id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.4 Rolnummer: C.09.0042.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-04-06 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-07-02 21:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De in het gelijk gestelde procespartij heeft recht op de rechtsplegingsvergoeding indien zij zich liet bijstaan en vertegenwoordigen door een advocaat; procespartijen die in persoon verschijnen, kunnen geen rechtsplegingsvergoeding vorderen
(1)Zie J.-F. Van Droogenbroeck en B. De Coninck, La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d'avocat, J.T., 2008, 51, nr 65; H. Lamon, Verhaalbaarheid advocatenkosten. Wet van 21 april 2007, NjW, 2007, 436, nr
- Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste lid Thesaurus CAS: ADVOCAAT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Kosten en erelonen - Rechtsplegingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.09.0042.N
- V.I.
- V.S.,
- V.J.,
- V.K.,
- B.J. eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- L.F.,
- V.G.,
- P.J., verweerders. I. RECHTSPLEGING VAN HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 17 september 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- De omvang van de opdracht van de deskundigen was geen geschilpunt waarover tussen de partijen betwisting bestond tijdens de procedure in hoger beroep. De appelrechters hebben in het bestreden eindvonnis geen uitspraak gedaan over de omvang van de opdracht van de deskundigen die werd bepaald in de tussenvonnissen van de eerste rechter van 26 oktober 1992 en 20 februari 1995, en zij hebben deze tussenvonnissen ook niet bevestigd. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bestreden eindvonnis de tussenvonnissen van 26 oktober 1992 en 20 februari 1995 bevestigt, mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechters oordelen dat: - de stelling van de eisers, dat de plaatsing van ondergrondse leidingen niet tot gevolg heeft dat private eigendom overgaat in openbare handen, kan worden gevolgd, maar dat de vraag blijft of de grond op dat ogenblik wel private eigendom was; - indien dit zo was geweest de notaris dit alleszins in de akte zou vermeld hebben en er in de akte zou opgenomen geweest zijn dat de leidingen liepen langs een private eigendom met toelating van de eigenaars; - de strook grond bovendien een verschillende diepte heeft vergeleken met de aanpalende percelen en er dient vastgesteld te worden dat de strook grond geen kadastraal nummer draagt, hetgeen wel het geval zou geweest zijn indien het private eigendom was; - deze feitelijke elementen erop wijzen dat de strook grond niet tot de eigendom van de eisers, noch van de tweede en derde verweerders behoort; - de stelling van de eisers dat de strook privé-eigendom is, evenmin wordt bevestigd door de grootte van de percelen; - de waarde van de Atlas der buurtwegen kan vergeleken worden met deze van de kadastrale gegevens; - het ene element, namelijk dat de betwiste strook grond niet als weg op de Atlas der Wegen werd aangeduid, niet opweegt tegen alle elementen samen die er op wijzen dat de strook grond openbaar domein is.
- De appelrechters die om die redenen het hoger beroep van de eisers hebben verworpen en oordelen dat de betwiste strook grond een openbare weg is, gronden hun beslissing niet uitsluitend op de besluiten van de gerechtsdeskundigen. Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, steunen de appelrechters hun beslissing dat de betwiste strook grond als openbare weg deel uitmaakt van het openbaar domein, niet op de enkele vaststellingen dat die strook in diverse van de door de gerechtsdeskundigen onderzochte akten, titels en stukken wordt vermeld als een weg en zelfs wordt aangeduid als een openbare weg. Zij steunen hun beslissing ook op de in randnummer 2 weergegeven redenen. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede middel
- Krachtens artikel 1100 van het Gerechtelijk Wetboek mogen, benevens de stukken die bij het dossier van de rechtspleging werden gevoegd, in het proces voor het Hof uitsluitend aangewend worden de stukken die voldoen aan de voorschriften van de artikelen 1097, 1098 en 1099 van dit wetboek, alsmede de akten van afstand of hervatting van het geding, de akten van overlijden ingeval het overlijden de rechtsvordering doet vervallen, de machtigingen om te pleiten en de stukken die zijn overgelegd ten bewijze dat de voorziening of de memorie van antwoord is toegelaten. Het Hof kan geen acht slaan op de brief van 21 april 2009 die door de tweede en derde verweerders aan de griffie werd toegezonden en waarbij zij afstand doen van de rechtsplegingsvergoeding die hen werd toegekend door het bestreden vonnis.
- Krachtens artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Hieruit volgt dat de in het gelijk gestelde procespartij recht heeft op de rechtsplegingsvergoeding, indien zij zich liet bijstaan en vertegenwoordigen door een advocaat en dat procespartijen die in persoon verschijnen, geen rechtsplegingsvergoeding kunnen vorderen.
- De appelrechters die de eisers veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro aan de tweede en derde verweerder die geen beroep deden op een advocaat, schenden artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak doet over de rechtsplegingsvergoeding die werd toegekend aan de tweede en derde verweerder. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op het kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eisers in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 11 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div