissingen. 13. De toepassing van artikel 27, §2, van de wet van 12 juli 1976 vereist een materiële vergissing in de beslissing van de gouverneur, zoals een verschrijving of misrekening,

laat geen "verbetering" toe van de oor¬spronkelijke beslissing op grond van een nieuw onderzoek naar de omvang van de schade, zoals te dezen. De algemene

niet nader verduidelijkte verwijzing in het bestreden arrest naar "de beginselen van behoorlijk bestuur", kan de toepassing van voornoemde regel niet verhinderen. Nu uit de door het bestreden arrest weerhouden gronden tot bevestiging van de bestreden beslissing van de gouverneur van 16 november 2004 niet blijkt dat de oorspronkelijke beslissing van de gouverneur van 2 juli 2004 een "materiële vergissing" bevatte in de zin van artikel 27, §2, van de wet van 12 juli 1976, minstens op grond van de weerhouden vaststellingen

overwegingen niet tot het bestaan van een "materiële vergissing" in de zin van artikel 27, §2, van de wet van 12 juli 1976 kon besloten worden, miskent het bestreden arrest de artikelen 21, 27, §2,

28 van de wet van 12 juli 1976,

, voor zoveel als nodig, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,

kon het dienvolgens op grond van een "herziening",

rekening houdende met de beschouwingen in de aanhef van de grieven (sub 1 tot 5), hier uitdrukkelijk hernomen, niet wettig een herstelvergoeding van 19.222,54 euro aan de verweerster toekennen (schending van dezelfde wetsbepalingen

de artikelen 1, §1, 2, §1, 2°,

§2

, van de wet van 12 juli 1976,

de artikelen 1

3 van het ko¬ninklijk besluit van 9 augustus 2002). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 17, §1, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, wordt de aanvraag tot financiële tegemoetkoming aan de gouverneur van de provincie van de plaats van de teistering gericht. Krachtens artikel 17, §4, van deze wet, worden de voorwaarden van vorm

termijn van indiening der aanvragen door de Koning vastgesteld. Krachtens artikel 21 van deze wet kunnen de belanghebbende

naargelang van het geval, de minister van Openbare Werken of de minister van Landbouw, of hun gemachtigde, voorziening instellen tegen de beslissing van de gouverneur, zich houdend aan de bepalingen van artikel 22, bij het hof van beroep van het ambtsgebied waarin zich de provincie bevindt waarvan de gouverneur in eerste aanleg heeft uitspraak gedaan. 2. Krachtens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 tot vaststelling van de vorm

de termijn van indiening der aanvragen tot financiële tegemoetkoming wegens schade aan private goederen veroorzaakt door natuurrampen, maakt de getroffene slechts één aanvraag op voor het geheel van zijn geteisterde goederen. Krachtens artikel 5, §1, van dit koninklijk besluit, moet de aanvraag tot tegemoetkoming, op straffe van uitsluiting, ingediend worden vóór het verstrijken van de derde maand volgend op de maand waarin het koninklijk besluit houdende erkenning van een algemene ramp of landbouwramp in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Krachtens artikel 5, §2, van dit koninklijk besluit, mogen de personen die een geval van heirkracht of hun goede trouw kunnen aanvoeren om de indiening buiten termijn van hun aanvraag te rechtvaardigen, deze aanvraag nog indienen vóór het verstrijken van de derde maand volgend op de maand waarin hetzij het beletsel, hetzij de redenen tot staving van hun goede trouw, hebben opgehouden te bestaan. Krachtens artikel 5, §3, eerste lid, van dit koninklijk besluit, oordeelt de gouverneur, bij gemotiveerde beslissing, over het bestaan van de in §2 hierboven bedoelde voorwaarden. 3. De door artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 aan de belanghebbende geboden mogelijkheid om de aanvraag tot tegemoetkoming nog in te dienen buiten de termijn van artikel 5, §1, bepaald op straf van uitsluiting, geldt alleen voor de door de belanghebbende ingediende

ige aanvraag tot tegemoetkoming voor het geheel van zijn geteisterde goederen. Deze mogelijkheid tot aanvraag buiten termijn geldt niet indien de aanvraag tot tegemoetkoming reeds door de gouverneur werd afgewezen. Tegen die beslissing moet de belanghebbende op grond van artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 voorziening instellen bij het hof van beroep. 4. Het arrest stelt vast dat: - de verweerster op 28 december 2002 al een aanvraag tot tegemoetkoming had ingediend verwijzend naar een proces-verbaal van 9 januari 2001 waarbij vastgesteld werd dat de vernietigde of beschadigde oppervlakte aan aardappelen 5 ha bedroeg op een totale oppervlakte van 18,5 ha, d.i. 27,61 pct.; - de verweerster op 2 juli 2004 door de beslissing van de gouverneur vernam dat zij niet voor vergoeding in aanmerking kwam gezien de schadedrempel van 30 procent niet was overschreden; - de verweerster daarop een tweede aanvraag indiende voorhoudende dat de schade minstens 6 ha zou belopen

naderhand werd gesteld dat de schade zich zou hebben uitgespreid over 6,5 tot 7 ha; - het verslag van 9 januari 2001 tevens vermeldt dat er een tweede vaststelling nodig was. 5. Het arrest oordeelt dat: - de opmerking in het verslag dat er een tweede vaststelling nodig was aannemelijk maakt dat, zoals verweerster voorhoudt, de commissie van op de nabijgelegen rijbaan haar schatting heeft uitgevoerd; - de verweerster er mocht van uitgaan dat er effectief een tweede vaststelling zou volgen; - de noodzaak van een tweede visitatie tevens bijkomend steun vindt in het feit dat een eerste schatting een percentage van 27,61 procent opleverde, wat hoe dan ook zeer dicht in de buurt kwam van de drempel van 30 procent die in het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 werd vastgesteld. Hieruit leidt het arrest af dat de verweerster in de gegeven omstandigheden gerechtigd was om na het eerste besluit van de gouverneur van 2 juli 2004

binnen de door artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 voorziene termijn een tweede aanvraag in te dienen

dat deze op 18 oktober 2004 ingediende aanvraag ontvankelijk

tijdig was. 6. Door dit oordeel schendt het arrest artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 18 augustus 1976 tot vaststelling van de vorm

de termijn van indiening der aanvragen tot financiële tegemoetkoming wegens schade aan private goederen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan

laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter,

de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns

Koen Mestdagh,

in openbare terechtzitting van 1 februari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.