← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.3 Rolnummer: F.08.0095.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-03-04 Raadplegingen: 503 - laatst gezien 2026-07-02 21:23 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.3 Fiche 1 Artikel 263, § 1, 3° van het W.I.B.

(1992)sluit uit dat de administratie een belasting of aanvullende belasting zou vestigen voor belastbare inkomsten, die niet werden aangegeven meer dan vijf jaar voor het jaar waarin de rechtsvordering, waaruit de niet-aangifte blijkt, is ingesteld; het laat de administratie wel toe, binnen de verlengde termijn, ook de inkomsten te belasten, die na het instellen van de rechtsvordering niet werden aangegeven en waarvan het bestaan door die vordering aan het licht is gebracht
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering wijzend op het bestaan van niet aangegeven inkomsten - Bijzondere aanslagtermijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 263, § 1, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering wijzend op het bestaan van niet aangegeven inkomsten - Bijzondere aanslagtermijn Tekst van de beslissing Nr. F.08.0095.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de gewestelijke directie Antwerpen I, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder Paul De Belder, met kantoor te 9120 Beveren-Waas, Stationsstraat 62, eiser, tegen
  1. V.O.W.,
  2. V.D. R., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 september 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest stelt vast dat de betwiste aanslagen, waaronder deze voor het aanslagjaar 1978, gevestigd werden op grond van een gerechtelijk strafonderzoek waarvan niet betwist wordt dat het werd ingesteld in
  3. Artikel 263, §1, 3°, WIB64 voorziet een buitengewone aanslagtermijn ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren voor het jaar waarin de rechtsvordering is ingesteld. Volgens het bestreden arrest betekent dit dat op basis van de rechtsvordering die werd ingesteld in 1978, onder de buitengewone termijn van artikel 263, §1, 3°, WIB64 nog slechts de inkomsten kunnen worden belast die in 1977, 1976, 1975, 1974 en 1973 moesten worden aangegeven. Vermits voor de personenbelasting de aangifte moet gebeuren in het aanslagjaar, zijnde het jaar volgend op het inkomstenjaar, zijn die jaren 1977, 1976, 1975, 1974 en 1973 de aanslagjaren, en hebben dus betrekking op de respectievelijke inkomstenjaren 1976, 1975, 1974, 1973 en
  4. Het bestreden arrest besluit dat op basis van de gegevens uit de rechtsvordering die in 1978 werd ingesteld krachtens artikel 263, §1, 3°, WIB64 geen aanslag kon worden gevestigd voor het aanslagjaar 1978, inkomstenjaar
  5. Het bestreden arrest vernietigt om die reden de aanslag voor het aanslagjaar 1978 met kohierartikel 430.
  6. Grieven Schending van artikel 263, §1, 3° en §2, 3°, WIB
  7. Artikel 263, §1, 3°, WIB64 bepaalt dat: "De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn is verstreken ingeval: (...) 3°. een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld". Artikel 263, §2, 3° WIB64 bepaalt dat: "In die gevallen moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum: (...) 3° waarop tegen de beslissing over de in §1, 3° genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend". Artikel 263 WIB64 is opgenomen onder Afdeling 1 "Aanslagtermijn" van Hoofdstuk 6 "Aanslag" van Titel 7 "Vestiging en invordering van de belastingen" van het WIB
  8. Uit de plaats in het WIB64 blijkt dat dit artikel als doel heeft in de gevallen erin bepaald, de administratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Voor de toepassing van deze uitgebreide vestigingstermijn is enkel vereist dat een rechtsvordering uitwijst dat inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld. De tekst van de wet bepaalt echter niet dat de uitgebreide aanslagtermijn enkel voor die jaren geldt. Dat artikel bepaalt enkel hoever de fiscus in de tijd kan teruggaan wanneer een rechtsvordering niet aangegeven inkomsten aan het licht heeft gebracht, namelijk tot 5 jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld. Anders oordelen zou inhouden dat inkomsten die zijn uitgewezen door de rechtsvordering maar die betrekking hebben op een jaar na de in dit artikel aangeduide periode van 5 jaar, niet belast zouden kunnen worden binnen de termijn van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend (artikel 263, §2, 3° WIB64). Deze bepaling stelt geen verbod in om een aanslag te vestigen waarbij gebruik gemaakt wordt van de in artikel 263, §2, 3° WIB64 bepaalde bijzondere aanslagtermijn (twaalf maanden vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de in artikel 263, §1, 3° WIB64 genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend) om de inkomsten te belasten die niet werden aangegeven na het instellen van de rechtsvordering of tijdens het jaar van het instellen van de rechtsvordering, voor zover het bestaan ervan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering. Dit standpunt wordt bevestigd door uw Hof in het arrest van 18 oktober 2007 (inzake M.-P., F.06.0086.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5) waarin wordt gesteld dat: "Artikel 358 (WIB92, voorheen artikel 263 WIB64) heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de administratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Dit artikel laat aan de administratie niet toe verder terug te gaan dan tot de inkomsten van één van de vijf jaren die het instellen van de rechtsvordering voorafgaan die de niet-aangifte van belastbare inkomsten heeft uitgewezen. Dit artikel sluit evenwel niet uit dat de administratie ook de inkomsten belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven en waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door die rechtsvordering". Door te beslissen dat overeenkomstig artikel 263, §1 WIB64 voor het aanslagjaar 1978 geen aanslag kon gevestigd worden op basis van de gegevens uit de rechtsvordering die in 1978 werd ingesteld, schendt het bestreden arrest de artikelen 263, §1, 3° en 263, §2, 3° WIB
  9. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  10. Krachtens artikel 263, §1,3°, WIB64, zoals gewijzigd door de wet van 5 januari 1976 en aangevuld door de wet van 22 december 1977, mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld. Krachtens §2,3°, van dit artikel, moet de belasting in dat geval worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend.
  11. Voormeld artikel 263 heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de admini¬stratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Het derde lid van paragraaf 1 sluit uit dat de administratie een belasting of aanvullende belasting zou vestigen voor belastbare inkomsten, die niet werden aangege¬ven meer dan vijf jaar voor het jaar waarin de rechtsvordering, waaruit de niet-aangifte blijkt, is ingesteld. Het laat de administratie wel toe, binnen de verlengde termijn, ook de inkomsten te belasten, die na het instellen van de rechtsvordering niet werden aangegeven en waarvan het bestaan door die vordering aan het licht is gebracht.
  12. De appelrechters, die vaststellen dat de bestreden aanslagen gevestigd werden op grond van een gerechtelijk strafonderzoek dat werd ingesteld in 1978, hebben niet naar recht kunnen beslissen dat op basis van de gegevens uit de rechtsvordering, krachtens voormeld artikel 263, §1,3°, geen aanslag kon worden gevestigd voor het aanslagjaar
  13. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de aanslag met kohierartikel 430.101 voor het aanslagjaar 1978 vernietigt, de terugbetaling beveelt van het ingevolge die vernietiging eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de verwijlrente en oordeelt nopens de gerechtskosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 11 februari 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131017.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.