id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100329.5 Rolnummer: S.08.0147.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 330 - laatst gezien 2026-07-02 18:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het gelijkheidsbeginsel neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en het beginsel van niet-discriminatie neergelegd in artikel 11 van de Grondwet richten zich tot de overheid in haar publiekrechtelijke relatie tot de burgers. Zij houden geen rechtstreekse verplichtingen in voor de burgers onderling en gelden niet rechtstreeks in de arbeidsverhouding tussen een openbare instelling en haar werknemers. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeids- en rusttijden - Overwerk Vrije woorden: Artikel 11 - Gelding - Publiekrechtelijke relatie van de overheid tot de burgers Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Tekst van de beslissing Nr. S.08.0147.N G.P. eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AGENTSCHAP VOOR BUITENLANDSE HANDEL, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Montoyerstraat 3, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 juni 2008 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift tot cassatie drie middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel Eerste en tweede onderdeel
- Het arrest oordeelt met betrekking tot de vordering van de eiser tot weddeaanpassing: "Op grond van artikel 52 van het statuut BDBH kon de heer Geirregat de toevoeging bekomen van 48 maanden aan zijn dienstanciënniteit ingevolge zijn licentiaatdiploma, maar dit gebeurt enkel ‘op zijn verzoek'; het arbeidshof vindt in het stukkenbundel geen verzoek in die zin". Aldus oordeelt het arrest dat de eiser geen toevoeging van dienstanciënniteit had aangevraagd en dienvolgens niet had bekomen.
- Gelet op deze beslissing diende het arrest niet meer te antwoorden op het verweer van de eiser dat met de toevoeging van de dienstanciënniteit op grond van artikel 52 van het statuut BDBH rekening diende te worden gehouden voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Eerste middel
- Het arrest oordeelt over eisers vordering tot toekenning van een vakantiegeld bij uitdiensttreding onder de rubriek "Betaling vertrekvakantiegeld en afgifte sociale documenten" (arrest, p. 12, onder randnummer 2). Met de door het middel bekritiseerde reden oordeelt het arrest over de samenstelling van het jaarloon dat de berekeningsbasis vormt ter bepaling van de verschuldigde opzeggingsvergoeding (arrest, p. 13, onder randnummer 3 "De aanvullende opzeggingsvergoeding"). Met de bedoelde reden geeft het arrest te kennen dat de eiser in zijn berekening van het jaarloon dat de basis vormt ter bepaling van de verschuldigde opzeggingsvergoeding, onterecht vakantiegeld, berekend op de eindejaarspremie, opneemt. Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest met de bedoelde reden eisers vordering tot toekenning van het vakantiegeld bij uitdiensttreding gedeeltelijk afwijst, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel Beide subonderdelen
- De appelrechters oordelen dat de door de eiser ingeroepen feiten die zich situeren voor de inwerkingtreding van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, respectievelijk voor de inwerkingtreding van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, niet voor pestgedrag of discriminatie in aanmerking kunnen worden genomen.
- Het onderdeel voert aan dat alle door de eiser ingeroepen feiten, zowel de feiten die zich situeren van voor de inwerkingtreding van de voormelde wetten, als deze daterend van na de inwerkingtreding van deze wetten, de uitingen zijn van eenzelfde opzet tot pestgedrag of discriminerend gedrag, dat is blijven voortduren na de inwerkingtreding van deze wetten. Dit werd niet aangevoerd voor de feitenrechters, zodat het onderdeel nieuw is, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het gelijkheidsbeginsel neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en het beginsel van niet-discriminatie neergelegd in artikel 11 van de Grondwet richten zich tot de overheid in haar publiekrechtelijke relatie tot de burgers. Zij houden geen rechtstreekse verplichtingen in voor de burgers onderling en gelden niet rechtstreeks in de arbeidsverhouding tussen een openbare instelling en haar werknemers. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
- Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de eiser schadevergoeding vorderde, onder meer op grond van de Antidiscriminatiewet van 25 februari 2003 in samenhang met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, wegens discriminatie omwille van zijn handicap, wegens discriminatie bij zijn overdracht naar het Agentschap voor Buitenlandse handel en wegens pesterijen die gepaard gingen bij de discriminerende houding van zijn werkomgeving, en op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens overtreding van het discriminatieverbod. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eiser zijn vordering ook rechtstreeks steunde op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel dat aanvoert dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij geen horizontale werking zouden hebben in de arbeidsverhouding tussen een particulier en een openbare instelling, buiten toepassing moeten gelaten worden wegens strijdigheid met het beginsel van het recht van de Unie betreffende het verbod van discriminatie, legt niet uit hoe het gedeeltelijk buiten toepassing laten van deze grondwetsbepalingen de uitbreiding van hun werkingsveld tot gevolg zou hebben en zou kunnen leiden tot het gegrond verklaren van eisers vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens discriminatie. Het onderdeel is onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 300,53 euro jegens de eisende partij en op de som van 292,99 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 29 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100329.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div