id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1382
Fiches 2 - 3 Wanneer de Staat schade lijdt aan een haar toebehorende zaak die niet wordt aangewend voor activiteiten die aan de B.T.W. zijn onderworpen is de Staat gerechtigd om de op de herstelkosten verschuldigde B.T.W. op de aansprakelijke te verhalen; de omstandigheid dat de B.T.W. uiteindelijk aan de Staat ten goede komt, doet hieraan geen afbreuk aangezien de aan de Staat toekomende belastingen en de hem toekomende schadevergoeding op verschillende rechtsgronden steunen en een verschillend voorwerp hebben
(1).
(1)Zie Cass., 29 mei 1973, A.C., 1973, 949. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Zaakschade FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) Vrije woorden: Schade geleden door de Staat - B.T.W. - Verhaal op de aansprakelijke - Aan de Staat toekomende belastingen Wettelijke bepalingen:
Art. 1382Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art.
2 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Zaakschade FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) Vrije woorden: Schade geleden door de Staat - B.T.W. - Verhaal op de aansprakelijke - Aan de Staat toekomende belastingen Wettelijke bepalingen:
Art. 1382Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art.
2 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0028.N BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, verzekeringsmaatschappij, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen, op 1 maart 2006 en op 2 april 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 25 januari 2010 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, hierna kortweg het KB; - artikelen 1 en 4 van de wet van 13 juni 1961 betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten, hierna kortweg de Wet. Aangevochten beslissing Na te hebben vastgesteld dat de verweerster in graad van beroep niet langer betwistte gehouden te zijn tot het verlenen van dekking voor de schadelijke gevolgen van een ongeval van 16 oktober 1999 tussen het voertuig waarvan zij de burgerrechtelijke aansprakelijkheid verzekert en een dienstvoertuig van de rijkswacht, toebehorend aan de eiser en deze laatste als schadelijdende partij onder meer "een bedrag van 28.070,58 euro aan voertuigschade (vordert)", waarvan de verweerster volgende "posten (betwist): btw op waarde van het voertuig voor het ongeval: 4.765,80 euro; btw op overbouw radio en Gd-uitrusting: 74,37 euro(...)", beslist het bestreden vonnis van 1 maart 2006 dat de eiser "derhalve vooralsnog niet aan(toont) op basis van welke wettelijke reglementering (hij) gerechtigd is van de veroorzaker van de schade terugbetaling van de betaalde btw te vorderen, alhoewel dit bedrag aan (hem) door de ontvanger ervan (is de hersteller/verkoper) zal worden teruggestort. De debatten dienen derhalve desbetreffend te worden heropend, teneinde partijen toe te laten hierover verder standpunt in te nemen". Die beslissing steunt op de volgende motieven: "(de eiser) verwijst naar een arrest uitgesproken door het Hof van Cassatie op 29 mei 1973 (...) om aan te tonen dat (hij), wanneer (hij) gehouden is herstellingen te betalen met inbegrip van BTW, terugbetaling van deze belasting over de toegevoegde waarde kan vorderen van de veroorzaker van de schade, ook al is dit bedrag ten voordele gekomen van de Staat. Het Hof van Cassatie beoordeelde in de voorliggende betwisting de toepasselijkheid van de wet van 15 mei 1846 op de rijkscomptabiliteit, tengevolge waarvan, alhoewel de Staat slechts een enkel patrimonium bezat, dit onderworpen was aan bijzondere regels waardoor iedere compensatie tussen de diverse ministeriële departementen uitgesloten was. Voormelde wet van 15 mei 1846 is evenwel opgeheven. De rijkscomptabiliteit wordt thans geregeld door de wet van 17 juli 1991". Grieven Artikel 1 van het koninklijk besluit bepaalt het volgende: "De hierna genoemde bepalingen, met inachtneming van de wijzigingen die ze hebben ondergaan, worden gecoördineerd volgens de bij dit besluit gevoegde tekst: (...) 2° de wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit, gewijzigd bij de wetten van 8 april 1857, 20 juli 1921, 13 juli 1930, bij het koninklijk besluit nr. 34 van 13 november 1934, bij de wetten van 14 oktober 1946, 5 maart 1952, 28 juni 1989 en 22 november 1989; (...) 9° de wet van 28 juni 1963 tot wijzigingen en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gewijzigd bij de wetten van 31 december 1966, 22 december 1977, 2 juli 1981, bij de koninklijke besluiten nr. 402 en 403 van 18 april 1986, bij de wet van 17 maart 1987 en bij de wet van 28 juni 1989; (...)". Conform dat artikel zijn de bepalingen van de wetten van 15 mei 1846 en 28 juni 1963 aldus niet opgeheven geworden. Ze zijn enkel gecoördineerd geworden door de Koning in toepassing van de artikelen 1 en 4 van de Wet. Daar waar opheffingsbepalingen ertoe strekken bestaande teksten uit het geldende recht te doen verdwijnen, geldt dit niet voor coördinatiebepalingen. Deze hebben alleen tot doel verspreid liggende wettelijke bepalingen die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp te ordenen tot een methodisch geheel. Artikel 1 van de Wet verleent daartoe de bevoegdheid aan de Koning en artikel 4 van de Wet verplicht hem tot verwijzingen aan de hand waarvan de oorspronkelijke teksten kunnen worden teruggevonden. Het vonnis van 1 maart 2006 dat aan de eiser het recht ontzegt op terugbetaling der gevorderde btw-posten op grond dat de wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit werd opgeheven, daar waar de bepalingen ervan door artikel 1 van het koninklijk besluit alleen werden gecoördineerd, schendt artikel 1 van het koninklijk besluit, alsmede de artikelen 1 en 4 van de Wet.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 2, inzonderheid lid 1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, hierna kortweg btw-wetboek; - de artikelen 2, 3 en 28 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991, coördinatie bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, zoals in voege vóór de opheffing ervan bij wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, hierna kortweg de gecoördineerde Wetten. Aangevochten beslissing Na te hebben vastgesteld dat de eiser van de verweerster, "als verzekeraar van de schadeveroorzakende partij, (betaling vordert) van de door (hem) gedragen bedragen aan btw op de waarde van het voertuig voor het ongeval, zijnde 4.765,80 euro en (...) op de overbouw van de radio en Gd-uitrusting, zijnde 74,37 euro" en "in het tussenvonnis van deze rechtbank van 1 maart 2006 (...) reeds (werd) geoordeeld dat de (...) wetten (van 15 mei 1846 en 28 juni 1963) waarnaar ín de (door de eiser ingeroepen) cassatierechtspraak werd verwezen, opgeheven zijn en de rijkscomptabiliteit thans wordt geregeld door de Gecoördineerde Wet van 17 juli 1991", verklaart het bestreden vonnis van 2 april 2008 voormelde punten van de vordering van de eiser ongegrond. De rechtbank motiveert die beslissing als volgt: "(De eiser) verwijst naar de tweede grond waarop het Hof van Cassatie in de voornoemde rechtspraak zich heeft gesteund om te oordelen dat de Staat gerechtigd is om de btw van de schadeveroorzaker te vorderen, met name dat enerzijds de terugvordering van de door (hem) betaalde btw en anderzijds de inning van dezelfde btw van de garagist-hersteller op twee verschillende rechtsgronden en oorzaken gebaseerd zijn, met name op buitencontractuele grondslag enerzijds en op grond van de fiscale wetgeving anderzijds. Krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is de schadelijder gerechtigd op integrale vergoeding van alle door hem geleden schade, die in oorzakelijk verband staat met het ongeval. Opdat de btw, door de schadelijder te betalen op de door hem geleden voertuigschade, als schade kan worden beschouwd en dus in aanmerking kan komen voor vergoeding, is vereist dat de schadelijder geen btw-plichtige is, met name een persoon die het bedrag van deze belasting niet mag aftrekken of er de teruggave niet kan van bekomen vanwege de Staat. Afhankelijk van het btw-statuut van de benadeelde, zal de betaalde btw aldus al dan niet een bestanddeel uitmaken van de te vergoeden schade. Met andere woorden, indien de benadeelde op grond van de fiscale wetgeving in de mogelijkheid is om de door hem betaalde btw af te trekken of te recupereren, zal de betaalde btw geen deel uitmaken van de naar aanleiding van het ongeval geleden schade. De schadeveroorzaker dient immers enkel de btw te vergoeden in de mate waarin deze door de benadeelde niet kan worden gerecupereerd, vermits anders de benadeelde een bijkomend voordeel zou realiseren, hetgeen een oververgoeding zou uitmaken van de onrechtmatige daad die is begaan. De Staat is in beginsel niet btw-belastingplichtig, op enkele uitzonderingen na, die thans niet van toepassing zijn, en dient evenzeer als een particulier-niet btw-plichtige de btw op de factuur tot vervanging of herstelling van (zijn) beschadigd dienstvoertuig te voldoen. Het is evenwel tegenstrijdig aan te nemen dat enerzijds de benadeelde die btw-belastingplichtig is, op grond van de fiscale wetgeving, geen btw als bestanddeel van zijn schade kan vorderen van de schadeveroorzaker, en anderzijds de benadeelde Staat, die in beginsel wel niet btw-belastingplichtig is, doch wel de btw van de garagist-hersteller int, op grond van diezelfde fiscale wetgeving, wel btw als bestanddeel van haar schade kan vorderen. Het patrimonium van de Belgische Staat, dat er slechts één is, is niet verarmd door de betaling van de btw die de Belgische Staat heeft uitgevoerd ten aanzien van de garagist-hersteller, vermits deze laatste verplicht is op grond van de fiscale wetgeving diezelfde btw door te storten aan de Belgische Staat. Daar waar de Belgische Staat (zijn) schade dient te bewijzen, komt het dan ook (hem) toe te bewijzen dat (zijn) patrimonium verarmd is, hetgeen (hij) thans niet doet. Het blijkt immers niet dat (hij) de btw, die de leverancier aan (hem) ingevolge de fiscale wetgeving diende door te storten, heeft moeten derven". Grieven Diegene aan wie door een onrechtmatige daad schade is berokkend, heeft bij toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek recht op algeheel herstel daarvan. Dit houdt in dat, wanneer teruggave van een zaak niet mogelijk is, de benadeelde recht heeft op het bedrag dat nodig is om terug een gelijkaardige zaak te bezitten. Wanneer de benadeelde geen btw-plichtige is omvat dat bedrag ook de belasting over de toegevoegde waarde die verschuldigd is om terug een gelijkaardige zaak te bezitten. De benadeelde kan vrij over dat bedrag beschikken en dit met inbegrip van bedoelde belasting. Het voorgaande geldt ook voor de eiser wanneer deze, zoals inzake het geval is en werd aangenomen in het bestreden vonnis van 2 april 2008, niet btw-plichtig is en het terug bezitten van een gelijkaardige zaak met de betaling van btw gepaard gaat. De omstandigheid dat de door de eiser betaalde btw uiteindelijk aan de Staat, minister van financiën, ten goede zal komen is daarbij van geen belang. Deze vindt immers haar oorzaak in de belastingwet en de uitgevoerde werken of geleverde goederen tot herstel van de schade, door de verweerster veroorzaakt, is een economische bedrijvigheid die onder toepassing valt van de btw, zodat de grond en het voorwerp van dit voordeel en die van de gevorderde schadevergoeding verschillen. Krachtens de artikelen 2, 3 en 28 van de gecoördineerde Wetten mogen overigens tussen de ontvangsten en de uitgaven van de verschillende departementen geen compensatie en geen dubbel geboekte posten voorkomen. Indien de eiser niet gerechtigd zou zijn om de btw die hij heeft betaald, terug te vorderen van de verweerster, dan zou zijn schade niet algeheel zijn vergoed nu die belasting hem alsdan wordt ontzegd. Tevens zou dat compensatie met zich brengen tussen uitgaven en inkomsten van verschillende departementen. Niettegenstaande het bestreden vonnis van 2 april 2008 aanneemt dat de eiser niet btw-plichtig is en net als een particulier btw dient te betalen op geleverde goederen of uitgevoerde werkzaamheden, wijst het toch de vordering van de eiser tot terugbetaling van de btw af omdat deze uiteindelijk aan de Belgische Staat zal worden doorgestort. Het vonnis ontzegt aldus aan de eiser het recht op het innen van de belasting over de toegevoegde waarde en het recht op volledige schadevergoeding en schendt de artikelen 2, inzonderheid eerste lid, van het btw-wetboek en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Het schendt tevens de artikelen 2, 3 en 28 van de gecoördineerde Wetten die geen compensatie, noch boeking van dubbele posten toelaten tussen de ontvangsten en de uitgaven van de verschillende departementen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- In hun tussenvonnis van 1 maart 2006 oordelen de appelrechters dat de eiser niet aantoont op welke grondslag hij gerechtigd is de terugbetaling van de btw te vorderen. Het middel dat ervan uitgaat dat het tussenvonnis, de eiser het recht ontzegt op de terugbetaling van de btw op grond dat de wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit werd opgeheven, berust op een onjuiste lezing van het vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede middel
- De Staat die schade lijdt door een onrechtmatige daad, heeft recht op de integrale vergoeding van de geleden schade.
- In principe omvat bij zaakschade, de schadevergoeding van de benadeelde die geen btw-plichtige is, ook de btw.
- Wanneer de Staat schade lijdt aan een haar toebehorende zaak die niet wordt aangewend voor activiteiten die aan de btw zijn onderworpen, is de Staat gerechtigd om de op de herstelkosten verschuldigde btw op de aansprakelijke te verhalen. De omstandigheid dat de btw uiteindelijk aan de Staat ten goede komt, doet hieraan geen afbreuk aangezien de aan de Staat toekomende belastingen en de hem toekomende schadevergoeding op verschillende rechtsgronden steunen en een verschillend voorwerp hebben.
- De appelrechters die oordelen dat de Staat, F.O.D. Binnenlandse Zaken, van de veroorzaker van de schade niet de terugbetaling van de op de herstellings-kosten verschuldigde btw kan terugvorderen, omdat dit bedrag uiteindelijk door de hersteller aan de Staat zal worden teruggestort en de Staat aldus niet verarmd is door de betaling van de btw, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis van 2 april 2008, ten aanzien van de partijen in cassatie. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van dit gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser in een derde van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 15 februari 2010 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100215.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181005.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div