← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.3 Rolnummer: C.09.0288.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-04-09 Raadplegingen: 614 - laatst gezien 2026-07-02 18:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, wanneer met name de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Omslaan van de kosten - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, derde lid Tekst van de beslissing Nr. C.09.0288.N COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG), met zetel te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat 26-38, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen INTER-ENERGA, opdrachthoudende vereniging voor energiebedeling, met zetel te 3500 Hasselt, Trichterheideweg 8, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 november 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Bij akte ter griffie van het Hof ontvangen op 18 september 2009, doet de eiseres afstand van het tweede onderdeel van het enig middel van haar cassatieberoep. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld dat de eiseres bij beslissing van 21 december 2006 het tariefvoorstel van de verweerster voor het exploitatiejaar 2007 heeft verworpen, en voorlopige tarieven heeft opgelegd voor een periode van drie maanden ingaande op 1 januari 2007, en dat de eiseres deze voorlopige tarieven vervolgens, bij beslissingen van 21 maart, 28 juni en 20 september 2007, heeft verlengd voor opeenvolgende periodes van drie maanden (bestreden arrest, §§7-8), en dat de eiseres de "wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding' vordert zonder nadere precisering (paragraaf 51) en dat de partijen het erover eens zijn dat het geschil niet op geld waardeerbaar is, zodat het basisbedrag 1.200,00 euro beloopt (paragraaf 55), en na de vier verhalen van verweerster ten gronde te hebben verworpen, beslist het hof van beroep, bij het bestreden arrest, dat de rechtsplegingsvergoeding ten voordele van de verweerster dient te worden begroot op 1.200,00 euro en deze ten voordele van de eiseres op 3.600,00 euro, compenseert de rechtsplegingsvergoedingen over en weer ten belope van het kleinste bedrag en veroordeelt de verweerster tot betaling aan de eiseres van 2.400,00 euro rechtsplegingsvergoeding (paragraaf 49-50 en dispositief). Deze beslissing is, in essentie, op de volgende overwegingen gegrond:

  1. De grief van verweerster ten aanzien van de beslissing van 21 december 1996 wegens bevoegdheidsoverschrijding wegens ontstentenis van motivering inzake de afschrijvingsvoeten is gegrond (paragraaf 49). Dit heeft echter niet tot gevolg dat die beslissing dient te worden vernietigd, nu uit de behandeling van de grief ook gebleken is dat de beslissing van de eiseres om de door de eiseres ingediende afschrijvingsvoeten voor materiële vaste activa als onredelijk te verwerpen, niet bekritiseerbaar is (paragraaf 49). Het hof van beroep stelt de adequaat bevonden motieven in de plaats ten aanzien van de bestreden beslissing van 21 december 2006, bevestigt de voor de vier trimesters van het exploitatiejaar 2007 vastgestelde tarieven, en verwerpt de verhalen ten gronde (paragraaf 50). Inzake de toemeting van de kosten der rechtspleging: "
  2. Aangezien (de verweerster) een verhaal moest indienen om de adequate motieven te bekomen voor de eerste tariefbeslissing dienen de gerechtskosten ten laste van (de eiseres) te blijven, met uitzondering van de rolrechten die betaald werden in de zaken met de rolnummers 2007/1236, 2007/2113 en 2007/
  3. (...)
  4. (...) Bij onderhavig arrest wordt uitspraak gedaan over vier gedingen die worden gevoegd, maar slechts in één ingediend verhaal is de grief gegrond. (...) De rechtsplegingsvergoeding ten voordele van (verweerster) dient te worden begroot op 1.200,00 euro en deze ten voordele van (de eiseres ) op 3.600,00 euro". Grieven Eerste onderdeel Artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten ... De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt ... wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld ...". Waar een vordering tot nietigverklaring, zij het dan mits substitutie van motieven, ongegrond wordt verklaard, kan de verwerende partij in een geding niet als "in het ongelijk gestelde partij" in de zin van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden gekwalificeerd. Daar waar het oordeelt dat de gerechtskosten ten laste van eiseres moeten blijven aangezien de verweerster een verhaal moest indienen om de adequate motieven te bekomen voor de eerste tariefbeslissing, kwalificeert het bestreden arrest, op impliciete maar zekere wijze, de eiseres als "in het ongelijk gestelde partij" in de zin van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden arrest schendt aldus artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Volgens artikel 1, tweede lid, van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, worden de in het KB bepaalde bedragen vastgelegd "per aanleg". Bij het voegen van verschillende zaken ligt slechts één enkele aanleg voor. Derhalve kan, waar verschillende zaken tussen twee partijen worden gevoegd, slechts één enkele rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. Door evenveel rechtsplegingsvergoedingen toe te kennen als er gevoegde zaken zijn, schendt het bestreden arrest artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 1017, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, wanneer met name de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld.
  6. Te dezen verwierp het bestreden arrest de door de verweerster ingestelde vorderingen tot nietigverklaring. De eiseres werd niettemin in het ongelijk gesteld met betrekking tot de door de verweerster aangevoerde grief inzake overschrijding van bevoegdheid. De appelrechters stelden vervolgens de door hen adequaat bevonden motieven in de plaats van de beroepen beslissing.
  7. De appelrechters vermochten derhalve, zonder schending van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten om te slaan zoals zij het raadzaam oordeelden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Het Hof geeft akte van de neergelegde afstand. Gelet op de afstand, behoeft het onderdeel geen antwoord. Dictum Het Hof, Verleent akte van de gedeeltelijke afstand van het cassatieberoep. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten in zijn geheel op de som van 414,08 euro jegens de eisende partij en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 25 maart 2010 uitgesproken door waarnemend voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120119.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121123.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.