id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010
Art. 2244Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt.
4, eerste lid, en 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Burgerlijke vordering voor de strafrechter UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden - Burgerlijke vordering Vrije woorden: Tijdig ingestelde burgerlijke vordering - Duur Wettelijke bepalingen:
Art. 2244Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt.
4, eerste lid, en 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden - Burgerlijke vordering Vrije woorden: Tijdige instelling voor de strafrechter - Verjaring van de strafvordering Wettelijke bepalingen:
Art. 2244Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt.
4, eerste lid, en 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.09.1519.N L. V vrijwillig tussengekomen partij, eiser, met als raadsman mr. Brecht Michels, advocaat bij de balie te Brugge. tegen
- L. E. V. C. beklaagde,
- L. P. L. C. beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september
- De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 2262 Burgerlijk Wetboek: daar de eiser tijdig, vóór de verjaring van de strafvordering, zijn burgerlijke rechtsvordering tot teruggave van de inbeslaggenomen gelden aan de faillissementsboedel voor de strafrechter had ingesteld, oordelen de appelrechters onterecht niet bevoegd te zijn om deze vordering te beoordelen.
- Krachtens artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering. Krachtens artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering. Artikel 2244 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Uit die bepalingen volgt dat wanneer de burgerlijke rechtsvordering tijdig voor de strafrechter is ingesteld, de verjaring ervan niet meer loopt totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing het geding beëindigd heeft. Ongeacht de verjaring van de strafvordering blijft de strafrechter bevoegd om de burgerlijke rechtsvordering te beoordelen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser op de rechtszitting van 20 november 2002 voor de eerste rechter een akte van vrijwillige tussenkomst heeft neergelegd waarin hij verzocht "te zeggen voor recht dat de gelden die in het kader van huidige procedure werden in beslag genomen, (...) toekomen aan verzoeker qq. in zijn hoedanigheid van curator van de gefailleerde vennootschap (...) en dienen te worden overgemaakt op faillissementsrekening (...)"; - bij vonnis van 22 januari 2003 de eerste rechter besliste de strafzaak lastens de verweerders af te splitsen en de behandeling ervan onbepaald uit te stellen; tevens stelde de rechtbank vast dat de vordering van de eiser, vrijwillig tussengekomen partij, niet kon beoordeeld worden en dat de behandeling ervan onbepaald diende te worden uitgesteld om deze samen met de strafvordering lastens de eerste verweerder te beoordelen; - het beroepen vonnis van 17 januari 2007 oordeelde dat de strafvordering ten aanzien van de eerste verweerder voor de feiten AI, AII, AIII, AIV, BI en BII was vervallen ingevolge verjaring op 17 januari 2004, en ten aanzien van de tweede verweerder voor de feiten AII en BII vervallen was ingevolge verjaring op 19 mei
- Het bestreden arrest oordeelt "dat de strafvordering vervallen was door verjaring vooraleer de eerste rechter geadieerd werd, zodat deze geen rechtsmacht meer had om nog te beslissen over de vordering van de [eiser] tot teruggave, ingesteld nadat de verjaring van de strafvordering reeds was ingetreden". Aldus verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Eerste middel
- Het middel dat niet leidt tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerders in de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Begroot de kosten op 376,25 euro waarvan 124,01 euro verschuldigd is en 252,24 euro betaald werd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 16 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100316.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160418.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220914.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080312.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200422.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div