← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11 Rolnummer: C.09.0041.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-24 Raadplegingen: 699 - laatst gezien 2026-07-02 21:28 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De wettelijke regels inzake de wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel zijn van dwingend recht; als uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiser afstand heeft gedaan van de hem door de wet toegekende bescherming, is hij gerechtigd voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het de echtgenoten verboden is voor de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst te sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen

(1).
(1). Zie Cass., 17 sept. 2007, AR C.03.0582.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3, A.C., 2007, nr 408; zie ook Jaarverslag van het Hof van Cassatie van België, 2008, Hoofdstuk II - Belangrijke arresten van het Hof, Afdeling 6 - Uitspraken in gerechtelijk recht, § 1 Ontvankelijkheid van het cassatiemiddel, 125, A., met verwijzing naar Cass., 8 sept. 2008, AR C.08.0026.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Algemene beginselen Vrije woorden: Huwelijksvermogensstelsel - Aard - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WIJZIGING VAN HET HUWELIJKSVERMOGENSSTELSEL UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Algemene beginselen Vrije woorden: Wettelijke regels inzake de wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel - Aard - Cassatiemiddel - Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Indien tussen de echtgenoten een overeenkomst betreffende hun vermogensrechtelijke verhouding werd gesloten tijdens het huwelijk, die geen voorafgaande alomvattende regeling betreft in de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan de daartoe voorziene wettelijke procedure van het Burgerlijk Wetboek tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Echtscheiding door onderlinge toestemming UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Algemene beginselen Vrije woorden: Alomvattende regeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1287 en 1288 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1392 Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WIJZIGING VAN HET HUWELIJKSVERMOGENSSTELSEL UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Algemene beginselen Vrije woorden: Overeenkomst tussen de echtgenoten betreffende hun vermogensrechtelijke verhouding tijdens het huwelijk - Geen voorafgaande regeling in de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1287 en 1288 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1392 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0041.N D. J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S. I., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 september 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek, het genoemde artikel 1394 zowel in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, als in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 6 van de wet van 22 april 2003 tot wijzi¬ging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot, en het genoemde artikel 1395 zowel in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermo¬gensstelsel, als in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 133 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Pri¬vaatrecht; - de artikelen 1287, eerste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweerster deels gegrond, hervormt het bestreden vonnis in de mate waarin dit de tegenvordering van eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, en terzake opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser volledig ongegrond, op volgende gronden: "3.
  2. Over de aanspraken van (de eiser) op de drie onroerende goederen en vermogensbestanddelen in Spanje: (De eiser) stelt vast dat in de notariële regelingsakten ‘bij vergetelheid' niets is opgenomen met betrekking tot de drie onroerende goederen in Spanje, en de aldaar aanwezige lichamelijke roerende goederen, met name meubilair, alsook met betrekking tot de onlichamelijke roerende goederen, zijnde gezamenlijke spaar- en zichtrekeningen bij een Spaanse bank. Zijn stelling is dat de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998 helemaal niet is hernomen in de regelingsakten die partijen uiteindelijk opstelden, zodat die niet vermelde goederen gewoon in onverdeeldheid gebleven zijn tussen partijen, terwijl (de verweerster) misbruik zou gemaakt hebben van de hogervermelde attestering door notaris Verbist om vervolgens twee onroerende goederen achter de rug van (de eiser) te verkopen. Hij vordert bovendien dat (de verweerster) rekening en verantwoording doet in verband met de door haar verworven baten en gedragen lasten met betrekking tot die drie ‘vergeten' onroerende goederen in Spanje. (De verweerster) van haar kant beroept zich op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële regelingsakte, en waarbij (de eiser) te haren gunste afstand deed van alle roerende en onroerende goederen in Spanje. Anders dan wat (de eiser) meent te moeten opwerpen is deze onderhandse overeenkomst niet te beschouwen als een absoluut nietige tegenbrief aan de nota¬riële regelingen: vermits die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel de roerende als de onroerende definitief vaststelde, heeft die overeenkomst hoegenaamd niets gewijzigd aan de (latere) dadingsovereenkomsten die partijen met betrekking tot hun verdere onver¬deeldheden hebben afgesloten; De onderhandse akte van 1 februari 1998 vormt dan ook geen geheime te¬genbrief die de notariële regelingen op enigerlei wijze veranderde. Er is ook geen sprake van enige herroeping van de onderhandse akte van 1 februari 1998 bij de latere notariële regelingsakten, nu deze hoegenaamd niets voorzien in verband met de eerder overgedragen Spaanse goederen. Dat de drie nu in betwisting gestelde Spaanse onroerende goederen integraal aan (de verweerster) toekwamen blijkt nog uit een ‘overzicht verdeling' door (de eiser) gefaxt op 16 september 1998 en waarin hij in de kavel van (de verweerster) ‘Spanje' toerekent voor 16.000 (te lezen als 16.000.000 frank (lees: 396.629,64 euro)) terwijl het ene Spaanse onroerend goed vermeld in de notariële akte van 20 april 1998 pro fisco geraamd wordt op slechts 2.100.000 frank (lees: 52.057,64 euro). De stelling van (de eiser) dat partijen met hun notariële overeenkomsten uiteindelijk een andere verdelingswijze beoogden kan in het licht van zijn eigen voormeld faxbericht van 16 september 1998 (dit is nog na de eerste notariële akte) dan ook niet worden aanvaard. (De eiser) legt nu ook de beëdigde vertaling over van het attest nr. B 2686280 afgeleverd door de ambtenaar van de eigendomsregistratie te Torrox Malaga waaruit de overschrijving van de afstand resp. aanvaarding met betrekking tot de respectieve onroerende goederen én de verkrijging ervan door (de verweerster) blijkt. Ten overvloede verwijst (de verweerster) terecht ook nog naar het standpunt van de Belgische fiscus die haar, op grond van de kennisname van het dossier, belast heeft op de niet aangegeven belastbare huurinkomsten op de in Spanje gelegen onroerende goederen, en waarbij in acht genomen werd dat het huis (...) te Torrox Malaga haar is toebedeeld in de regelingsakte echtscheiding door onderlinge toestemming van 20 april 1998 en dat van de andere onroerende goederen op 1 februari 1998 ten hare voordeel afstand is gedaan door (de eiser), waarna zij aanvaardde. De fiscus besloot (de verweerster) voor de aanslagjaren 2000, 2001 en 2002 een aanvullende belasting te doen betalen mét een belastingverhoging van 10 pct.. De overdracht omvatte niet alleen alle onroerende goederen in Spanje, maar ook alle roerende goederen, waaronder begrepen de banktegoeden, zodat er uit dien hoofde niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eer¬ste regelingsakte opstelden. Er is dan ook geen reden tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen". Grieven
  3. Naar luid van artikel 1287, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moeten de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen. Deze regelingsakte moet alomvattend zijn, en alle rechten en schulden van partijen regelen, zodat partijen over alle gevolgen van de echtscheiding akkoord moeten gaan, en na het uitspreken ervan niet meer tot vereffening en verdeling van hun huwelijksvermogensstelsel moeten overgaan. Zij vormt een afwijking van het uit de bestendigheid van de huwelijksvoorwaar¬den voortvloeiend verbod van de echtgenoten om de vereffening en verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen nog voor de ontbinding van het huwe¬lijk te regelen. De regelingsakte moet, krachtens artikel 1288bis van het Gerech¬telijk Wetboek, samen met de familierechtelijke overeenkomst die partijen, op grond van artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, eveneens voorafgaand moeten opstellen, bij het verzoekschrift in echtscheiding door onderlinge toestemming worden gevoegd. Deze voorafgaande overeenkomsten kunnen, overeenkomstig artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek, lopende de echtscheidingsprocedure, na de eerste verschijning van partijen voor de rechtbank, niet meer gewijzigd worden tenzij bij nieuwe en onvoorziene omstandigheden waardoor de toestand van de echtgenoten, of een van hen of de kinderen ingrijpend wordt ge¬wijzigd. De vermogensrechtelijke overeenkomst die de echtgenoten krachtens artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek opstellen, geldt onder de opschortende voorwaarde dat de echtscheiding wordt uitgesproken. Ten aanzien van de goederen van partijen werkt de echtscheiding, overeenkomstig artikel 1304 van het Gerechtelijk Wetboek, terug tot het proces-verbaal opge¬maakt ter uitvoering van artikel 1292 van hetzelfde wetboek, m.a.w. tot de dag van de eerste verschijning van partijen voor de rechter.
  4. Krachtens artikel 1289ter van het Gerechtelijk Wetboek verleent de procureur des Konings schriftelijk advies over de vormvereisten, de toelaatbaarheid van de echtscheiding en de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen. Naar luid van artikel 1297 van het Gerechtelijk Wetboek concludeert de procureur des Konings tot de toelaatbaarheid van de echtscheiding indien hij vaststelt dat aan alle wettelijke voorwaarden, naar vorm en inhoud, is voldaan. Overeenkomstig artikel 1298 van het Gerechtelijk Wetboek spreekt de rechtbank de echtscheiding uit wanneer partijen, naar het oordeel van de rechtbank, aan de voorwaarden hebben voldaan en de vormvereisten hebben in acht genomen die door de wet zijn bepaald. In het tegenoverge¬stelde geval verklaart de rechtbank dat er geen grond bestaat om de echtscheiding uit te spreken en geeft de redenen van zijn beslissing op.
  5. Het door artikel 1287, eerste lid, van het Gerechtelijke Wetboek vereiste alomvattend karakter van de regeling van de wederzijdse rechten van partijen, betekent dat echtgenoten die, zoals te dezen, gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, voor alle goederen behorend tot het gemeenschappelijk vermogen, een regeling dienen te treffen. Deze voorafgaande regeling is slechts in overeenstemming met de wet in zoverre ze is opgenomen in de aan de rechtbank over te leggen re¬gelingsakte. Indien partijen voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming het lot van bepaalde gemeenschappelijke goederen regelen, en deze regeling niet opnemen in de aan de rechtbank over te leggen regelings¬akte, dan is deze "geheime overeenkomst, wegens miskenning van regels van openbare orde in de zin van de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, absoluut nietig. Zij is niet alleen strijdig met de wettelijke verplich¬ting de alomvattende regeling aan de rechtbank over te leggen zodat deze laatste kan nagaan of voldaan is aan de wettelijke voorwaarden naar vorm en inhoud, maar ook met de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden, zoals die blijkt uit de wettelijke voorschriften inzake de beperkte wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel in de artikelen 1392, 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek, die verbiedt dat de echtgenoten vóór de ontbin¬ding van het huwelijk een overeenkomst sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, en die, met toepassing van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, de openbare orde raakt.
  6. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt: - dat partijen op 1 februari 1998 een onderhandse overeenkomst sloten waarin de eiser afstand deed "van alle roerende en onroerende goederen dewelke gelegen en gestaan zijn Spanje in het voordeel van (de verweerster)", - dat de inhoud van deze overeenkomst niet werd hernomen in de aan de rechtbank overgelegde regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998; - dat de regelingsakten geen melding maken van drie onroerende goederen in Spanje, noch de aldaar aanwezige roerende goederen en de spaar- en zichtrekening bij een Spaanse bank. Zoals blijkt uit eisers beroepsbesluiten, riep de eiser de nietigheid in van de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998 mede op grond van de vaststellingen dat deze aanvullende overeenkomst, daterend van vóór de re¬gelingsakte, betreffende de wederzijdse rechten van partijen in de goederen in Spanje, niet aan de rechtbank werd voorgelegd en als een "geheime tegenbrief" moet worden beschouwd. Tussen partijen werd niet betwist dat de litigieuze goederen die het voorwerp uitmaakten van de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen, gehuwd onder het wettelijk stelsel, zoals ook aangenomen in het vonnis a quo. De verweerster stelde overigens uitdrukkelijk in conclusie voor de appelrechters: "Deze goederen zijn evenwel niet meer in onverdeeld¬heid: (de eiser) heeft zijn aandeel integendeel integraal aan (de verweerster) toebe¬deeld, in het kader van de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap tussen partijen". Alleszins sluit het bestreden arrest niet uit dat de litigieuze goederen tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden.
  7. De door het bestreden arrest weerhouden omstandigheden dat de onderhandse regeling van 1 februari 1998: - aan de notariële regelingsakte voorafgaat, - definitief "de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel roerende als de onroerende vaststelde", - niets gewijzigd heeft aan de latere dadingsovereenkomst "die partijen met betrekking tot hun verdere onverdeeldheden hebben afgesloten", - tot gevolg heeft dat wat betreft de hierin voorziene goederen "niets meer te verdelen viel' op het ogenblik van de eerste regelingsakte, lieten de appelrechters niet toe de nietigheid van deze overeenkomst te verwerpen en hieraan gevolg te verlenen door te besluiten dat er geen reden is tot een aanvullende vereffening en verdeling betreffende deze goederen. Uit deze vaststellingen blijkt, minstens sluiten zij niet uit: - dat de goederen waarop de onderhandse regeling betrekking heeft, tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden, - dat partijen aldus in de aanloop van hun echtscheidingsprocedure bij afzon¬derlijke geheime, want niet aan de echtscheidingsrechter ter kennis gebrachte overeenkomst, reeds een deel van hun gemeenschappelijk vermogen de¬finitief hebben vereffend en verdeeld. Dit laatste wordt overigens bevestigd door de overweging van het bestreden arrest "(dat) de drie nu in betwisting gestelde Spaanse onroerende goederen integraal aan (de verweerster) toekwamen" (onderlijning door onderge¬tekende), nu de eiser in zijn op 16 september 1998 (aan de verweerster) gefaxt "overzicht verdeling" "in de kavel van (verweerster) ‘Spanje' toerekent voor 16.000 (te lezen als 16.000.000 frank (lees: 396.629,64 euro)) terwijl het ene Spaanse onroerend goed vermeld in de notariële akte van 20 april 1998 pro fisco geraamd wordt op slechts 2.100.000 frank (lees: 52.057,64 euro)".
  8. Nu aldus uit het bestreden arrest blijkt, minstens niet wordt uitgesloten dat partijen, bij de litigieuze overeenkomst van 1 februari 1998, reeds vóór de ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding zijn overgegaan tot gedeeltelijke vereffening en verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen, miskennen de appelrechters, door gevolg te geven aan deze overeenkomst, het verbod van echtgenoten gehuwd onder een gemeenschaps¬stelsel om vóór de ontbinding van het huwelijk over te gaan tot vereffening en verdeling van hun huwelijksvermogensstelsel, zoals dit voortvloeit uit de be¬stendigheid van de huwelijksvoorwaarden (schending van de artikelen 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395, de twee laatste artikelen in hun versies zoals aangegeven in de aanhef van het middel, van het Burgerlijk Wetboek). Nu aldus uit het bestreden arrest eveneens blijkt, minstens niet wordt uitgesloten, dat partijen de overeenkomst van 1 februari 1998 niet aan de echtscheidingsrechter hebben overgemaakt, miskennen de appelrechters de wettelijke verplichting een alomvattende overeenkomst betreffende de wederzijdse rechten van partijen op te maken en ter controle aan de echtscheidingsrechter over te leggen (schending van de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1287, eerste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek). De door het bestreden arrest weerhouden omstandigheid dat de overeenkomst van 1 februari 1998 "geen ‘geheime tegenbrief' (vormt) die de notariële regelingen (van 20 april 1998 en 22 september 1998) op enigerlei wijze veranderde", omdat deze notariële regelingsakten betrekking hebben op "verdere onverdeeldheden", en niet deze geregeld op 1 februari 1998, doet geen afbreuk aan voornoemde onwettigheden, nu de aan de echtscheidings¬rechter over te maken regelingsakten betreffende de wederzijdse rechten van partijen alomvattend moeten zijn, zodat het enkel feit dat een aan de rege¬lingsakten voorafgaande overeenkomst betreffende bepaalde, niet in de rege¬lingsakten vermelde gemeenschappelijke goederen, niet in de regelingsakten werd opgenomen, op zich reeds volstaat om te besluiten tot de onwettigheid van de voorafgaande overeenkomst, die alsdan, voor de toepassing van artikel 1287, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wel als een "geheime te¬genbrief" t.a.v. de regelingsakten kan worden aangemerkt (schending van de ar¬tikelen 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395, de twee laatste artikelen in hun versies zoals aangegeven in de aanhef van het middel, van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1287, eerste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweerster deels gegrond, hervormt het bestreden vonnis in de mate waarin dit de tegenvordering van de eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, en terzake opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser volledig ongegrond, op volgende gronden: "3.
  9. de betaling door (de eiser) persoonlijk als hoofdelijke borg voor kredieten verleend aan de nv Verlat: Uit twee notariële attesten blijkt dat: - notaris N. V. te Antwerpen verklaart naar aanleiding van de verkoop door (de eiser) van de panden (...), verleden op 26 maart 1999 op verzoek van Fortis Bank (voorheen Generale Bank) op 1 april 1999 16.200.000 frank (lees: 401.587,51 euro) te hebben gestort bij voornoemde bank, - notaris M. D. verklaart dat naar aanleiding van de verkoop door (de eiser) van de opbrengsteigendom te Antwerpen, (...), verleden op 26 juli 1999, op verzoek van Fortis Bank (voorheen Generale Bank) op 27 juli 1999 18.000.000 frank (lees: 446.208,34 euro) is gestort bij voornoemde bank. Met reden verwijst (de verweerster) hier naar de notariële regelingsakten waarbij (de eiser) zich ertoe verbond om verder alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, en dit met uitsluiting/ter ontlasting van (de verweerster). Uit de door (de verweerster) overgelegde stukken 11 tot en met 13 blijkt dat de in de regelingsakten uitgedrukte wil van partijen omgezet is in de bankrelatie, door de realisatie van het voorstel van de bank, geformuleerd in haar faxbe¬richt van 27 augustus 1998, om ten aanzien van de kredieten verleend aan nv Verlat handlichting te verlenen van de hypothecaire inschrijvingen op (...) voor 8,3 en 8,5 miljoen frank (lees: 205.751,63 euro en resp. 210.709,50 euro) en de vrijgave van de borgstelling van (de verweerster) voor 25 en 3,5 miljoen frank (lees: 619.733,81 euro en resp. 86.762,73 euro) mits vol¬daan werd aan vier voorwaarden, ten uitvoer is gelegd in de drie kredietbrieven van 23 september 1998 en waarbij ten aanzien van de kredieten opzich¬tens Verlat werd voorzien dat de wijzigingen in het kredietdossier pas konden worden gerealiseerd nadat het krediet van 43.653.000 frank (lees: 1.082.129,60 euro) aan nv Verlat toegestaan werd aangezuiverd en herleid tot 33.000.000 frank (lees: 818.048,63 euro) ten laatste op 31 oktober
  10. Het door (de verweerster) onder nr. 14 overgelegde onderhandse stuk betreft een door (de eiser) ondertekende verklaring waarbij hij handelend in zijn hoedanig¬heid van gedelegeerd bestuurder van de nv Verlat zich ertoe verbond opdat voornoemde vennootschap alle nodige stappen zou ondernemen om het krediet van 43.653.000 frank (lees: 1.082.129,60 euro) toegestaan aan haar door de Generale Bank aan te zuiveren en te herleiden tot een bedrag van 33.000.000 frank (lees: 818.048,63 euro) en dit ten laatste per 31 oktober 1998, en verder: Indien deze aanzuivering om eender welke reden niet zou hebben plaatsgevonden tegen 31 oktober 1998 verbindt (de eiser) zich hierbij persoonlijk tegenover (de verweerster).... om voormelde aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten naar de Generale Bank, derwijze dat (de verweerster) op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken te dien einde. (De eiser) stelt zich dan ook persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de nv Verlat...'. Indien (de eiser) bijgevolg met de door de resp. notarissen geattesteerde betalin¬gen enige schuld uit zijn borgstellingen opzichtens de nv Verlat voldeed, dan betaalde hij slechts een eigen schuld, die hij ingevolge de hogervermelde volledige tenlastenemingen niet meer kan verhalen op (de verweerster)". Grieven
  11. Het hoger beroep van de eiser strekte o.m. tot hervorming van het vonnis a quo in zoverre hierin werd besloten tot de verwerping van zijn tegenvordering, strekkende tot aanstelling van een notaris om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening-verdeling van een betaling van 818.048,63 euro (33.000.000 frank) door de eiser aan Fortis Bank als persoonlijke hoofdelijke borg voor de nv Verlat, waartoe beide partijen gehouden waren, en waarvoor in de regelingsakte voorafgaand de echtscheiding door onderlinge toestemming niet voorzien was hoe dit zou moeten geregeld worden indien één van beiden aangesproken werd om dit te voldoen. Volgens de eiser diende de verweerster in de betaling van de schuld van 818.048,63 euro voor de helft tussen te komen.
  12. De eiser voerde in dit verband in conclusie voor de appelrechters o.m. aan (syntheseberoepsbesluiten van eiser, neergelegd op 31 december 2007, pp. 28-32, sub d): - dat partijen zich hoofdelijk borg hadden gesteld voor de schulden aangegaan door de nv Verlat; - dat de eiser zich in de notariële regelingsakte er slechts toe verbonden had "voor zover dit realiseerbaar is" "de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat (de verweerster) ontlast wordt van de per¬soonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan (de eiser)"; - dat de eiser getracht heeft de hoofdelijke borgstellingen voor de schulden van de nv Verlat ongedaan te krijgen, maar dat Fortis bank (brief Generale Bank dd. 27 augustus 1998) voorwaarden stelde die niet realiseerbaar waren (hypotheek aan een pand, "Selderstraat", dat aan de verweerster werd toebedeeld, en het reeds bestaan van een hypothecaire inschrijving op het pand "Nationa¬lestraat"); - dat het schrijven van de Generale Bank dd. 23 september 1998 het verderzetten betreft van de kredieten onder voorwaarde van het herleiden van de kredietlijn van de nv Verlat naar 33.000.000 frank, doch nooit door de eiser werd ondertekend omdat de waarborgen niet realiseerbaar waren; - dat de eiser enkel aan de voorwaarde van het herleiden kon voldoen, in welk verband hij, op verzoek van de verweerster, de verklaring van 24 september 1998 ondertekende waarin hij zich persoonlijk engageerde om in te staan voor de afbouw van het krediet van 43.653.000 frank naar 33.000.000 frank, "niet meer, niet minder"; - dat de eisers standpunt bevestigd wordt door de realisatie door de bank van de hypothecaire volmacht van 58.000.000 frank; - dat de hoofdelijke borgstelling van de verweerster voor de schulden van de nv Verlat nooit een einde heeft genomen; - dat de eiser de verweerster nooit heeft vrijgesteld van de persoonlijke borgstelling die zij had aangegaan voor de schulden van de nv Verlat; - dat de eiser nooit heeft gesteld dat hij alle schulden van de nv Verlat persoonlijk zou dragen ter vrijwaring van de verweerster.
  13. Het bestreden arrest stelt vast dat de notarissen attesteerden naar aanleiding van de verkoop van onroerende goederen door de eiser op 26 maart 1999 en 26 juli 1999, 401.587,51 euro en 446.208,34 euro te hebben gestort bij Fortis Bank op verzoek van deze bank. Het verwerpt eisers vordering om reden dat, indien de eiser door voornoemde door de notarissen geattesteerde betalingen enige schuld uit zijn borgstellingen opzichtens de nv Verlat voldeed, hij slechts een eigen schuld voldeed, die hij ingevolge de in het arrest vermelde "volledige tenlastene¬mingen" niet meer kan verhalen op de verweerster. Het bestreden arrest vermeldt terzake volgende "tenlastenemin¬gen": - in de notariële regelingsakten "waarbij (de eiser) zich ertoe verbond om verder alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de ven¬nootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, en dit met uitsluiting/ter ontlasting van (de verweerster)" (arrest p. 23, voorlaatste alinea); - en in een onderhandse verklaring van eiser dd. 24 september 1994, door de verweerster overgelegd onder stuk 14, en eveneens door eiser overgelegd onder stuk 7 van zijn "inventaris III (stukken i.v.m. Fortis Bank)" en onder stuk 1 van zijn "inventaris IV'. Eerste onderdeel
  14. In zoverre het bestreden arrest lastens de eiser als "volledige ten¬lasteneming" weerhoudt dat de eiser zich in de notariële regelingsakten verbond om alle borgstellingen ten laste te nemen, geeft het aan deze regelings¬akten een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. De notariële regelingsakten waarvan melding in het arrest zijn de regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september
  15. Dit blijkt ook uit het standpunt van de verweerster in conclusie waarnaar het bestreden arrest verwijst. Slechts de notariële regelingsakte van 20 april 1998 regelt de toebedeling van de aandelen van de nv Verlat aan eiser, en de gevolgen hiervan voor de borgstellingen, en voorziet terzake volgende clausule (p. 2, sub "B. Onlichamelijke roerende goederen", sub
  16. "aandelen", in fine; tevens weergegeven in het arrest p. 4, bovenaan): "Er wordt hierbij uitdrukkelijk overeengekomen dat alle leningen, kredietope¬ningen of financieringen die toegestaan werden aan de hierboven vermelde vennootschappen en waarvoor (de eiser) en (de verweerster) zich persoonlijk borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen genomen worden door de vennootschappen voor dewelke deze financieringen gediend hebben. (De eiser) verbindt zich ertoe, voor zover dit realiseerbaar is, de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat Mevrouw Sae¬nen ontlast wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan (de eiser)". De notariële regelingsakte voorziet derhalve alleen dat de ven¬nootschappen de schulden waarvoor de eiser en de verweerster zich borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen nemen. In hoofde van de eiser wordt alleen de verbintenis vermeld, "voor zover dit realiseerbaar is", "de nodige stappen te ondernemen" bij de financiële instellingen om de verweerster te bevrijden van haar borgstellingen voor de vennootschappen. Door niettemin uit deze notariële regelingsakte een verbintenis in hoofde van eiser tot "volledige tenlasteneming" van alle borgstellingen voor de nv Verlat af te leiden, geeft het bestreden arrest een uitlegging aan de rege¬lingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998, en inzonderheid aan de hiervoor geciteerde clausule uit de regelingsakte van 20 april 1998, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, en miskent het derhalve de be¬wijskracht van deze regelingsakten en deze clausule (schending van de arti¬kelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel
  17. In zoverre het bestreden arrest een "volledige tenlasteneming" lastens de eiser weerhoudt op grond van de onderhandse verklaring van 24 sep¬tember 1998, geeft het ook aan dit geschrift een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. Zoals blijkt uit het bij de voorziening gevoegde stuk, is deze verklaring in volgende bewoordingen gesteld: "De ondergetekende, (de eiser), bestuurder van vennootschappen (...), hande¬lende in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de naamloze ven¬nootschap ‘Verlat' (...) verbindt zich hierbij opdat voormelde vennootschap alle nodige stappen zou ondernemen om het krediet ad 43.653.000 frank, toege¬staan door de Generale Bank nv aan de naamloze vennootschap aan te zuive¬ren en te herleiden tot een bedrag ad 33.000.000 frank en dit ten laatste per 31 oktober
  18. Indien deze aanzuivering om eender welke reden niet zou hebben plaatsge¬vonden tegen 31 oktober 1998 verbindt (de eiser) zich hierbij persoonlijk tegenover (de verweerster) (...) om voormelde aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten naar de Generale Bank, derwijze dat (de verweerster) op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken te dien einde. (De eiser) stelt zich dan ook persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de nv ‘ Verlat'. (De eiser) verklaart dat deze persoonlijke borgstelling zich uitstrekt op de totaliteit van zijn persoonlijke li¬chamelijke en onlichamelijke roerende goederen alsook op de totaliteit van de onroerende goederen die zowel hijzelf als de vennootschappen waarin hij meerderheidsaandeelhouder is, in eigendom bezitten". Uit de bewoordingen van deze verklaring blijkt: - dat zij enkel betrekking heeft op de "aanzuivering" en het "herleiden" van het krediet van 43.653.000 frank naar 33.000.000 frank, - dat de eiser zich in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de nv Verlat verbindt om de nodige stappen te ondernemen, om het krediet aan te zuiveren en te herleiden; - dat de eiser zich persoonlijk verbindt opzichtens de verweerster om "voormelde aanzuivering" desnoods persoonlijk door te voeren; - dat de eiser zich "dan ook" persoonlijk borg stelt "voor de aanzuivering van voormelde schuld'. De persoonlijke borgstelling van eiser, in deze verklaring, opzich¬tens verweerster, betreft dan ook enkel de aanzuivering van het krediet van 43.653.000 frank naar 33.000.000 frank, doch geenszins een "volledige ten¬lasteneming" van de integrale schuld van 43.653.000 frank. Door niettemin uit deze verklaring van eiser dd. 24 september 1998 een verbintenis tot "volledige tenlasteneming" door de eiser, opzichtens de verweerster, van alle borgstellingen voor de nv Verlat af te leiden, geeft het bestreden arrest aan deze akte een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, en miskent het derhalve de bewijskracht van dit stuk (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid
  19. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is nieuw in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek en hieraan verbonden, de schending van de artikelen 6, 1131 en 1133 van dat wetboek.
  20. De wettelijke regels inzake de wijzigbaarheid van het huwelijksvermogens-stelsel zijn van dwingend recht. Nu uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiser afstand heeft gedaan van de hem door de wet toegekende bescherming, is de eiser derhalve gerechtigd voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het de echtgenoten verboden is voor de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst te sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Middel zelf
  21. De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten een alomvattende regeling treffen zoals de artikelen 1287 en 1288 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen. Indien tussen de echtgenoten een overeenkomst betreffende hun vermogensrechtelijke verhouding werd gesloten tijdens het huwelijk, die geen voorafgaande regeling betreft in de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, die onderworpen is aan de artikelen 1287 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, "dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1392 en volgende van het Burgerlijk Wetboek".
  22. De appelrechters overwegen dat: - de verweerster van haar kant zich beroept op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële regelingsakte, en waarbij de eiser ten gunste van verweerster afstand deed van alle roerende en onroerende goederen in Spanje; - die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel de roerende als de onroerende definitief vaststelde.
  23. De appelrechters die op grond van deze overwegingen zonder meer uitgaan van de geldigheid van de tussen partijen tot stand gekomen onderhandse akte, verantwoorden hun beslissing "dat er niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eerste regelingsakte opstelden" en "dat er geen reden is tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen", niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel
  24. In de notariële regelingsakten, waarnaar de eiser verwijst in het eerste onderdeel van dit middel, wordt enerzijds overeengekomen dat alle leningen, kredietopeningen of financieringen die toegestaan werden aan de in diezelfde akte vermelde vennootschappen en waarvoor de eiser en de verweerster zich persoonlijk borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen genomen worden door de vennootschappen voor dewelke deze financieringen gediend hebben. Tevens vermelden deze akten dat de eiser zich ertoe verbindt, voor zover dit realiseerbaar is, de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat de verweerster bevrijd wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan de eiser.
  25. In de akte van 24 september 1998, door de eiser aangehaald in het tweede onderdeel, verbindt de eiser zich in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de nv Verlat om de nodige stappen te ondernemen om het krediet toegestaan door de Generale Bank nv aan te zuiveren en te herleiden. Vervolgens verbindt de eiser zich persoonlijk tegenover de verweerster om deze aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten aan de Generale Bank zodat de verweerster op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken worden te dien einde. Ten slotte stelt de eiser zich in voormelde akte persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de nv Verlat waarbij hij verklaart dat deze persoonlijke borgstelling zich uitstrekt tot de totaliteit van zijn persoonlijke lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen alsook tot de totaliteit van de onroerende goederen die zowel hijzelf als de vennootschappen waarin hij meerderheidsaandeelhouder is, in eigendom bezitten.
  26. De appelrechters die deze akten aldus uitleggen dat de eiser er zich ten overstaan van de verweerster toe verbond om alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, waardoor hij deze na betaling niet meer kon verhalen op de verweerster, geven van deze akten een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de aanspraken van de eiser op de drie onroerende goederen en vermogensbestanddelen in Spanje en over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 25 februari 2010 uitgesproken door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251028.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.