id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100204.9 Rolnummer: C.08.0596.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Insolventierecht - Internationaal privaatrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-04 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-07-02 23:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechterlijke instanties van de Lid-Staten kunnen met betrekking tot titel IV van het derde deel van het E.G.-Verdrag en de daarin genoemde handelingen van afgeleid recht gebruik maken van artikel 234 van dit verdrag, met dien verstande dat hun verwijzingsbevoegdheid beperkt wordt tot de rechters die een beslissing wijzen waartegen volgens het nationaal recht niet kan worden opgekomen; dit sluit de bevoegdheid uit van het hof van beroep om een prejudiciële vraag te stellen, als er nog een cassatieberoep mogelijk is tegen zijn beslissing
(1)E.G.-Verdrag, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding, op 1 december 2009, van het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en Slotakte (Wet 19 juni 2008, B.S. 19 feb. 2009, 15048). Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Handelingen van de instellingen - Uitlegging door het Hof van Justitie - Prejudiciële vraag - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Verwijzingsbevoegdheid - Beperking Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Europese Unie - Handelingen van de instellingen - Uitlegging door het Hof van Justitie - Prejudiciële vraag - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Verwijzingsbevoegdheid - Beperking Fiches 3 - 6 Wanneer een middel, voor het Hof, de vraag opwerpt of het begrip "de voorwaarden die gesteld worden" van artikel 3.4.a van de Insolventieverordening ook doelt op voorwaarden die slaan op de hoedanigheid of het belang van een persoon - zoals het openbaar ministerie van een andere Lid-Staat - om een insolventieprocedure aan te vragen dan wel of deze voorwaarden slechts betrekking hebben op de materiële voorwaarden om aan die procedure te worden onderworpen, stelt het Hof de vraag tot uitlegging van die bepaling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Voorwaarden - Openbaar ministerie - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.a Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Europese Unie - Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Voorwaarden - Openbaar ministerie - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.a Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Europese Unie - Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Voorwaarden - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.a Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Voorwaarden - Openbaar ministerie - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.a Fiches 7 - 9 Wanneer een middel, voor het Hof, de vraag opwerpt of de term 'schuldeiser' van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening ruim kan worden geïnterpreteerd, in die zin dat ook een nationale autoriteit, die, krachtens het recht van de Lid-Staat waartoe zij behoort, bevoegd is om een insolventieprocedure aan te vragen en optreedt in het algemeen belang en als vertegenwoordiger van het geheel van de schuldeisers, in voorkomend geval geldig de territoriale insolventieprocedure krachtens artikel 3.4.b van de Insolventieverordening zou kunnen aanvragen. stelt het Hof de vraag tot uitlegging van die bepaling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Schuldeiser - Nationale autoriteit - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.b Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Europese Unie - Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Schuldeiser - Nationale autoriteit - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.b Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Voorwaarden - Schuldeiser - Nationale autoriteit - Begrip - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.b Fiches 10 - 12 Wanneer een middel, voor het Hof, de vraag opwerpt of, indien de term schuldeiser ook kan slaan op een nationale autoriteit bevoegd om een insolventieprocedure aan te vragen, het noodzakelijk is, voor de toepassing van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening, dat die nationale autoriteit aantoont dat zij ageert in het belang van schuldeisers die zelf hun woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats hebben in het land van die nationale autoriteit, stelt het Hof de vraag tot uitlegging van die bepaling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Schuldeiser - Nationale autoriteit - Belang - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.b Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Europese Unie - Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Schuldeiser - Nationale autoriteit - Belang - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.b Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Transnationale insolventie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie - Algemeen Vrije woorden: Insolventieverordening - Insolventieprocedure - Opening - Voorwaarden - Schuldeiser - Nationale autoriteit - Belang - Uitlegging - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Art. 3.4.b Tekst van de beslissing Nr. C.08.0596.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, eiser, tegen ZAZA RETAIL bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1059CJ Amsterdam (Nederland), Pilotenstraat 32, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 oktober 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN Uit het bestreden arrest blijkt het volgende: 1. Op 14 november 2006 heeft de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren de faillietverklaring gevorderd van de vestiging in België van Zaza Retail bv, een vennootschap naar Nederlands recht, met Amsterdam als centrum van haar voornaamste belangen. 2. Op dat moment was nog geen insolventieprocedure geopend in Nederland. 3. De faillietverklaring is gevorderd ingevolge een onderzoek van ambtswege naar de toestand van de schuldenaar, krachtens artikel 10 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, waaruit bleek dat deze zich in staat van faillissement bevond. 4. De rechtbank van koophandel te Tongeren besloot bij vonnis van 4 februari 2008 tot de faillietverklaring van Zaza Retail bv. 5. Bij arrest van 9 oktober 2008 hervormde het hof van beroep te Antwerpen het vonnis van de rechtbank van koophandel en oordeelde het dat noch de rechtbank, noch het hof van beroep, terzake internationale bevoegdheid heeft om te oordelen over de gegrondheid van de gevorderde opening van een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure voor de vestiging van Zaza Retail bv in België. 6. De bv Zaza Retail is bij beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 8 juli 2008 failliet verklaard. III. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3 en 6 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - artikel 631 Gerechtelijk Wetboek; - artikel 118 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht; - de artikelen 3 en 4 van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 (in werking getreden op 31 mei 2002), hierna genoemde "de Europese Insolventieverordening". Aangevochten beslissingen Doordat in het bestreden arrest het (hof van beroep) zich zonder internationale bevoegdheid verklaart om te oordelen over de gegrondheid van de gevorderde opening van een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure voor de vestiging(
- en)van Zaza Retail bv in België op grond van volgende overwegingen "IV. ‘De internationale bevoegdheid van de Belgische rechters inzake internationale (grensoverschrijdende) faillissementen wordt bepaald door artikel 3 van de Europese Insolventieverordening en dit artikel dient, ter bepaling van de draagwijdte ervan, niet samen gelezen te worden met artikel 4 van de Europese Insolventieverordening. V. Op grond van de duidelijke tekst van de artikelen 3.4.
- a)en 3.4.
- b)van de Europese Insolventieverordening kan een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure (dus een vóór een hoofdprocedure geopende territoriale procedure) - er bestaat geen betwisting over het feit dat zulke procedure ook gevoerd werd voor de eerste rechter, hoewel het bestreden vonnis daarover niets zegt - enkel in twee gevallen geopend worden, met name: 1° wanneer een faillissement niet uitgesproken kan worden in het land van het centrum van de voornaamste belangen, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar de vereiste hoedanigheid niet bezit om failliet verklaard te worden. Als voorbeeld noemt het toelichtend rapport de niet-handelaar of een overheidsbedrijf dat aan een speciale regeling onderworpen is; 2° wanneer deze opening door een ‘gepriviligeerde schuldeiser' (met het oog op de bescherming van lokale belangen of een efficiënt beheer van de boedel) wordt gevraagd, waarbij artikel 3.4.
- b)een onderscheid maakt tussen twee categorieën van geprivilegieerde schuldeisers. De monopolie om een zelfstandige procedure aan te vragen wordt in eerste instantie toegekend aan de ‘plaatselijke schuldeisers', te weten de schuldeisers die gevestigd zijn in de Lid-staat waar de betrokken vestiging gelegen is. Daarnaast kunnen ook de schuldeisers optreden wiens vordering het resultaat is van de exploitatie van de vestiging, zoals bijv. een werknemer van de vestiging die in een andere Lid-staat woont. De monopolie toegekend aan voormelde schuldeisers wordt verklaard door hun belang om de plaatselijke lex concursus op hun vorderingen te zien toepassen. VI. Het openbaar ministerie is geen schuldeiser in de voormelde zin zoals bepaald in artikel 3.4.
- b)van de Europese Insolventieverordening en het feit dat het openbaar ministerie stelt dat hij ‘... bij de dagvaarding in faillietverklaring bij toepassing van artikel 10, §3, WGA de rol van bewaker van het algemeen belang vervult en als het ware optreedt in de plaats van de constitutionele of individuele schuldeisers die mogelijks stil blijven zitten' verandert daar niets aan. VII. Anderzijds blijkt uit niets dat het faillissement van Zaza Retail bv in Nederland niet uitgesproken kon worden en het tegendeel blijkt uit de vaststelling dat Zaza Retail bv inmiddels door de rechtbank van Amsterdam failliet werd verklaard. Het feit dat de procureur des Konings te Tongeren geen bevoegdheid zou hebben om in Nederland het faillissement van de Zaza Retail bv te vorderen is irrelevant voor de beoordeling van de rechtsvraag of de toepassingsvoorwaarde van artikel 3.4.
- a)al dan wel of niet vervuld is, nu voor de toepassing daarvan niet dient nagegaan te worden wie in Nederland de opening van een faillissementsprocedure kan aanvragen maar enkel dient nagegaan te worden of een faillissement in Nederland kon uitgesproken worden. Nu het antwoord daarop bevestigend luidt, was ook de voorwaarde van artikel 3.4.
- a)niet vervuld". Grieven Eerste onderdeel De artikelen 3 en 4 van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000, geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van het openbaar ministerie voorzien in artikel 6 van de Faillissementwet van 8 augustus 1997 om over te gaan tot dagvaarding in faillissement van de Zaza Retail bv, met zetel in Nederland doch met vestiging(
- en)in België, en de rechtbank van koophandel te Tongeren wel degelijk bevoegd laat om de faillietverklaring uit te spreken op dagvaarding van het openbaar ministerie van een schuldenaar wiens centrum van zijn voornaamste belangen gelegen zijn in een andere Lid-staat van de Europese Unie, doch die in Maasmechelen (België) een vestiging heeft, zelfs indien deze procedure voorafging aan de opening van een insolventieprocedure krachtens artikel 3, lid 1, van de Europese Insolventieverordening. Immers, de bevoegdheidsregels van de Europese Insolventieverordening bepalen alleen de internationale bevoegdheid, wat betekent dat zij de Lid-staat aanwijzen waarvan de rechter een insolventieprocedure mag openen. De territoriale bevoegdheid binnen de Lid-staat in kwestie wordt bepaald volgens het nationale recht van die Lid-staat. De toepasselijke Belgische wetgeving - die trouwens in overeenstemming werd gebracht met de regels vervat in de Europese Insolventieverordening - betreffen artikel 631 Gerechtelijk Wetboek, artikel 118 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht en artikel 3 van de Faillissementswet. Artikel 118 van het wetboek van internationaal privaatrecht stelt dat de Belgische rechters slechts bevoegd zijn om een insolventieprocedure te openen in de gevallen voorzien in artikel 3 van de Europese Insolventieverordening. Artikel 631 Gerechtelijk Wetboek bepaalt onder meer dat de rechtbank van koophandel bevoegd om een territoriaal of secundair faillissement uit te spreken, die is welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar de bedoelde vestiging bezit. Artikel 3, lid 1, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt: "Indien het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is in een andere Lid-staat van de Europese Unie, kan hij, indien hij in België een vestiging heeft, failliet verklaard worden overeenkomstig de bepalingen van de verordering (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures". De relevante bepalingen van de Europese Insolventieverordening betreffen de artikelen 3 en 4. Artikel 3, lid 2, van de Europese Insolventieverordening bepaalt uitdrukkelijk: "Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een Lid-staat gelegen is, zijn de rechters van een andere Lid-staat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde Lid-staat een vestiging bezit". Artikel 3, lid 4, van de Europese Insolventieverordening bepaalt: "De opening van een territoriale insolventieprocedure krachtens lid 2 kan slechts in de volgende gevallen aan de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 voorafgaan:
- a)wanneer de opening van een hoofdprocedure niet kan worden verkregen in verband met de voorwaarden die gesteld worden in de wetgeving van de Lid-staat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt;
- b)wanneer de opening van de territoriale insolventieprocedure is aangevraagd door een schuldeiser die zijn woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft in de Lid-staat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting". Artikel 4, lid 2, stelt: "Het recht van de Lid-staat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd ...". De procureur des Konings is op grond van artikel 6 van de Belgische faillissementswet bevoegd om over te gaan tot dagvaarding in faillissement: "Onverminderd de bepalingen van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord geschiedt de faillietverklaring bij vonnis van de rechtbank van koophandel waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, hetzij op aangifte van de koopman, hetzij op dagvaarding van een of meer schuldeisers, van het openbaar ministerie, van de voorlopige bewindvoerder als bedoeld in artikel 8 of van de curator van de hoofdprocedure in het geval (bedoeld in artikel 3, eerste lid)" (artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997). Deze bevoegdheid werd ingevoerd door de faillissementwet van 8 augustus 1997, wetgeving die trouwens niet los kan gezien worden van de wet van 17 juli 1997 inzake het gerechtelijk akkoord (WGA). Voorheen bestond de mogelijkheid tot ambtshalve faillietverklaring door de rechtbank van koophandel. Bij de invoering van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en de wet op het gerechtelijk akkoord werd de praktijk van de depistagediensten die binnen de rechtbanken van koophandel werden georganiseerd, geformaliseerd en werd tevens de ambtshalve faillietverklaring afgeschaft, maar werd anderzijds aan de parketten een nieuwe rol toebedeeld en werd aan het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven om door dagvaarding het faillissement uit te lokken. Blijkens de bewoordingen van de wet gelden de bevoegdheden van het openbaar ministerie "onverminderd de bepalingen van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord" (noot: in de verschillende stadia van de akkoordprocedure beschikt de rechtbank van koophandel thans ook nog over de mogelijkheid de schuldenaar "ambtshalve" failliet te verklaren na hem (en het OM) te hebben gehoord). De WGA institutionaliseerde aldus een (preventief) toezicht van overheidswege (door de kamer voor handelsonderzoeken). Teneinde evenwel de nodige gevolgen te kunnen verbinden aan het onderzoek van de kamer van handelsonderzoek dient uiteraard, in het algemeen belang en om de aantasting van het economisch weefsel te voorkomen, de mogelijkheid te worden voorzien om over te gaan tot het faillissement eens vastgesteld wordt dat de voorwaarden daartoe voorhanden zijn. Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd het ambtshalve faillissement afgeschaft en werd deze taak toebedeeld aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie vervult hierbij de rol van de bewaker van het algemeen belang en treedt als het ware op in de plaats van de constitutionele of individuele schuldeisers die mogelijks stil blijven zitten. De Europese regelgeving heeft uitdrukkelijk de mogelijkheid weerhouden om één of meerdere bijkomende (lees "territoriale") insolventieprocedures te openen die dan slechts uitwerking hebben binnen de betrokken Lid-staat. Een dergelijke procedure kan blijkens de Verordening diverse doelen dienen, waaronder in de eerste plaats uiteraard de bescherming van de lokale belangen. Op deze wijze wordt het gehuldigde universaliteitsbeginsel verzoend met de bescherming van de lokale belangen. Het is in deze optiek dat ook artikel 3, lid 4, van de Europese Insolventieverordening dient gelezen te worden. Met name wenst men een zelfstandige territoriale procedure, d.i. een territoriale procedure die opgestart wordt vóór er een (universele) hoofdprocedure is opgestart, te beperken tot het strikt noodzakelijke. Een dergelijke procedure wordt derhalve voorgehouden voor zogenaamde "gepriviligeerde schuldeisers" en kan slechts door hetzij de plaatselijke schuldeiser(
- s)hetzij de schuldeisers van de plaatselijke vestiging ("schuldeisers wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting") of voor de gevallen waarin het recht van de Lid-staat waar de schuldenaar het centrum van zijn belangen heeft, niet toelaat een hoofdprocedure te openen. De termen "plaatselijke schuldeiser" of "schuldeiser" wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting, kan hierbij niet eng geïnterpreteerd worden. Een nationale autoriteit, in casu het openbaar ministerie kan de opening van dergelijke procedure wel degelijk aanvragen, voor zover deze aanvraag gebaseerd is op uit een rechterlijk handelsonderzoek gereveleerde vordering(
- en)van publieke en privaatrechtelijke schuldeiser(
- s)die zijn (hun) woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft (hebben) in de Lid-staat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging gelegen is of op vorderingen die het resultaat zijn van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting en waarbij de betrokken nationale autoriteit derhalve optreedt in het belang van meerdere betrokken schuldeisers. In casu werd conform de Belgische wetgeving een onderzoek van ambtswege geopend door de kamer voor handelsonderzoek op basis van de gegevens verstrekt door de fiscale en sociale overheden en op basis van de beslagberichten. Op het einde van dit onderzoek werd conform artikel 10, §3, WGA verslag opgesteld waarbij werd geconcludeerd dat de faillissementsvoorwaarden waren voldaan en werd dit verslag overgemaakt aan de procureur des Konings met het oog op eventuele dagvaarding in faillissement. Het vorderingsrecht van de procureur des Konings om op te treden ligt daarenboven vervat in de slotzin van artikel 3, lid 4, van de Europese Insolventieverordening, met name dat de vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting. Tweede onderdeel De uitzondering voorzien in artikel 3, lid 4a), is eveneens van toepassing op de dagvaarding in faillissement uitgebracht door het openbaar ministerie, aangezien het openbaar ministerie de opening van een hoofdprocedure niet kon verkrijgen in de Lid-staat waar de schuldenaar zijn centrum van voornaamste belangen heeft, nu het openbaar ministerie geen enkele bevoegdheid heeft om in het buitenland een dagvaarding in faillissement in te leiden. Het antwoord op de beide onderdelen van het eerste middel lijkt slechts te kunnen opgelost worden door een uitlegging van artikel 3 van de Europese Insolventieverordening. Deze uitlegging behoort tot de uitsluitende bevoegheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Ingevolge de artikelen 68 en 234 van het EG-Verdrag, lijken deze prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie dienen voorgelegd te worden. Zodat het hof van beroep in haar arrest een verkeerde interpretatie gaf aan artikel 3, lid 4a) en
- b)van de Europese Insolventieverordening en niet vermocht zich zonder internationale bevoegdheid te verklaren. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 138, 138bis, 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Doordat in het bestreden arrest het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van beide aanleggen werd veroordeeld, voor Zaza Retail bv vastgesteld op 1.200,00 euro (basisrechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + 1.200,00 euro (basisrechtsplegings-vergoeding hoger beroep) = 2.400,00 euro. Grieven Voor zover een veroordeling tot de kosten kon worden uitgesproken, had de Belgische Staat in de kosten had dienen verwezen te worden wanneer, in burgerlijke zaken, het openbaar ministerie in het ongelijk werd gesteld op een van ambtswege ingestelde rechtsvordering (Cass. 9 september 1999, Arr. Cass, 1999, 1076). Het hof van beroep veroordeelde ten onrechte het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van beide aanleggen. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 68 en 234 van het EG-Verdrag. Aangevochten beslissingen Het (hof van beroep) ging niet in op de door het openbaar ministerie gewenste prejudiciële vraagstelling op grond van de overweging dat artikel 68 EG-Verdrag het recht om een prejudiciële vraag te stellen slechts toekent aan de instanties die in laatste aanleg zetelen, d.w.z. voor België aan het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en de Raad van State en de gewone prejudiciële procedure (artikel 234 EG-Verdrag) niet geldt. Grieven Artikel 68, lid 1, stelt enkel: "artikel
(234)is van toepassing op deze titel onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van deze titel of de geldigheid of de uitlegging van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen". Maar hieruit kan niet afgeleid worden dat de prejudiciële procedure niet zou kunnen toegepast worden door een instantie die oordeelt in hoger beroep. Het hof van beroep achtte zich op grond van de door haar weerhouden motieven ten onrechte niet bevoegd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel 1. Verordening 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: de Insolventieverordening) is een maatregel genomen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, zoals bepaald in artikel 61, c), van het toen toepasselijke EG-Verdrag. Artikel 61 van dit EG-Verdrag maakt deel uit van titel IV van het derde deel van dit verdrag, die de instellingen bevoegdheid verleent voor de uitvoering van beleid op het gebied van het vrije verkeer van personen. Artikel 68 van het toen toepasselijke EG-Verdrag bepaalt dat artikel 234 van dit verdrag van toepassing is op deze titel onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van deze titel of de geldigheid of de uitlegging van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. 2. De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen derhalve met betrekking tot titel IV van het derde deel van het genoemde EG-Verdrag en de daarin genoemde handelingen van afgeleid recht gebruik maken van artikel 234 van dit verdrag, met dien verstande dat hun verwijzingsbevoegdheid beperkt wordt tot de rechters die een beslissing wijzen waartegen volgens het nationaal recht niet kan worden opgekomen. Dit sluit de bevoegdheid uit van het hof van beroep om een prejudiciële vraag te stellen, als er nog een cassatieberoep mogelijk is tegen zijn beslissing. 3. Het hof van beroep vermocht derhalve op grond van artikel 68 van het genoemde EG-Verdrag te oordelen dat het terzake niet kan ingaan op de door het openbaar ministerie gewenste prejudiciële vraagstelling. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel Eerste onderdeel 4. Volgens het bestreden arrest kon het openbaar ministerie krachtens artikel 3.4.b van de Insolventieverordening het faillissement niet vorderen van de Belgische vestiging van Zaza Retail bv bij de rechtbank van koophandel te Tongeren. De appelrechters oordelen dat op grond van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening, "een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure (dus een vóór een hoofdprocedure geopende territoriale procedure)" enkel geopend kan worden "wanneer deze opening door een ‘gepriviligieerde' schuldeiser (met het oog op de bescherming van lokale belangen of een efficiënt beheer van de boedel) wordt aangevraagd, waarbij artikel 3.4.b een onderscheid maakt tussen twee categorieën van gepriviligieerde schuldeisers. (Het) monopolie om een zelfstandige procedure aan te vragen wordt in eerste instantie toegekend aan de ‘plaatselijke schuldeisers', te weten de schuldeisers die gevestigd zijn in de Lid-staat waar de betrokken vestiging gelegen is. Daarnaast kunnen ook de schuldeisers optreden wiens vordering het resultaat is van de exploitatie van de vestiging, zoals bijvoorbeeld een werknemer van de vestiging die in een andere Lid-staat woont. (Het) monopolie toegekend aan voormelde schuldeisers wordt verklaard door hun belang om de plaatselijke lex concursus op hun vorderingen te zien toepassen". 5. De eiser houdt voor dat de term "schuldeiser" van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening niet eng kan worden geïnterpreteerd. De eiser benadrukt dat het openbaar ministerie ook een dagvaarding in faillietverklaring kan instellen. In deze hoedanigheid vervult het openbaar ministerie, volgens de eiser, de rol van de bewaker van het algemeen belang en treedt het als het ware op in de plaats van de institutionele of individuele schuldeisers die zelf niet optreden. Om deze reden zou het openbaar ministerie ook de opening van de insolventieprocedure op grond van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening moeten kunnen aanvragen. De aanvraag moet volgens de eiser gebaseerd zijn "op uit een rechterlijk handelsonderzoek gereveleerde vordering van publieke en privaatrechtelijke schuldeisers die hun woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats hebben in de Lid-staat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of op vorderingen die het resultaat zijn van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting en waarbij de betrokken nationale autoriteit optreedt in het belang van meerdere betrokken schuldeisers". 6. Artikel 3 van de Insolventieverordening bepaalt: "1. De rechters van de Lid-staat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. 2. Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een Lid-staat gelegen is, zijn de rechters van een andere Lid-staat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde Lid-staat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die Lid-staat bevinden. (...) 4. De opening van een territoriale insolventieprocedure krachtens lid 2 kan slechts in de volgende gevallen aan de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 voorafgaan: (...)
- b)wanneer de opening van de territoriale insolventieprocedure is aangevraagd door een schuldeiser die zijn woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft in de Lid-staat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting". 7. Punt 17 van de preambule aan verordening 1346/2000 verduidelijkt dat voordat er een hoofdprocedure is geopend, het recht om een insolventieprocedure aan te vragen in de Lid-staat waar de schuldenaar een vestiging heeft, uitsluitend geldt voor plaatselijke schuldeisers en schuldeisers van de plaatselijke vestiging. Die beperking is ingegeven door de wens om de gevallen waarin een territoriale procedure wordt aangevraagd voordat er een hoofdprocedure is aangevraagd tot het hoogstnoodzakelijke te beperken. Zodra er een hoofdprocedure wordt geopend, wordt de territoriale procedure een secundaire procedure. Het toelichtend rapport Virgos-Schmit bij de Insolventieverordening benadrukt dat de territoriale insolventieprocedure van artikel 3.4 van de Insolventieverordening het belang van de plaatselijke schuldeisers en het openbaar belang dient. 8. De beperkingen die voorzien zijn in verband met de territoriale procedures zijn niet overgenomen in verband met de secundaire procedures. De artikelen 27 en 29 van de Insolventieverordening bepalen dat de secundaire insolventie kan worden aangevraagd door zowel de curator van de hoofdprocedure, als elke andere persoon of autoriteit die krachtens het recht van de Lid-staat op het grondgebied waarvan de secundaire procedure wordt aangevraagd, bevoegd is om een insolventieprocedure aan te vragen. 9. De vraag rijst of het openbaar ministerie kan beschouwd worden in de zin van de Insolventieverordening als een "schuldeiser" die zijn woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft in de Lid-staat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting. Hiervoor is relevant welke de rechtspositie van het openbaar ministerie is bij de aanvraag tot faillissement. Krachtens artikel 6 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, geschiedt de faillietverklaring bij vonnis van de rechtbank van koophandel waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, hetzij op aangifte van de koopman, hetzij op dagvaarding van een of meer schuldeisers, van het openbaar ministerie, van de voorlopige bewindvoerder als bedoeld in artikel 8 van die wet of van de curator van de hoofdprocedure in het geval bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was, na de afschaffing van de ambtshalve faillietverklaring, toch de procedure in faillietverklaring te behouden, anders dan die op aangifte of dagvaarding door de schuldeisers. De wetgever koos ervoor dit initiatiefrecht in handen van het openbaar ministerie te geven "in het algemene kader van het openbaar belang". Op deze wijze treedt het openbaar ministerie niet enkel op in het algemeen belang maar ook om de belangen van het geheel van de schuldeisers te vrijwaren, zonder echter op te treden in naam en voor rekening van die schuldeisers. Het treedt ook op om, in het belang van de openbare orde, de nadelen op te vangen van het stilzitten van de schuldeisers die meestal geen belang hebben om een faillissement van de debiteur te vorderen. 10. De vraag rijst of de term "schuldeiser" van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening kan worden geïnterpreteerd, in die zin dat ook het openbaar ministerie, dat krachtens het Belgisch recht bevoegd is om een faillissement aan te vragen, in voorkomend geval geldig de territoriale insolventieprocedure krachtens artikel 3.4.b van de Insolventieverordening zou kunnen aanvragen. 11. Die vraag kan slechts worden opgelost door een uitlegging van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening. Het onderdeel werpt dus een probleem op dat tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie behoort. Ingevolge artikel 267, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is het Hof in de regel verplicht een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Tweede onderdeel 12. De eiser houdt voor dat de uitzondering voorzien in artikel 3.4.a eveneens terzake van toepassing is op de dagvaarding in faillissement gevorderd door het openbaar ministerie, aangezien het openbaar ministerie - bij gebrek aan bevoegdheid - de opening van een hoofdprocedure niet kon verkrijgen in Nederland, zijnde de Lid-staat waar de schuldenaar zijn centrum van voornaamste belangen heeft. 13. Het bestreden arrest oordeelt dat het feit dat de procureur des Konings te Tongeren geen bevoegdheid zou hebben om in Nederland het faillissement van Zaza Retail bv te vorderen irrelevant is voor de beoordeling van de rechtsvraag of de toepassingsvoorwaarde van artikel 3.4.a van de Insolventieverordening al dan niet vervuld is. Voor de toepassing van vermeld artikel 3.4.a dient, volgens de appelrechters, niet nagegaan te worden wie in Nederland de opening van een faillissementsprocedure kan aanvragen maar enkel of een faillissement in Nederland kan uitgesproken worden. 14. Artikel 3.4. aanhef en a, van de Insolventieverordening bepaalt: "De opening van een territoriale insolventieprocedure krachtens lid 2 kan slechts in de volgende gevallen aan de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 voorafgaan: (...)
- a)wanneer de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 niet kan worden verkregen in verband met de voorwaarden die gesteld worden in de wetgeving van de Lid-staat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt". 15. Punt 17 van de preambule aan van de Insolventieverordening verduidelijkt dat voordat er een hoofdprocedure is geopend, het recht geldt om een insolventieprocedure aan te vragen in de Lid-staat waar de schuldenaar een vestiging heeft, voor gevallen waarin het recht van de Lid-staat waar de schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen heeft, niet toelaat een hoofdprocedure te openen. Het toelichtend rapport Virgos-Schmit bij de Insolventieverordening stelt dat dit mogelijk is als de schuldenaar de vereiste hoedanigheid niet bezit om failliet verklaard te worden. Als voorbeelden daarvan noemt het rapport de niet-handelaar of een overheidsbedrijf dat aan een speciale regeling is onderworpen. 16. De vraag rijst of het begrip "de voorwaarden die gesteld worden" ook doelt op voorwaarden die slaan op de hoedanigheid of het belang van een persoon - zoals een lid van het openbaar ministerie van een andere Lid-staat - om een insolventieprocedure aan te vragen dan wel of de voorwaarden slechts betrekking hebben op de materiële voorwaarden om aan die procedure te worden onderworpen. 17. Die vraag kan slechts worden opgelost door een uitlegging van artikel 3.4.a van de Insolventieverordening. Het onderdeel werpt dus een probleem op dat tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie behoort. Ingevolge artikel 267, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is het Hof in de regel verplicht een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan: 1. Doelt het begrip "de voorwaarden die gesteld worden" van artikel 3.4.a van de Insolventieverordening ook op voorwaarden die slaan op de hoedanigheid of het belang van een persoon - zoals het openbaar ministerie van een andere Lid-staat - om een insolventieprocedure aan te vragen dan wel of deze voorwaarden slechts betrekking hebben op de materiële voorwaarden om aan die procedure te worden onderworpen. 2. Kan de term ‘schuldeiser' van artikel 3.4.b van de Insolventieverordening ruim worden geïnterpreteerd, in die zin dat ook een nationale autoriteit, die, krachtens het recht van de Lid-staat waartoe zij behoort, bevoegd is om een insolventieprocedure aan te vragen en optreedt in het algemeen belang en als vertegenwoordiger van het geheel van de schuldeisers, in voorkomend geval geldig de territoriale insolventieprocedure krachtens artikel 3.4.b van de Insolventieverordening zou kunnen aanvragen. 3. Indien de term schuldeiser ook kan slaan op een nationale autoriteit bevoegd om een insolventieprocedure aan te vragen, is het noodzakelijk voor de toepassing van artikel 3, 4.b van de Insolventieverordening dat die nationale autoriteit aantoont dat zij ageert in het belang van schuldeisers die zelf hun woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats hebben in het land van die nationale autoriteit? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en op de openbare terechtzitting van 4 februari 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100204.9 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div