← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 Rolnummer: P.10.0177.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 579 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De controle door de kamer van inbeschuldigingstelling over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, beoogt na te gaan of naar de gegevens van het vertrouwelijke dossier, de voorschriften bepaald in de artikelen 47sexies en 47septies van hetzelfde wetboek werden nageleefd zodat de bijzondere opsporingsmethode observatie regelmatig is; dienaangaande gaat de kamer van inbeschuldigingstelling na of de vermeldingen van het proces-verbaal betreffende de toepassing van de observatie overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijke dossier. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode van observatie - Doel Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode van observatie Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie - Doel Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie Fiche 5 De enkele omstandigheid dat het proces-verbaal van de uitvoering van de observatie slechts vermeldt dat de observatie werd uitgevoerd binnen de geldende periode van de verleende machtiging, heeft niet noodzakelijk voor gevolg dat hierdoor de bijzondere opsporingsmethode observatie onregelmatig is; het staat de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van het proces-verbaal en van de stukken van het vertrouwelijk dossier onaantastbaar in feite vast te stellen of de voorschriften van de artikelen 47sexies en 47septies werden nageleefd zodat de bijzondere opsporingsmethode observatie regelmatig werd uitgevoerd. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Vermeldingen in het proces-verbaal van uitvoering - Loutere vermelding dat de observatie werd uitgevoerd binnen de geldende periode van de verleende machtiging Fiche 6 Uit artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat in een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, worden opgenomen en artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat de officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47sexties, § 2, 6°, proces-verbaal opstelt van de verschillende fasen van uitvoering van de observatie, maar hierin geen elementen vermeldt die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengen, volgt dat de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, Wetboek van Strafvordering enkel in het proces-verbaal worden opgenomen op voorwaarde dat zij niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 47septies, § 2, voormeld. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Machtiging tot observatie - Proces-verbaal van uitvoering van de observatie - Wettelijk verplichte vermeldingen - Beperking Fiche 7 De periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden, kan in bepaalde omstandigheden een inlichting zijn die van die aard is dat haar mededeling de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengt; in dat geval, waarover de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt, is dat gegeven vertrouwelijk zodat het, in tegenstelling tot het bepaalde is artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering in het in dat artikel bedoelde proces-verbaal niet moet worden vermeld. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Machtiging tot observatie - Proces-verbaal van uitvoering van de observatie - Wettelijk verplichte vermeldingen - Vermelding van de periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden - Inlichting die de afscherming van de opsporingsmethode of de veiligheid van de uitvoerders in het gedrang kan brengen Fiches 8 - 10 Het feit dat de juiste periode tijdens dewelke de machtiging tot het uitvoeren van de observatie verleend is, in bepaalde gevallen niet in het proces-verbaal van uitvoering is vermeld en bijgevolg niet aan de inverdenkinggestelde ter kennis is gebracht, levert geen schending op van artikel 6 E.V.R.M.; dit is voor de inverdenkinggestelde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging die evenwel verantwoord is door de noodzaak de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen alsmede de veiligheid van de uitvoerders te vrijwaren en hun identiteit af te schermen en die wordt gecompenseerd door het feit dat de regelmatigheid van uitgevoerde opsporingsmethoden getoetst wordt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, hier de kamer van inbeschuldigingstelling, en door het feit dat de inverdenkinggestelde in de latere stadia van de rechtspleging op basis van het open dossier al zijn rechtsmiddelen tegen de aangewende opsporingsmethoden zal kunnen aanwenden

(1).
(1)Zie Cass., 23 aug. 2005, AR P.05.0805.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6, A.C., 2005, nr 399 met concl. adv.-gen. Vandermeersch; Cass., 24 jan. 2006, AR P.06.0082.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.5, A.C., 2006, nr 52; Cass., 25 sept. 2007, AR P.07.0677.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.3, A.C., 2007, nr 433; Cass., 15 dec. 2009, AR P.09.1681.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12, A.C., 2009, nr ... . Zie ook Arbitragehof, arrest nr 202/2004 van 21 dec. 2004, B. 28 en B.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Proces-verbaal van uitvoering van de observatie - Niet-vermelding van de precieze periode van de machtiging Recht van verdediging - Beperking Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie Vrije woorden: Artikel 6.3 E.V.R.M. - Beperking Tekst van de beslissing Nr. P.10.0177.N I. H. E. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent; Recollettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest. II. R. E. I. inverdenkinggestelde, eiseres. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 januari 2010, op verwijzing gegeven ingevolge arrest van het Hof van 9 juli
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert geen middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 47septies, § 2, derde lid, en 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vermelding in het proces-verbaal van de uitvoering van de observatie dat deze werd uitgevoerd binnen de geldende periode van de verleende machtiging, niet strijdig is met het vereiste van artikel 47septies, § 2, derde lid, voormeld; dit artikel vereist integendeel dat het proces-verbaal van uitvoering van de observatie alle niet-vertrouwelijke gegevens, onder meer de periode tijdens dewelke de observatie volgens de machtiging kan worden uitgevoerd, vermeldt; de vermeldingen van dit proces-verbaal moeten overeenstemmen met die van de machtiging.
  4. De controle door de kamer van inbeschuldigingstelling over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, beoogt na te gaan of naar de gegevens van het vertrouwelijke dossier, de voorschriften bepaald in de artikelen 47sexies en 47septies van hetzelfde wetboek werden nageleefd zodat de bijzondere opsporingsmethode observatie regelmatig is. Dienaangaande gaat de kamer van inbeschuldigingstelling na of de vermeldingen van het proces-verbaal betreffende de toepassing van de observatie overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijke dossier.
  5. De enkele omstandigheid dat het proces-verbaal van de uitvoering van de observatie slechts vermeldt dat de observatie werd uitgevoerd binnen de geldende periode van de verleende machtiging, heeft niet noodzakelijk voor gevolg dat hierdoor de bijzondere opsporingsmethode observatie onregelmatig is. Het staat de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van het proces-verbaal en van de stukken van het vertrouwelijke dossier onaantastbaar in feite vast te stellen of de voorschriften van de artikelen 47sexies en 47septies werden nageleefd zodat de bijzondere opsporingsmethode observatie regelmatig werd uitgevoerd. Voor het overige belet het feit dat het proces-verbaal van uitvoering met betrekking tot de vermelding bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering vaststelt dat "de observaties werden uitgevoerd binnen de geldende periode van de verleende machtiging", de kamer van inbeschuldigingstelling geenszins na te gaan of die vermelding overeenstemt met de stukken van het vertrouwelijke dossier. Het middel faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vermelding in het proces-verbaal dat de uitvoering van de observatie plaatsvond binnen de geldende periode van de verleende machtiging, beantwoordt aan de inhoudelijke bedoeling van de wet; artikel 47septies, § 2, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering heeft integendeel tot doel de niet-vertrouwelijke gegevens, onder meer de periode tijdens dewelke de observatie kan worden uitgevoerd, kenbaar te maken in het niet-vertrouwelijke dossier.
  7. Artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, worden opgenomen. Daarentegen bepaalt artikel 47septies, §2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat de officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 6°, proces-verbaal opstelt van de verschillende fasen van uitvoering van de observatie, maar hierin geen elementen vermeldt die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengen.
  8. Uit deze bepalingen volgt dat de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, Wetboek van Strafvordering enkel in het proces-verbaal worden opgenomen op voorwaarde dat zij niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 47septies, § 2, tweede lid, voormeld.
  9. De periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden, kan in bepaalde omstandigheden een inlichting zijn die van die aard is dat haar mededeling de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengt. In dat geval, waarover de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt, is dat gegeven vertrouwelijk zodat het, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering in het in dat artikel bedoelde proces-verbaal niet moet worden vermeld. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  10. Het arrest oordeelt dat door de periode na aanvangsdatum van de machtiging te vermelden, de datum van de machtiging kan worden afgeleid waardoor niet alleen het vertrouwelijke karakter van de verleende machtiging zou worden miskend, maar ook alles of althans een deel van wat het vertrouwelijke dossier wetmatig dient af te schermen. Het oordeelt verder dat het niet uitdrukkelijk vermelden van de periode in het proces verbaal van uitvoering, maar enkel een loutere verwijzing naar de geldende periode van de verleende machtiging, verantwoord is door de aard der feiten waarvoor er ernstige schuldaanwijzingen waren, de complexiteit van de feiten, het internationale karakter naar mogelijke daders en feiten, een mogelijk gestructureerde criminele organisatie en de daartegenover ingezette noodzakelijke middelen en mensen om een discrete observatie mogelijk te maken. Met deze redenen geeft het arrest te kennen dat de niet-nauwkeurige vermelding in het proces-verbaal van de periode van de machtiging tot observatie hier verantwoord is door de noodzaak tot afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of tot de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht van verdediging, meer bepaald zijn recht op tegenspraak, niet is miskend; de vermeldingen die het proces-verbaal van uitvoering van de observatie overeenkomstig artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering moet vermelden zijn de minimumgarantie om de verdediging toe te laten tegenspraak te voeren met betrekking tot de bijzondere opsporingsmethode observatie.
  12. Het feit dat de juiste periode tijdens dewelke de machtiging tot het uitvoeren van de observatie verleend is, in bepaalde gevallen niet in het proces-verbaal van uitvoering is vermeld en bijgevolg niet aan de inverdenkinggestelde ter kennis is gebracht, levert geen schending op van artikel 6 EVRM. Dit is voor de inverdenkinggestelde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging, die evenwel verantwoord is door de noodzaak de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen alsmede de veiligheid van de uitvoerders te vrijwaren en hun identiteit af te schermen.
  13. Deze beperking van het recht op tegenspraak blijft over de hele duur van het proces uitzonderlijk en wordt gecompenseerd door het feit dat de regelmatigheid van uitgevoerde opsporingsmethoden getoetst wordt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, hier de kamer van inbeschuldigingstelling, en door het feit dat de inverdenkinggestelde in de latere stadia van de rechtspleging op basis van het open dossier al zijn rechtsmiddelen tegen de aangewende opsporingsmethoden zal kunnen aanwenden. Hierdoor wordt het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde niet aangetast. Het onderdeel faalt naar recht. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en van de artikelen 47septies en 235bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de datum waarop de machtiging is gegeven, behoort tot het vertrouwelijke karakter van de bijzondere opsporingsmethode; die datum kan dergelijke inlichting niet zijn.
  15. Anders dan het middel aanvoert, kan de datum van de machtiging op grond van de omstandigheden een inlichting zijn die afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengt. Het middel faalt naar recht. Prejudiciële vraag
  16. De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: Schendt artikel 235ter, § 3 en § 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en [11] van de Grondwet, zowel op zichzelf als in [samenhang gelezen] met artikel 13 Grondwet en de artikelen 6 en 13 EVRM, doordat ingevolge deze wetsbepaling het Hof van Cassatie slechts een beperkt cassatietoezicht kan uitoefenen op de arresten betreffende de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, aangezien het vertrouwelijke dossier niet door de magistraten van het Hof van Cassatie mag worden ingezien, terwijl het Hof van Cassatie tegen arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering wel op basis van het volledige dossier [zijn] toezicht kan uitoefenen.
  17. Deze vraag houdt geen verband met de aangevoerde middelen en hoeft bijgevolg niet te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 171,62 euro waarvan op elk cassatieberoep 85,81 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 2 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120320.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.