id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5 Rolnummer: S.09.0064.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 784 - laatst gezien 2026-07-02 21:20 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100201.5 Fiche 1 De rechter vermag de door de partijen tot staving van hun vordering voorgedragen redenen ambtshalve aan te vullen, op voorwaarde echter dat hij geen geschil opwerpt waarvan partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn overgelegd en dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en hierbij het recht van verdediging niet miskent. De rechter hoeft de heropening van de debatten niet te bevelen wanneer hij de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering laat steunen op feitelijke gegevens die aan zijn oordeel waren onderworpen
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Sociaal verzekerde - Afstand van vordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, tweede lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Gerechtelijk recht - Rechtspleging - Taak van de rechter - Afwijzing van de vordering - Heropening van het debat Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Sociaal verzekerde - Afstand van vordering Tekst van de beslissing Nr. S.09.0064.N H. R., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 april 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, zoals onder meer neergelegd in artikel 6.1 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres ongegrond en dat van de verweerder gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof hervormt het bestreden vonnis en reduceert de aan de eiseres toegekende schadevergoeding tot 5.750,00 euro, meer de interest. Het arbeidshof neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende: "De grondslag van de door (de eiseres) gevorderde schadevergoeding is niet eendui¬dig. Enerzijds stelt (de eiseres) dat, zonder de brief van (de verweerder), haar werkge¬ver de overeenkomst niet zou verbroken hebben en zij aldus, ingevolge deze brief de kans op een professionele reclassering zou verloren hebben. Anderzijds vordert (de ei¬seres) als schadevergoeding een bedrag dat gelijk is aan de verbrekingsvergoeding waarop zij aanspraak had kunnen maken in de hypothese dat haar werkgever haar niet in dienst zou gehouden hebben maar haar ontslagen had met betaling van een verbre¬kingsvergoeding. In feite kan de schade van (de eiseres) vanuit de twee zienswijzen begrepen worden.
- De eerste mogelijke benadering in het onderzoek van de schade volgens de regels van de equivalentietheorie, is inderdaad dat, ingevolge het schrijven van (de verweerder), (de eiseres) een kans verloren heeft dat haar werkgever voor haar toch een pro¬fessionele reïntegratie zou gezocht hebben. De kans dat dit zou gebeurd zijn is echter nagenoeg onbestaande. De werkgever heeft (de eiseres) enkel een alternatieve betrekking aangeboden van een 6-tal maanden in de loop van het jaar
- Sindsdien is er geen enkel ander aanbod geweest. Anderzijds had (de verweerder) in zijn schrijven van 18 november 2005 er precies de nadruk op gelegd dat de werkgever verplicht was naar een reïntegratie te zoeken en dat dit desgevallend door (de verweerder) zou gecontroleerd worden. Tenslotte is er het feit dat (de eiseres) reeds ca. 53 jaar oud was en sinds meer dan 3,5 jaar niet meer werkte (ongeacht nog haar ziekteperiode voordat zij op de werkloosheid kwam), zodat haar reïntegratie niet evident was. (De eiseres) toont ook niet aan dat zij zelf tijdens haar periode van tijdelijke werkloosheid initiatieven in die zin genomen heeft. De tweede mogelijke benadering is dat de werkgever, geconfronteerd met de situatie dat hij (de eiseres) geen werk meer kon aanbieden, (terwijl anderzijds (de eiseres) niet verder ten laste kon blijven van de werkloosheid) ervoor zou geopteerd hebben de arbeidsovereenkomst te beëindigen mits betaling van een verbrekingsvergoeding overeenkomstig artikel 78 van de wet van 3 juli
- De kans dat de werkgever op die manier zou gereageerd hebben, (en dus correlerend de kans van (de eiseres)), kan echter ook niet te hoog ingeschat worden. Er dient vanuit gegaan te worden dat een grote werkgever, zoals het Brugman ziekenhuis een juridisch geschoolde personeels¬dienst heeft, die perfect de mogelijkheden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst kon inschatten en daarover niet geïnformeerd diende te worden door (de verweerder). Bovendien sloot het schrijven van (de verweerder) deze mogelijkheid geenszins uit, zodat, indien de werkgever uit sociale bewogenheid voor deze oplossing zou geopteerd hebben, hij dit ook kon doen na de ontvangst van het schrijven van (de verweerder). Het verlies van de kans dat de werkgever de overeenkomst zou beëindigd hebben mits betaling van een verbrekingsvergoeding kan dan ook volgens het arbeidshof niet ho¬ger ingeschat worden dan 1/
- De schadevergoeding die (de eiseres) kan opeisen dient op die basis herleid te worden tot een bedrag dat overeenstemt met 1/5 van de verbrekingsvergoeding.
- Bij de begroting van de schade dient bovendien met volgende elementen rekening gehouden te worden: (De eiseres) berekent het bedrag van de gevorderde schadevergoeding wegens het ontberen van een verbrekingsvergoeding in functie van het brutobedrag van de verbrekingsvergoeding. De schadevergoeding die zij kan bekomen van (de verweerder), en die steunt op een quasi delictuele fout is echter niet, zoals de verbrekingsvergoeding, onderworpen aan sociale inhoudingen en aan een fiscale heffing of dezelfde fiscale heffing. De vergoeding moet dan ook principieel berekend worden op het netto-verlies aan inkomen .... Volgens de gegevens, aangebracht door (de eiseres), bedroeg de netto verbrekingsvergoeding, die overeenstemt met de bruto verbrekingsvergoeding van 98.729,55 euro, slechts 51.981,09 euro .... Ten tweede heeft (de eiseres) voor dezelfde periode werkloosheidsuitkeringen ontvan¬gen. Uit stuk 68 van (de verweerder) blijkt dat (de eiseres) op 23 november 2005 recht had op een werkloosheidsuitkering van 36,89 euro per dag, hetzij op maandbasis 959,14 euro. Vanaf 23 november 2006 zou de uitkering 26,83 euro per dag bedragen hetzij 697,58 euro per maand. Geëxtrapoleerd over een periode van 30 maanden, en onder voorbehoud van indexaties, heeft (de eiseres) dus ... een werkloosheidsvergoeding ontvangen van in het totaal 24.066,12 euro. Dit bedrag moet in rekening gebracht worden bij de bepaling van de reële schade. Tenslotte dient in deze hypothese geen rekening gehouden te worden met de vergoe¬dingen die (de eiseres) opeist uit hoofde van het verlies van het voordeel van de gratis medische raadpleging en de gratis hospitalisatie, die (de eiseres) berekent tot de pensioengerechtigde leeftijd en verder. Na haar ontslag zou zij die voordelen ook verloren hebben. Dit verlies kan wel mee gerekend worden als voordeel in natura voor de peri¬ode van de duur van de opzeggingsvergoeding, doch het arbeidshof stelt vast dat (de eiseres) in haar basisloon reeds voordelen in natura inrekent. In het licht van al deze elementen past het aan (de eiseres) een schadevergoeding toe te kennen van 5.750,00 euro. Dit bedrag sluit zo nauwkeurig mogelijk aan bij de schade die kan berekend worden op basis van de voorhanden zijnde gegevens, maar die niet 100 pct. exact kan berekend worden. Dit bedrag dekt eveneens de morele schade waarvan (de eiseres) de omvang niet bewijst." Grieven
- Krachtens artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is de rechter verplicht de heropening van de debatten te bevelen alvorens de vordering geheel of gedeel¬telijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen. De verplichte heropening van de debatten voorgeschreven door artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is een bijzondere toepassing van het ruimere beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. De debatten dienen dan ook door de rechter te worden heropend telkens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging dat vereist. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdedi¬ging dient de rechter die zijn beslissing steunt op een door partijen niet aangevoerd middel of op een ambtshalve aangevoerd middel, de partijen de gelegenheid te geven zich daarop te verdedigen. De rechter mag derhalve geen rechtsvordering van een partij toe- of afwijzen op grond van een middel dat voor hem niet is aangevoerd en waarover de partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren, in voorkomend geval doordat een heropening van de debatten werd bevolen.
- In de "beroepsconclusies" die de eiseres regelmatig neerlegde ter griffie van het arbeidshof, blijkt dat zij van de verweerder vorderde (blz. 8 tot 10) - 99.059,75 euro op basis van een totaal brutojaarloon van 39.623,90 euro "ten titel van schadevergoeding gelijk te stellen met de ontslagvergoeding"; - 3.900,00 euro "uit hoofde van verlies voordeel hospitalisatie"; - 2.050,00 euro "uit hoofde van verlies voordeel gratis raadpleging"; - 2.500,00 euro "uit hoofde van morele schadevergoeding.; Na te hebben geoordeeld dat het verlies van de kans van de eiseres dat haar werkgever haar arbeidsovereenkomst zou hebben beëindigd met betaling van een opzeggingsvergoeding, kan worden geschat op een vijfde en dat de schadevergoeding die de eiseres kan opeisen op die grond moet worden gereduceerd tot een bedrag dat overeenstemt met een vijfde van de verbrekingsvergoeding (8ste blad, tweede alinea, van het bestreden arrest), oordeelt het arbeidshof dat bij de begroting van de door de eiseres geleden schade - niet kan worden uitgegaan van het door de eiseres in aanmerking genomen brutobedrag (blz. 8, derde alinea, van de "Beroepsconclusies" van de eiseres) maar de ver¬goeding principieel moet worden berekend op het netto-verlies aan inkomen; - en dat de door de eiseres over een periode van dertig maanden ontvangen werkloosheidsuitkeringen in mindering moeten worden gebracht. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan en meer bepaald uit zijn conclusie gedagtekend 24 juli 2008, blijkt dat de verweerder op geen enkel ogenblik aanvoerde dat de schade van de eiseres moest worden berekend op de nettobedragen van het door haar in aanmerking genomen brutojaarloon, noch dat de door de eiseres ontvangen werkloosheidsuitkeringen over de met de opzeggingsvergoeding overeenstemmende opzeggingstermijn in mindering moesten worden gebracht. Het arbeidshof reduceert derhalve op de voornoemde ambtshalve ingeroepen gronden de door de eiseres aangevoerde schade zonder de partijen en in het bijzonder de eiseres de mogelijkheid te hebben gegeven daarover verweer te voeren. Derhalve miskent het arbeidshof het recht van verdediging van de eiseres en artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1017, inzonderheid tweede en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - voor zoveel als nodig, artikel 7, § 1, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - voor zoveel als nodig, artikel 580, 1 ° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - voor zoveel als nodig, artikel 2, 7°, van de wet van 1 1 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond en het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Na het bestreden vonnis te hebben hervormd en dienvolgens de aan de eiseres toegekende schadevergoeding tot 5.750 euro, meer de interest, te hebben gereduceerd, veroordeelt het arbeidshof elk van de partijen tot de door haar veroorzaakte kosten in de procedure hoger beroep (9de blad, onderaan, en 10de blad, bovenaan, van het bestreden arrest). Grieven
- Luidens artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 579, 6°, 580, 581 en 582, 1º en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten wordt verwezen. Met sociaal verzekerden worden, aldus het derde lid van die bepaling, bedoeld: de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde. Krachtens artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde, wordt onder sociaal verzekerden verstaan, de natuurlijke personen die recht hebben op sociale prestaties, er aanspraak op maken of er aanspraak op kunnen maken, hun wettelijke vertegenwoordigers en hun gemachtigden. Artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.
- In de procedure gevoerd voor het arbeidshof die tot het bestreden arrest leidde, moet de eiseres worden beschouwd als een sociaal verzekerde in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 aangezien zij, volgens de vaststellingen van de verweerder zelf, waarnaar het arbeidshof verwijst, in beginsel aanspraak kon maken op werkloosheidsuitkeringen (3de blad, derde en vierde alinea, van het bestreden arrest). De eiseres is dus ook te aanzien als sociaal verzekerde in de zin van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De verweerder is een openbare instelling belast met de toepassing van de wetten en verordeningen bedoeld in artikel 580, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald de wetgeving inzake de werkloosheid, zo volgt uit artikel 7, §1, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbei¬ders. Op het eerste blad van het bestreden arrest staat overigens met betrekking tot de aard van het geschil vermeld: "not. 580, 2° Ger. W." en "werkloosheidsuitkering". Het arbeidshof stelt nergens vast en uit geen enkel stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het hoger beroep van de eiseres tergend of roekeloos was. Dat werd door de verweerder ook niet aangevoerd. Hoewel aldus de toepassingsvoorwaarden van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vervuld zijn en de verweerder derhalve tot de kosten van de procedure in hoger beroep had moeten worden veroordeeld, slaat het arbeidshof de kosten van het hoger beroep tussen de partijen om en veroordeelt ieder van de partijen tot de door haar veroorzaakte kosten overeenkomstig artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (9de blad, onderaan, en 10de blad, bovenaan, van het bestreden arrest). Zodoende miskent het arbeidshof de artikelen 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, 7, §1, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbei¬ders, 580, 1º en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De rechter vermag de door de partijen tot staving van hun vordering voorgedragen redenen ambtshalve aan te vullen, op voorwaarde echter dat hij geen geschil opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn overgelegd en dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en hierbij het recht van verdediging niet miskent. De rechter behoeft de heropening van de debatten niet te bevelen wanneer hij de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering laat steunen op feitelijke gegevens die aan zijn oordeel waren onderworpen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt enerzijds dat de eiseres van de verweerder schadevergoeding vorderde wegens het verlies van de kans dat zonder de fout van de verweerder, haar werkgever de arbeidsovereenkomst zou hebben beëindigd met betaling van een opzeggingsvergoeding en dat zij die schade berekende op basis van het bruto jaarloon en anderzijds dat de verweerder die schadebegroting betwistte. Uit de voormelde stukken blijkt tevens dat de eiseres de gegevens aanbracht noodzakelijk voor de berekening van de vergoeding op basis van netto-bedragen en de verweerder deze voor de berekening van de door de eiseres ontvangen werkloosheidsuitkeringen.
- Het arrest oordeelt dat de begroting van de schade dient te gebeuren op basis van de netto-bedragen en dat hiervan de werkloosheidsuitkeringen dienen te worden afgetrokken die de eiseres voor dezelfde periode heeft ontvangen.
- Door aldus het door de eiseres gevorderde bedrag te verminderen, steunen de appelrechters niet op een exceptie die voor hen niet was aangevoerd, maar op feitelijke gegevens die aan hun oordeel waren onderworpen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het geding onder andere betrekking had op een vordering zoals bedoeld in artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het loutere feit dat de eiseres in hoger beroep afstand heeft gedaan van dit deel van de rechtsvordering belet niet de toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 1 februari 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100201.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110929.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120322.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180628.9 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210507.1N.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130325.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140123.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.12 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div