id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100301.3 Rolnummer: C.09.0392.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 717 - laatst gezien 2026-07-02 21:29 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100301.3 Fiche 1 Het bevel tot staking is een preventieve maatregel die niet alleen ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 146 van het decreet te voorkomen. Het komt aan de rechter toe het bevel tot staking op zijn externe en interne wettigheid te toetsen, alsmede te onderzoeken of het strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust
(1)Zie de conclusies van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Handhaving - Stakingsbevel - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Handhaving - Stakingsbevel - Aard van de maatregel Tekst van de beslissing Nr. C.09.0392.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen L.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 december 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 4 februari 2010 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, 149, §1, eerste lid, 151, en 154, eerste, tweede en zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna Stedenbouwdecreet 1999). Bestreden beslissing Na verweerders hoger beroep gegrond te hebben verklaard, hervormt het bestreden arrest de beschikking a quo, verklaart verweerders vordering in opheffing van de stakingsbevelen ontvankelijk en gegrond, beveelt de onmiddellijke opheffing van de stakingsbevelen tot gebruik van 15 september 2006, 22 september 2006 en 26 oktober 2006, betreffende het perceel gelegen te Z. en veroordeelt de eiser tot de kosten van beide aanleggen, en dit op volgende gronden: "Het belang De eerste rechter besloot tot het gebrek aan wettig belang, op grond dat: ‘de vordering van (de verweerder), die ertoe strekt de opheffing te bekomen van de verschillende stakingsbevelen, komt neer op het nastreven van het behoud van de constructies en van het gebruik van het perceel zonder over een vergunning te beschikken, terwijl een vergunning vereist is'. De eerste rechter miskent het doel van het stakingsbevel dat de beveiliging beoogt van de macht van de (bodem)rechter om het herstel te bevelen: men moet vermijden dat werken of handelingen voortgezet worden die later door de rechter moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, zodat zijn opdracht om zo nodig het herstel in de vorige toestand te bevelen, bemoeilijkt zoniet onmogelijk wordt te realiseren wegens een onomkeerbare toestand. In deze is de bouw van de litigieuze boogloods voltooid. Het is dus niet duidelijk hoe het verder gebruik van de boogloods de mogelijkheid van de rechter om in voorkomend geval de herstelmaatregel te bevelen zou kunnen hypothekeren. Ook zonder het gebruik blijft de boogloods overigens bestaan. Ook (de eiser) heeft geen oog voor het preventief karakter van het stakingsbevel, wanneer hij argumenteert dat ‘(de verweerder) hulp vraagt van de rechter om hem te helpen een onwettige toestand te bestendigen, hem te verhinderen dat (de eiser) art. 154 e.a. van het Decreet (...) zou toepassen' (syntheseconclusie, blz. 6). (De verweerder) vordert de opheffing van drie stakingsbevelen tot gebruik, die in deze niet het karakter van een beveiligingsmaatregel hebben. (De verweerder) heeft dan ook een wettig belang. Ten gronde (De verweerder) steunt zijn vordering, benevens op het gebrek aan beschrijving van de inbreuken in de drie stakingsbevelen, het gebrek aan motivering van de stakingsbevelen, de schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, de onmogelijkheid tot verwijderen van de goederen van het perceel, ingevolge de houding van de eigenaar van het dienend erf van doorgang, ook op de machtsoverschrijding dan wel machtsafwending. Het (hof van beroep) kent de vordering toe op grond van dit laatste middel, zonder de overige middelen nog te onderzoeken, die immers niet tot een ruimere opheffing van de stakingsbevelen zouden kunnen leiden. Er is in deze inderdaad machtsoverschrijding aan de orde, nu de drie stakingsbevelen tot gebruik in niets bijdragen tot het vrijwaren van de mogelijkheid van de rechter om het herstel te bevelen. (De eiser) betwist ten onrechte dat de litigieuze stakingsbevelen tot gebruik als een anticipatieve straf worden aangewend. De litigieuze stakingsbevelen tot gebruik dragen in niets bij tot het beveiligen van de mogelijkheid van de rechter om de herstelmaatregel op te leggen. Zij komen neer op een voorlopige voordeelsontneming die het gevolg is van een mogelijk misdrijf, op een sanctionering die nog weinig uitstaans heeft met het karakter van een beveiligingsmaatregel. Het hoofdberoep is gegrond" (arrest pp. 4-5). Grieven Eerste onderdeel 1. De rechter is overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet gehouden tot het beantwoorden van elk duidelijk verweermiddel waarin een objectief en controleerbaar gegeven wordt aangevoerd. 2. De eiser voerde in conclusie voor de appelrechters aan dat de verweerder geen rechtmatig belang heeft bij zijn vordering in opheffing van de stakingsbevelen "tot stopzetting van het gebruik van de grond", nu hij de bestendiging nastreeft van een toestand strijdig met de openbare orde ("syntheseconclusies in hoger beroep" eiser, neergelegd 10 oktober 2007, p. 6, sub 2). Eiser betwistte ook in conclusie voor de appelrechters dat de stakingsbevelen zouden aangetast zijn door machtsoverschrijding of machtsafwending (ibid., p. 16, sub 4). Zowel ter staving van het onrechtmatig belang van de verweerder als ter staving van de afwezigheid van machtsoverschrijding, verwees de eiser op omstandige wijze naar de inbreuken die in de stakingsbevelen, en de hieraan ten grondslag liggende processen-verbaal van vaststelling, werden vastgesteld lastens de verweerder. Aldus benadrukte de eiser, met verwijzing naar de processen-verbaal en hun bijlagen en de bekrachtigingsbeslissingen, dat de stakingsbevelen zijn gesteund op volgende vastgestelde inbreuken ("syntheseconclusies in hoger beroep" eiser, neergelegd 10 oktober 2007, pp. 11-15, met verwijzing naar de overgelegde stukken 5 tot 8 inventaris stukken eiser): 1° het bouwen van één of meer vaste inrichtingen, m.n. - een boogvormige constructie opgericht bestaande uit metalen profielen overtrokken met doorzichtige plastiek (plastiektunnel), en gebruikt voor het opslaan van allerhande materiaal, met aan de oostzijde tegen de constructie, een muur opgericht in treinbilzen; - een metalen dierenhok; - houten tuinschermen en een houten toegangspoort; - een muur in treinbilzen tussen de tuinschermen en de witte container; 2° het gewoonlijk gebruiken van de grond voor het opslaan van materialen en materieel; 3° het plaatsen van verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt: een caravan, een witte container en een rode bestelwagen, waarbij de container is ingericht als slaapplaats, de bestelwagen als keuken en woonplaats en de caravan als badkamer; 4° een aanmerkelijke wijziging van het reliëf en de aard van de bodem door het dichten van een gracht op de oostelijke perceelsgrens, en het aanbrengen van een steenslagverharding en vier metalen platen als verharding voor de verplaatsbare inrichtingen. Op grond van dezelfde stukken voerde de eiser aan dat het terrein gebruikt werd voor het opslaan van allerlei materialen, zoals allerhande afbraakmaterialen, mazouttanks, olievaten ("syntheseconclusies in hoger beroep" eiser, neergelegd 10 oktober 2007, p. 12, voorlaatste alinea), dat op 22 september 2006 de verderzetting van het wederrechtelijk gebruik werd vastgesteld, dat de witte aanhangwagen en de paardenvrachtwagen werden verplaatst, dat de oranje landbouwaanhangwagen met oud ijzer werd verplaatst naar een ander landbouwperceel, dat ook gebruikt werd voor opslag van allerhande materialen en materieel, zoals bouwmaterialen, een aanhangwagen met mazoutvaten en hout, gestapelde betonstenen en een kleine aanhangwagen met brandhout (ibid., p. 13, in medio), dat op 26 oktober 2006 opnieuw werd vastgesteld dat het weiland nog steeds werd gebruikt, dat een paar goederen zijn verplaatst, dat de personenwagen nu voor de caravan staat, dat de oranje aanhangwagen deze maal achter de loods staat (ibid., p. 14, onderaan). De eiser verwees ook naar de vergunningsplicht die bestaat voor de vastgestelde feiten: "In casu werden in verscheidene processen-verbaal en de daaropvolgende stakingsbevelen tot stopzetting van het gebruik duidelijk de inbreuken beschreven die (de verweerder) heeft begaan t.a.v. het mogelijke gebruik van een onroerend goed (cfr. infra). Zo is het bvb. volgens art. 99, §1, 5° DRO niet toegelaten een grond gewoonlijk te gebruiken, aanleggen of inrichten voor de opslag van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen, of afval, of het parkeren van voertuigen, wagens en aanhangwagens. (De verweerder) stelt in zijn syntheseberoepsconclusie dat de problematiek in casu het feit zou betreffen dat het proces-verbaal van vaststelling van 15 september 2006 opgesteld werd zonder de terreinen te kunnen betreden. Het is evenwel zo dat klaarblijkelijk kon worden vastgesteld wat werd vastgesteld zonder de terreinen te hoeven betreden. Het is buiten betwisting dat (de verweerder) zulk gebruik, als hoger beschreven, van het onroerend goed wel degelijk heeft gemaakt. Hetzelfde artikel stelt bovendien dat het gewoonlijk gebruiken van een grond voor het plaatsen, aanleggen of gebruiken van een verplaatsbare inrichting die als woning kan dienen, eveneens vergunningsplichtig is. Het is buiten betwisting dat (de verweerder) een caravan, een witte container en een rode bestelwagen op het onroerend goed geplaatst heeft, dewelke voor bewoning kunnen worden gebruikt. In de verscheidene processen-verbaal worden ook nog andere vormen van gebruik aangehaald, dewelke (de verweerder) wederrechtelijk maakte van het onroerend goed in kwestie. (De verweerder) stelt dat hij met zijn vordering niet het behoud van de constructies zonder over een stedenbouwkundige vergunning te beschikken, zal nastreven, doch enkel verzoekt het stakingsbevel op te heffen tot gebruik van het goed. Vooreerst merkt (de eiser) hierbij op dat (de verweerder) aldus erkent dat er constructies op zijn percelen staan waarvoor hij niet over een stedenbouwkundige vergunning blijkt te beschikken. Bovendien is het manifest zo dat (de verweerder) voor deze overtredingen die hij tegen voornoemde bepalingen (en anderen) (cfr. infra) beging, geen vergunning bezit en dus een ongeoorloofd, want onvergund, gebruik van de grond maakte. (De verweerder) stelt dat hij de plastieken boogloods, de caravan en de aanhangwagen nu van het terrein zou hebben verwijderd. Voor zover zulks bewezen zou zijn, blijft er uiteraard nog het feit dat de grond ook voor de opslag van allerlei ander materiaal, afval, gebruikte of afgedankte voertuigen, wagens en aanhangwagens, e.d.m., werd en wordt gebruikt." ("syntheseconclusies in hoger beroep" eiser, neergelegd 10 oktober 2007, p. 9, zesde alinea e.v. en p. 10, eerste tot derde alinea). De eiser leidde hieruit af dat de verweerders vordering in opheffing van de stakingsbevelen onontvankelijk is bij gebrek aan rechtmatig belang, zoals terecht door de eerste rechter beslist: "(De verweerder) beschikt niet over enige stedenbouwkundige vergunning om het perceel met constructies, van welke aard dan ook, te bebouwen en betwist niet dat hij op grond van artikel 99, §1, van het Decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, een stedenbouwkundige vergunning nodig heeft om de bestaande constructies op het perceel te bouwen. (De verweerder) betwist evenmin dat hij het perceel gewoonlijk gebruikt voor het stallen van een caravan, een container, een rode bestelwagen en 2 aanhangwagens, terwijl voor een dergelijk gebruik van een perceel op grond van artikel 99, §1, 5°, van het Decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, eveneens een stedenbouwkundige vergunning vereist is, terwijl (de verweerder) niet over een dergelijke vergunning beschikt." (ibid., p. 10, vierde alinea). De eiser benadrukte verder in conclusie, na omstandig de inbreuken te hebben weergegeven die in de stakingsbevelen en bekrachtigingsbeslissingen lastens de verweerder worden weerhouden ("syntheseconclusies in hoger beroep" eiser, neergelegd 10 oktober 2007, pp. 11-14), dat de lastens de verweerder vastgestelde inbreuken veelvuldig zijn, dat verscheidene vaste inrichtingen werden geplaatst door de verweerder, dat de grond door de verweerder tot op vandaag wordt gebruikt voor het opslaan van allerlei materieel, dat er o.a. een caravan en een witte container staat, dat de verweerder bezig is met de bodem en het reliëf ter plekke te wijzigen (ibid., p. 16, vierde en derde laatste alinea). Met verwijzing naar hetgeen de eiser voordien in conclusie uiteenzette over de bestendiging van een onwettig gebruik (ibid., p. 17, eerste alinea), en zoals daarvoor geciteerd (ibid., p. 9), besloot de eiser tot ongegrondheid van de door de verweerder ingeroepen machtsoverschrijding in de stakingsbevelen (ibid., pp. 16-17, sub 4). 3. De appelrechters besluiten in het bestreden arrest dat de drie stakingsbevelen tot gebruik niet het karakter van "een beveiligingsmaatregel hebben, dat zij "in niets bijdragen tot het vrijwaren van de mogelijkheid van de rechter om de herstelmaatregel op te leggen", en "dat zij neerkomen op een voorlopige voordeelsontneming die het gevolg is van een mogelijk misdrijf, op een sanctionering die nog weinig uitstaans heeft met het karakter van een beveiligingsmaatregel", waarbij zij echter, naar de concrete feiten toe, louter weerhouden "(dat) in deze de bouw van de litigieuze loods voltooid (is), (
- en)het dus niet duidelijk (
- is)hoe het verder gebruik van de boogloods de mogelijkheid van de rechter om in voorkomend geval de herstelmaatregel te bevelen zou kunnen hypothekeren, (en dat) ook zonder het gebruik de boogloods overigens (blijft) bestaan. Door aldus zowel de rechtmatigheid van het belang van de verweerder, als de machtsoverschrijding door de stakingsbevelen te beoordelen louter op grond van de oprichting en het gebruik van de boogloods, terwijl de eiser op omstandige wijze in conclusie aanvoerde dat de vastgestelde inbreuken ook het vergunningsplichtig gebruik betreffen van de grond voor het opslaan van allerhande materialen en materieel, het parkeren van voertuigen, aanhangwagens, het plaatsen van verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, laat het bestreden arrest na aan te wijzen waarom deze in conclusie aangevoerde omstandigheden het door de eiser aangevoerde onrechtmatig belang niet kunnen verantwoorden, en waarom deze omstandigheden niet verantwoorden dat de stakingsbevelen niet door machtsoverschrijding zijn aangetast, en laat het derhalve eisers' conclusie onbeantwoord, en is het, om die reden, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel 4. Overeenkomstig artikel 149, §1, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, kan de rechtbank, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, naast de straf, bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Naar luid van artikel 151 van het Stedenbouwdecreet kunnen deze herstelmaatregelen ook door de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen gevorderd worden voor de burgerlijke rechter. Deze herstelmaatregelen zijn maatregelen van burgerlijke aard die strekken tot het doen verdwijnen van de onrechtmatige toestand die met betrekking tot het onroerend goed door de uitgevoerde werken of de gegeven bestemming is ontstaan, en waardoor het algemeen belang wordt geschaad 5. Artikel 154, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de in het artikel 148 van dit decreet bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van de gerechtelijke politie, ter plaatse de onmiddellijke staking van "het werk, van de handelingen of van het gebruik", mondeling kunnen bevelen wanneer zij vaststellen dat het werk de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 van hetzelfde decreet. Het tweede lid van dezelfde wetsbepaling bepaalt dat als de in artikel 148 bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie ter plaatse niemand aantreffen, zij dan ter plaatse het schriftelijke bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aanbrengen. Artikel 146, eerste lid, 1°, van het Stedenbouwdecreet 1999 stelt o.m. strafbaar de uitvoering, voortzetting of instandhouding van de bij de artikelen 99 en 101 bepaalde handelingen, werken of wijzigingen hetzij zonder voorafgaande vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning. Artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning "een grond gewoonlijk (mag) gebruiken, aanleggen of inrichten voor:
- a)het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen, materieel of afval;
- b)het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens;
- c)het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen, tenten". De onmiddellijke staking van "het werk, van de handelingen of van het gebruik", kan derhalve o.m. worden bevolen wanneer een inbreuk werd gepleegd op de bij artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999 voorziene vergunnings-plicht. 6. Artikel 154, zesde lid, van het Stedenbouwdecreet bepaalt: "De betrokkene kan in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd". De rechter beslist ten gronde over de vordering tot opheffing, en toetst hierbij, overeenkomstig artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, het bevel op zijn externe en interne wettigheid, en mag hierbij nagaan of het bevel een preventieve aard heeft dan wel berust op een machtsoverschrij¬ding. De preventieve aard van het bevel tot onmiddellijke staking van "het werk, van de handelingen of van het gebruik" beoogt niet louter de macht te beveiligen van de bodemrechter om de in artikel 149, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999 bepaalde herstel te bevelen, in die zin dat moet vermeden worden dat werken of handelingen voortgezet worden die later door de rechter moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, doch beoogt in de eerste plaats een verdere aantasting van de goede ruimtelijke ordening te voorkomen door tijdig in te grijpen in een misdrijf in uitvoering. 7. Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat. Diegene die enkel het behoud nastreeft van een toestand in strijd met de openbare orde of van een onrechtmatig voordeel, zoals het behoud van onvergunde constructies of de voortzetting van een onvergund gebruik van de grond, heeft geen rechtmatig belang. 8. Zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk als hernomen aangezien, voerde de eiser in conclusie voor de appelrechters aan dat de stakingsbevelen tot stopzetting van "het gebruik van de grond" mede werden verantwoord door het vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik dat de verweerder maakte van de grond, in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, voorschrift dat de openbare orde raakt, zoals bepaald door artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek. 9. Door te dezen het bevel tot onmiddellijke staking zoals voorzien in artikel 154, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, louter als een "beveiligingsmaatregel" te beschouwen die "moet bijdragen tot het vrijwaren van de mogelijkheid van de rechter om het herstel te bevelen", zonder na te gaan of door de bevolen staking van "het gebruik van de grond", en inzonderheid een staking van het vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, zoals hiervoor toegelicht en door de eiser in conclusie aangevoerd, een verdere aantasting van de goede ruimtelijke ordening kon voorkomen worden, miskent het bestreden arrest artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, en de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, 149, §1, eerste lid, 151, 154, eerste, tweede en zesde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, kon het bestreden arrest dienvolgens niet wettig besluiten dat de eiser een "wettig" belang heeft bij de gevorderde opheffing van de stakingsbevelen (schending van dezelfde bepalingen, en artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek), en kon het dienvolgens evenmin wettig besluiten dat de stakingsbevelen zijn aangetast door machtsoverschrijding, dat ze werden gebruikt als "een anticipatieve straf", en dat ze "neerkomen op een voorlopige voordeelsontneming" (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, en de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, 149, §1, eerste lid, 151, 154, eerste, tweede en zesde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999). Voor zover de redengeving van het bestreden arrest toelaat aan te nemen dat de appelrechters, impliciet doch zeker, het preventief karakter van een bevolen staking van het vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, verwerpen, quod non, is het evenmin naar recht verantwoord, nu het niet vaststelt dat hetzij dit vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik niet is aangetoond, hetzij dat het ten tijde van het stakingsbevel had opgehouden te bestaan, en de stopzetting van een vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik, in de regel, een verdere aantasting van de goede ruimtelijke ordening voorkomt, en dus voldoet aan het preventief karakter van het bevel tot onmiddellijke staking van het gebruik in de zin van artikel 154 van het Stedenbouwdecreet 1999 (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, en de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, 149, §1, eerste lid, 151, 154, eerste, tweede en zesde lid, van het Stedenbouw-decreet 1999). Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig besluiten dat de eiser een "wettig" belang heeft bij de gevorderde opheffing van de stakingsbevelen (schending van dezelfde bepalingen, en artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek), en kon dienvolgens evenmin wettig besluiten dat de stakingsbevelen zijn aangetast door machtsoverschrijding, dat ze werden gebruikt als "een anticipatieve straf", en dat ze "neerkomen op een voorlopige voordeelsontneming" (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, en de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, 149, §1, eerste lid, 151, 154, eerste, tweede en zesde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999). 10. Voor zover de redengeving van het bestreden arrest toelaat aan te nemen dat de appelrechters, impliciet doch zeker, hebben geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat op de grond ook een vergunningsplichtige constructie staat, m.n. de "boogloods", waarvan de bouw voltooid was, en waarvan de stopzetting van het gebruik geen preventief karakter heeft, verantwoordt dat de volledige stakingsbevelen van het "gebruik van de grond", ook wat het nog aanwezig, of alleszins door de appelrechters niet uitgesloten, vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, moeten opgeheven worden, quod non, is de beslissing evenmin naar recht verantwoord. De onwettigheid van de stakingsbevelen wegens afwezigheid van preventief karakter van de bevolen staking van het gebruik van "de boogloods", kan zich in de regel slechts uitstrekken tot het gebruik van deze loods, en verantwoordt slechts een gedeeltelijke opheffing van de stakingsbevelen, m.n. wat betreft het gebruik van deze "boogloods". Door te dezen niettemin enkel op grond van de voltooide bouw van "de boogloods", te besluiten tot machtsoverschrijving, tot miskenning van het preventief karakter van het stakingsbevel, tot afwezigheid van het karakter "van een beveiligingsmaatregel", tot het gebruik van het stakingsbevel als een "anticipatieve straf", tot een "voorlopige voordeelsonteming", en tot integrale opheffing van de stakingsbevelen, zonder het bestaan uit te sluiten van het in de stakingsbevelen en door de eiser in conclusie aangevoerd vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, is de beslissing dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, en de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, en 154, eerste, tweede en zesde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999). Door geen onlosmakelijke band vast te stellen tussen de weerhouden onwettigheid van de bevolen staking van de boogloods, en het vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, en door dit laatste gebruik niet als ondergeschikt aan het gebruik van "de boogloods" te beschouwen, kon het bestreden arrest niet wettig tot integrale opheffing van de stakingsbevelen besluiten (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, en de artikelen 99, §1, eerste lid, 5°, 146, eerste lid, 1°, en 154, eerste, tweede en zesde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999). Door minstens niet toe te lichten waarom tot integrale opheffing van de stakingsbevelen moet besloten worden enkel omwille van de uit de voltooide bouw van "de boogloods" afgeleide machtsoverschrijding, ondanks het door de appelrechters niet uitgesloten en door de eiser aangevoerd vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond in de zin van artikel 99, §1, eerste lid, 5°, sub a tot c, van het Stedenbouwdecreet 1999, laat het bestreden arrest het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen en miskent het mitsdien artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 154, eerste lid, van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kunnen de in het artikel 148 van dit decreet bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen, indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 van hetzelfde decreet. Krachtens artikel 146, 1°, van het decreet, wordt de persoon gestraft die de bij de artikelen 99 en 101 bepaalde handelingen, werken of wijzigingen uitvoert, voortzet of in stand houdt, hetzij zonder voorafgaande vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning. Krachtens artikel 99, §1, 5°, van het decreet, kan niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor:
- a)het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen, materieel of afval;
- b)het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens;
- c)het plaatsen van een of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen, tenten;
- d)het plaatsen van een of meer verplaatsbare inrichtingen of rollend materieel die hoofdzakelijk voor publicitaire doeleinden wordt gebruikt. Krachtens het artikel 154, zesde lid, van het decreet, kan de betrokkene in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Vlaams Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd. 2. Het komt aan deze rechter toe het bevel tot staking op zijn externe en interne wettigheid te toetsen, alsmede te onderzoeken of het strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. Het bevel tot staking is een preventieve maatregel die niet alleen ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 146 van het decreet te voorkomen. 3. De eiser voerde in zijn syntheseappelconclusie aan dat: - in verscheidene processen-verbaal en in de daaropvolgende stakingsbevelen tot stopzetting van het gebruik de inbreuken die de verweerder heeft begaan t.a.v. het mogelijke gebruik van het onroerend goed duidelijk werden beschreven; - het volgens artikel 99, §1, 5°, van het decreet van 18 mei 1999 niet toegelaten is een grond gewoonlijk te gebruiken, aan te leggen of in te richten voor de opslag van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen of afval, of voor het parkeren van voertuigen, wagens en aanhangwagens; - het buiten betwisting is dat de verweerder een caravan, een witte container en een rode bestelwagen op het onroerend goed geplaatst heeft, dewelke voor bewoning kunnen worden gebruikt; - in de verscheidene processen-verbaal ook nog andere vormen van weder-rechtelijk gebruik van het onroerend goed door de verweerder worden aangehaald; - het manifest zo is dat de verweerder voor dit gebruik van de grond geen vergunning bezit en dus een ongeoorloofd gebruik van de grond maakte. 4. De appelrechters, die de onmiddellijke opheffing bevelen van de stakingsbevelen op grond dat deze in niets bijdragen tot het vrijwaren van de mogelijkheid van de rechter om het herstel te bevelen, zonder na te gaan of de stakingsbevelen niet strekten tot de stopzetting van een vergunningsplichtig gewoonlijk gebruik van de grond zonder vergunning en derhalve tot het voorkomen van verdere aantasting van de ruimtelijke ordening door inbreuken zoals bedoeld in artikel 146 van het decreet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 1 maart 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100301.3 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100301.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.4 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131024.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131024.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.10 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160225.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170331.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div