← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.4 Rolnummer: S.09.0065.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 578 - laatst gezien 2026-07-02 23:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 14, § 1 van de R.S.Z.-wet stelt niet als vereiste voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen dat het loon betreft in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet

(1).
(1)Zie Cass., 5 jan. 2009, AR S.08.0064.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.3, A.C., 2009, nr
  1. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: Berekening R.S.Z.-bijdragen - Loon Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art. 14, § 1 Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: Basis voor berekening R.S.Z.-bijdragen - Loon Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art. 14, § 1 Tekst van de beslissing Nr. S.09.0065.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen HENSCHEL ENGINEERING, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Wilrijk (Antwerpen), Boomsesteenweg 604-606, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 18 september 2008 en 24 april 2009 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Artikel 14, §1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 bepaalt uitdrukkelijk dat de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend worden op basis van het loon van de werknemer. Krachtens artikel 14, §2, van deze wet wordt het loonbegrip omschreven met verwijzing naar het loonbegrip van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, met dien verstande dat het in de laatstgenoemde wet bepaalde loonbegrip bij koninklijk besluit kan worden verruimd of beperkt.
  3. Krachtens artikel 2 van de Loonbeschermingswet, wordt onder loon verstaan: het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. De voormelde wetsbepaling breidt het loonbegrip in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet, zijnde de tegenprestatie van de krachtens de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, uit tot de voordelen in geld of in geld waardeerbaar, waarop de werknemer ingevolge die dienstbetrekking aanspraak heeft ten laste van de werkgever.
  4. Artikel 14, §1, van de RSZ-wet stelt aldus niet als vereiste voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen dat het loon betreft in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet.
  5. Het bestreden arrest van 18 september 2008 oordeelt dat: - de toepassing van artikel 2, eerste lid, 3°, van de Loonbeschermingswet vergt dat het betaalde voordeel gerelateerd moet zijn aan de verrichte arbeid; - loon een tegenprestatie is voor arbeid die krachtens de arbeidsovereenkomst is verricht; - de eenmalige vergoeding waartoe de eiseres zich bij bedrijfs-CAO van 14 mei 1990 engageerde, betaald aan de bedienden en aan de arbeiders naar aanleiding van hun vertrek uit het bedrijf bij het sluiten van de afdeling ketels, niet beoogde een tegenprestatie te zijn voor de door de werknemers geleverde prestaties, maar een afkoopsom vormde om de sociale vrede te bewaren; - deze vergoeding geen loon vormde, toegekend als tegenprestatie voor de geleverde arbeidsprestaties in het kader van de arbeidsovereenkomst, omdat ze door de verweerster niet vrijelijk werd beslist en overeengekomen in een bedrijfs-CAO, maar onder dwang werd toegekend en omdat de bedoelde vergoeding als morele schadevergoeding diende voor het verlies van werk.
  6. Op grond hiervan verantwoordt dit arrest zijn beslissing dat er geen toepassing moet gemaakt worden van artikel 2, eerste lid, 3°, van de Loonbeschermingswet en dat op de bedoelde vergoedingen geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, niet naar recht en schendt het de voormelde als geschonden aangewezen wetsbepalingen. Het middel is in zoverre gegrond.
  7. De vernietiging van de beslissing van het arrest van 18 september 2008 tot het niet verschuldigd zijn door de verweerster van de gevorderde socialezekerheidsbijdragen, brengt de vernietiging mee van de beslissingen van het bestreden arrest van 24 april 2009, die er het gevolg van zijn. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 18 september 2008, behalve in zoverre dit het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk verklaart, en het bestreden arrest van 24 april
  8. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest van 18 september 2008 en op de kant van het vernietigde arrest van 24 april
  9. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 1 februari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190520.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3F.7 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130613.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.