id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.3 Rolnummer: C.08.0457.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-05-04 Raadplegingen: 682 - laatst gezien 2026-07-02 18:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beslissing dat de partij op wier verzoek de betekening aan de procureur des Konings is verricht de woon- of verblijfplaats van de eiser in het buitenland niet kende en ook niet moest kennen, is niet naar recht verantwoord wanneer de rechter daartoe oordeelt zonder na te gaan of een betekening aan die laatst gekende woon- of verblijfplaats onwerkdadig was dan wel of uit elementen bleek dat die woon- of verblijfplaats niet langer actueel was
(1)Het O.M. concludeerde tot de ongegrondheid van het middel en tot verwerping van het cassatieberoep op grond van eerdere rechtspraak van het Hof dat wanneer, wegens de eigen nalatigheid van de betrokkene, diens woon- of verblijfplaats niet bekend is op het ogenblik van de betekening, de aan de procureur des Konings gedane betekening niet ongedaan is (Cass., 13 dec. 2000, AR P.00.1110.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001213.10, A.C., 2000, nr. 686) en dat de loutere mogelijkheid op zich dat degene aan wie moet worden betekend op een bepaald adres in het buitenland zou kunnen worden aangetroffen, de partij op wier verzoek de betekening wordt verricht er niet toe kan verplichten in dergelijk geval opsporingen te doen naar diens juiste adres aldaar (Cass., 14 feb. 1995, AR P.93.1431.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950214.7, A.C., 1995, nr. 89). Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Wijze van betekening - Aan Procureur des Konings Vrije woorden: Betekening aan de procureur des Konings - Kennis van de woon- of verblijfplaats in het buitenland Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede en vierde lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0457.N V.L. F., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen Antwerpen, zesde ontvangkantoor, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest,
- V. H., gerechtsdeurwaarder, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 maart 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 40 en 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 14 van de EG-verordening nr. 1348/2000 van de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken; - algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag,g, zoals afgeleid uit artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei
- Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 19 maart 2008 verklaart het hof van beroep te Antwerpen eisers hoger beroep tegen de beschikking van de beslagrechter, waarbij zijn verzet tegen een dwangbevel, betekend op 11 juli 2002 en ertoe strekkende het exploot van gerechtsdeurwaarder V. van 11 juli 2002 te doen nietig verklaren en te horen zeggen voor recht dat het recht op invordering van de belastingschuld, voortvloeiende uit de aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1992 met inbegrip van de nalatigheidsinteresten en de gerechtsdeurwaarderskosten, definitief verjaard was, ongegrond werd verklaard en hij tot de kosten werd veroordeeld, ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt de bestreden beschikking en verwijst hem in de kosten van het hoger beroep. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "Naar luid van artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek stuurt de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en met de luchtpost indien de plaats van bestemming niet in een aangrenzend land ligt, onverminderd enige andere wijze van toezending overeengekomen tussen België en het land waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben. De betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vormen die in dit artikel worden bepaald. Heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft of indien hij geen woonplaats in België heeft, aan de procureur des Konings te Brussel. De betekeningen mogen altijd aan de persoon worden gedaan, indien deze in België wordt aangetroffen. De betekening in het buitenland of aan de procureur des Konings is ongedaan indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of in voorkomend geval in het buitenland, kende. Het bewijs van de kennis van woon-, verblijf- of gekozen woonplaats moet worden geleverd door de partij die zich erop beroept. Te dezen heeft de heer F.V.L.de last van het bewijs dat de ontvanger kennis had of diende te hebben van zijn woon- of verblijfplaats. Het blijkt te dezen dat de ontvanger der directe belastingen te Antwerpen, zesde kantoor, die het dwangbevel van 11 juli 2002 ter stuiting van de verjaring heeft laten betekenen, de woon- of verblijfplaats van de heer Freddy Van Laken, aan wie dat exploot moest worden betekend, niet kende en ook niet moest kennen. Hij wist enkel uit inlichtingen verstrekt door de bevolkingsdienst in Nederland dat betrokkene in april 1997 was vertrokken naar Spanje, Gran Canaria, zonder gekend adres. Dit gebrek aan kennis van de actuele woon- en/of verblijfplaats van de heer F.V.L.is te wijten aan de hiaat in het bevolkingsregister in Nederland, waardoor de ontvanger niet binnen een redelijke termijn (het gaat hier om een verjaringstuitend dwangbevel) die woon- of verblijfplaats in het buitenland kon achterhalen, wat aan de heer Van Laken toe te schrijven is, nu hij bij zijn vertrek uit Nederland verzuimde een correcte opgave van zijn adres in Spanje op te geven. Het gegeven dat de ontvanger der directe belastingen van hetzelfde kantoor op 1 september 1997 een dwangbevel liet betekenen op het adres van F.V.L.in Spanje (Playa del Ingles, ... ), volgens gegevens die toen waren verstrekt door de lokale autoriteit, impliceert niet dat de ontvanger van datzelfde kantoor in juli 2002 wist of diende te weten wat de actuele woon- of verblijfplaats van de heer F.V.L. op dat ogenblik was. De heer F.V.L. voldoet niet aan de bewijslast. Er is geen rechtsgrond voorhanden om de betekening door gerechtsdeurwaarder H.V. van het verjaringstuitend dwangbevel van 11 juli 2002 ongedaan te verklaren, evenmin om de betrokken belastingschuld verjaard te verklaren en handlichting te bevelen van de hypothecaire inschrijving op het onroerend goed te Merksem, (...), bus (...). Het hoger beroep van de heer F.V.L. tegen gerechtsdeurwaarder V. is eveneens ongegrond". Grieven Eerste onderdeel Naar luid van artikel 40, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek stuurt de gerechtsdeurwaarder aan hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats hebben bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte aan hun woonplaats in het buitenland en met de luchtpost indien de plaats van bestemming niet in een aangrenzend land ligt, onverminderd enige andere wijze van toezending overeengekomen tussen België en het land waar zij hun woonplaats of verblijfplaats hebben. Artikel 14 van de EG-verordening nr. 1348/2000 van de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de Lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, bevestigt deze mogelijkheid, nu het bepaalt dat elke Lidstaat bevoegd is om de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan zich in een andere Lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te doen verrichten. In het tweede lid van voornoemd artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gepreciseerd dat de betekening wordt gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter, die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt wanneer de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft of indien hij geen woonplaats in België heeft, aan de procureur des Konings te Brussel. Op deze wijze van betekening kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden een beroep worden gedaan. Blijkt dat de partij, op wier verzoek de betekening aan de procureur des Konings is verricht, de woonplaats of de verblijfplaats van degene aan wie betekend werd, in België of in voorkomend geval in het buitenland kende of had moeten kennen, dan is de betekening ongedaan zulks overeenkomstig artikel 40, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De betekening aan de procureur des Konings veronderstelt met name dat de verzoeker en de door hem aangewezen gerechtsdeurwaarder loyaal alle nuttige opzoekingen hebben verricht met het oog op het bepalen van de woonplaats of verblijfplaats van de bestemmeling. Deze verplichting ligt besloten, niet alleen in artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek maar ook in het algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag, zoals afgeleid uit artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De verzoeker mag de woonplaats slechts dan als onbekend beschouwen indien alle opzoekingen, geboden door de voorzichtigheid, waakzaamheid en goede trouw, vruchteloos zijn gebleven, hetgeen impliceert dat hij alle inlichtingen, die hem bekend waren, aan de gerechtsdeurwaarder heeft aangereikt en dat de gerechtsdeurwaarder zelf ernstige en nuttige opzoekingen heeft verricht met het oog op het bepalen van de woonplaats of de verblijfplaats van de geadresseerde. Een en ander impliceert dat de opzoekingen daar worden aangevat waar deze van aard zijn enig resultaat op te leveren. Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep in het bestreden arrest gedane vaststellingen dat de eiser reeds in april 1997 in Nederland was uitgeschreven naar Spanje, Gran Canaria en dat er op 1 september 1997 op verzoek van de ontvanger der directe belastingen van hetzelfde kantoor een dwangbevel werd betekend op de eisers adres in Spanje, met name Playa del Ingles, (...), en dit volgens de gegevens die toen waren verstrekt door de lokale autoriteit. Uit deze vaststellingen volgt dat de verweerders wisten dat de eiser sinds april 1997 in Nederland was uitgeschreven naar Spanje, alwaar de eiser overigens nog steeds woonde. Zij konden dan ook eisers woon- of verblijfplaats niet als onbekend aanzien zolang zij geen enkele ernstige opzoeking verrichtten in Spanje en meer bepaald zolang zij niet, zoals het een loyale en zorgvuldig handelende partij betaamt, geverifieerd hadden of de eiser nog steeds woonachtig was op het adres, waar de voorgaande betekening was gebeurd, dan wel of de eiser aldaar bij de bevoegde autoriteiten een adreswijziging had gemeld. Te dezen blijkt evenwel uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat de deurwaarder, aan wie door de verweerder in 2002 de opdracht werd toevertrouwd om een nieuw dwangbevel te betekenen, alleen in Nederland, alwaar de eiser nochtans reeds sinds april 1997 was uitgeschreven, opzoekingen deed naar diens adres. Besluit Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit volgt dat de ontvanger der directe belastingen, door tussenkomst van gerechtsdeurwaarder V. , zijn opzoekingen naar de eisers adres beperkte tot Nederland, alwaar de eiser nochtans reeds sinds april 1997 was uitgeschreven naar Spanje, waar hem reeds in september 1997 ten verzoeke van de ontvanger van hetzelfde kantoor een dwangbevel was betekend geworden, zonder enige opzoeking te verrichten of te laten verrichten in Spanje teneinde uit te zoeken of de eiser nog steeds aldaar verbleef dan wel een adreswijziging had gemeld bij de bevoegde autoriteiten en derhalve zonder enige ernstige opzoeking te hebben verricht in het land van de laatst gekende verblijfplaats van de eiser, zoals het een zorgvuldig handelende en loyale procespartij betaamt, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat "te dezen (blijkt) dat de Ontvanger der directe belastingen te Antwerpen, 6° kantoor, die het dwangbevel van 11 juli 2002 ter stuiting van de verjaring heeft laten betekenen, de woon-of verblijfplaats van (de eiser), aan wie moest worden betekend, niet kende en ook niet moest kennen" (schending van artikelen 40 van het Gerechtelijk Wetboek, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 14 van de EG-verordening nr. 1348/2000 van de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, evenals van het algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag, zoals afgeleid uit artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955) en kon het hof van beroep, gelet op de gedane vaststellingen, waaruit blijkt dat iedere opzoeking in Spanje - het land waar de eiser was gevestigd op het tijdstip van de voorgaande betekening - die de verweerders had toegelaten te achterhalen dat de eiser aldaar nog steeds woonachtig was, achterwege bleef niet wettig beslissen dat de eiser niet voldeed aan de op hem rustende bewijslast dat de verweerders zijn woon- of verblelaats hadden dienen te kennen (schending van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel De eiser wees in zijn conclusie in hoger beroep op pagina 6 en volgende op de omstandigheid dat de betekening aan de procureur des Konings een uitzonderingskarakter heeft, omdat bij een dergelijke wijze van betekening het exploot de geadresseerde zo goed als zeker niet bereikt. Onder verwijzing naar professor Fettweis liet hij gelden dat "de betekening aan het parket een ultieme remedie (is). Behoudens uitzonderlijke omstandigheden voldoet zij niet, gezien de kopie van het exploot niet ter kennis komt van de bestemmeling. Zij kan enkel worden toegelaten indien de concluant op loyale wijze alle nuttige opzoekingen heeft verricht om de woon - of verblijfplaats van de tegenpartij te achterhalen ". De eiser wees erop dat de fiscus en de gerechtsdeurwaarder zijn adres kenden, gezien het exploot van betekening van 1997 het correcte adres vermeldde en de ontvangst zelfs uitdrukkelijk werd bevestigd door de eiser, die tekende voor ontvangst. Deze ontvangstbevestiging zat in het dossier van de gerechtsdeurwaarder en de fiscus (stuk 3). Hij vervolgde dat het dan ook logisch ware geweest om terug op datzelfde adres te betekenen, minstens om van dat adres te vertrekken om verdere opzoekingen naar het adres van de geadresseerde te doen. Te dezen bleek evenwel dat niet op dat adres werd betekend, ofschoon artikel 40, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek oplegt dat dient betekend te worden aan de gekende woon- of verblijfplaats in het buitenland. Het bleek evenmin dat de gerechtsdeurwaarder nuttige opzoekingen had verricht naar het adres van de eiser, zoals dat een plicht voor een gerechtsdeurwaarder is en zoals dat wordt bevestigd door Laenens, Broeckx & Scheers, Handboek gerechtelijk recht, 2004, nr. 667, die in niet mis te verstane bewoordingen het volgende stellen: "Voormelde betekeningswijze (aan de procureur des Konings) is slechts toegelaten wanneer alle nodige opsporingen gedaan zijn om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de geadresseerde te achterhalen ". Het niet doen van deze opzoekingen geeft blijk van een toerekenbare nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder. De eiser vervolgde dat, indien de gerechtsdeurwaarder er in 1997 in slaagde om zijn juiste adres te achterhalen, hij dit zeker moest kunnen in 2002, omdat hij dan over meer gegevens beschikte. Daarbij kwam bij dat hij sedert 1995 onafgebroken in Gran Canaria, Spanje heeft gewoond. Hij voerde aan dat de deurwaarder nuttige opzoekingen had kunnen doen naar zijn woon- of verblijfplaats bij de lokale politie. Immers, waar hij sinds 1995 tot op heden woont in de stad San Bartolomé de Tirajana in Gran Canaria en aldaar maar op twee adressen heeft gewoond, welke beide adressen onder dezelfde administratie van San Bartolomé de Tirajana vallen en gezien er maar één bevoegd politiekantoor is voor beide adressen, was de gerechtsdeurwaarder - indien hij navraag had gedaan - altijd bij de juiste territoriaal bevoegde politieadministratie terechtgekomen! De gerechtsdeurwaarder had evenwel niet de moeite genomen om deze diensten te contacteren. De eiser stelde voorts dat hij ook beroep had kunnen doen op het consulaat of de ambassade, wat niet was gebeurd, en dat hij inlichtingen had kunnen inwinnen bij de Centrale instantie die in elke Lidstaat aangewezen diende te worden en die, krachtens artikel 3 van de Betekeningsverordening, tot taak heeft de verzendende instanties, in casu de Belgische gerechtsdeurwaarder, informatie te verschaffen. Uit artikel 3 van de "Mededelingen" uit 2001 blijkt dat Spanje als Centrale instantie de "Subdireccion Generàl de Cooperaccion Juridica Internacional" in Madrid heeft aangewezen. De gerechtsdeurwaarder had ook hier inlichtingen kunnen opvragen over de woon- of ver¬blijfplaats van de eiser, quod non. De eiser stelde vast dat van al deze mogelijkheden de gerechtsdeurwaarder er niet één heeft geprobeerd en er derhalve geen enkele nuttige opzoekingdaad is verricht. Hij voegde eraan toe dat de gerechtsdeurwaarder zo niet de woonplaats, dan toch minstens de verblijfplaats van de eiser kende. Deze is immers sinds 1995 tot op heden ongewijzigd, zijnde het adres waar het café "'t Duvelke" is gevestigd en dat door de eiser zeven dagen op zeven wordt uitgebaat. Dit adres kende de gerechtsdeurwaarder met zekerheid, want daar had hij in 1997 aan betekend en dit exploot was zelfs voor ontvangst teruggestuurd door de eiser aan de gerechtsdeurwaarder. Hij besloot dat het dan ook onbegrijpelijk was dat de gerechtsdeurwaarder niet gewoon op dit adres had betekend. De gerechtsdeurwaarder beschikte immers in 2002 over geen enkel element waaruit enige wijziging in de woon- of verblijfssituatie van eiser tegenover 1997 kon blijken. De eiser verweet zodoende verwerende partijen geen enkele opzoeking te hebben verricht in Spanje, alwaar hem nochtans reeds in 1997 een eerder dwangbevel was betekend geworden. Besluit Het hof van beroep, dat voornoemd verweer, waarin op omstandige wijze werd betoogd dat de betekening aan het parket, in afwezigheid van enige opzoeking in Spanje met het oog op het achterhalen van zijn woonplaats aldaar, onregelmatig was, onbeantwoord laat, heeft zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 40, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat indien de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de betekening wordt gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt. Krachtens het vierde lid van voormeld artikel is die betekening aan de procureur des Konings ongedaan indien de partij op wier verzoek ze is verricht, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of, in voorkomend geval in het buitenland, kende.
- De appelrechters stellen vast dat eerder "de ontvanger der directe belastingen van hetzelfde kantoor op 1 september 1997 een dwangbevel liet betekenen op het adres van (de eiser) in Spanje (Playa del Ingles, ...), volgens gegevens die toen waren verstrekt door de lokale autoriteit". De appelrechters die vervolgens oordelen dat de eerste verweerder de woon- of verblijfplaats van de eiser niet kende en ook niet moest kennen, zonder na te gaan of een betekening aan die laatst gekende woon- of verblijfplaats onwerkdadig was dan wel of uit elementen bleek dat die woon- of verblijfplaats niet langer actueel was, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 1 april 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950214.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001213.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div