← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.4 Rolnummer: C.09.0062.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-05-04 Raadplegingen: 503 - laatst gezien 2026-07-02 19:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In zoverre de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het cassatieberoep betreft, kan de eiser deze beantwoorden met een memorie van wederantwoord; dat antwoord moet vooraf aan de advocaat van de verweerder betekend worden; de voorafgaande betekening is een substantiële rechtsvorm. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) Vrije woorden: Memorie van wederantwoord - Voorafgaande betekening - Substantiële rechtsvorm Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1079 en 1094 Fiches 2 - 3 Het instellen van het cassatieberoep maakt een onderdeel uit van het voeren van een rechtsgeding namens de gemeente, zodat het college van burgemeester en schepenen daartoe moet beslissen

(1).
(1)Zie Cass., 3 okt. 2008, AR C.07.0198.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.4, A.C., 2008, nr. 525 (hoger beroep). Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) Vrije woorden: Gemeente - Rechtsgeding - Beslissing van het college van burgemeester en schepenen Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) Vrije woorden: Rechtsgeding - Cassatieberoep - Burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders - Beslissing van het college van burgemeester en schepenen Fiches 4 - 5 Het bewijs van het cassatieberoep namens de gemeente wordt geleverd doordat ze ter griffie van het Hof een kopie van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen heeft neergelegd
(1).
(1)Zie Cass., 16 dec. 2004, AR C.03.0579.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.17, A.C., 2004, nr.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) Vrije woorden: Gemeente - Rechtsgeding - Beslissing van het college van burgemeester en schepenen - Bewijs - Vorm Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1100 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-2005 - Art. 193 Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) Vrije woorden: Rechtsgeding - Cassatieberoep - Burgerlijke zaken - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) - Beslissing van het college van burgemeester en schepenen - Bewijs - Vorm Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1100 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-2005 - Art. 193 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0062.N STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Stadhuis, Grote Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen MEESY'S, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Kaasrui 11, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 september 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  2. In zoverre de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het cassatieberoep betreft, laat artikel 1094 van het Gerechtelijk Wetboek de eiser toe deze te beantwoorden met een memorie van wederantwoord met inachtneming van artikel 1079 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat antwoord moet vooraf aan de advocaat van de verweerder betekend worden. De voorafgaande betekening is een substantiële rechtsvorm.
  3. In zoverre de antwoordnota van de eiseres neergelegd ter griffie op 10 juni 2009 een wederantwoord is op de memorie van antwoord is deze niet ontvankelijk nu het bewijs van betekening daarvan niet voorligt. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. De verweerster werpt op dat uit het dossier van de rechtspleging niet blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de eiseres beslist heeft tot de indiening van het cassatieberoep tegen het bestreden arrest voor het indienen ervan en binnen de termijn van drie maanden na betekening ervan die plaatsvond op 7 november
  5. Krachtens artikel 193 van het Nieuwe Gemeentedecreet van 15 juli 2005 beslist in principe het college van burgemeester en schepenen tot het optreden in rechte namens de gemeente.
  6. Het instellen van het cassatieberoep maakt een onderdeel uit van het voeren van een rechtsgeding, zodat het college van burgemeester en schepenen daartoe moet beslissen. Het bewijs daarvan wordt inzake geleverd doordat de eiseres ter griffie van het Hof op 10 juni 2009 een kopie van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 24 oktober 2008 heeft neergelegd. Het door de verweerster opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep is ongegrond. Eerste middel Ontvankelijkheid
  7. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden arrest. De appelrechters zouden hun beslissing dat de eiseres een burgerrechtelijke fout heeft begaan niet alleen steunen op het arrest van nietigverklaring van 8 juli 2004 van de Raad van State, maar ook op de beslissing tot schorsing van 5 maart 2002 van de Raad van State.
  8. Nadat de appelrechters hebben vastgesteld dat de Raad van State bij arrest van 8 juli 2004 de beslissingen van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 heeft vernietigd, overwegen zij onder punt 2.1.2 van het bestreden arrest dat de Raad van State daarbij de motivering van het schorsingsarrest van 5 maart 2002 herneemt. De foutbeoordeling door de appelrechters heeft derhalve ook noodzakelijkerwijze betrekking op het schorsingsarrest van 5 maart
  9. Anders dan de verweerster in de memorie van antwoord aanvoert, stellen de appelrechters derhalve geen afzonderlijke fout vast op grond waarvan het bestreden arrest verantwoord blijft.
  10. De verweerster gaat er in haar middel van niet-ontvankelijkheid eveneens ten onrechte vanuit dat de appelrechters met de overweging dat "het bestreden vonnis op juiste en oordeelkundige gronden is gesteund en dient bevestigd te worden" de redengeving van de eerste rechter overnemen.
  11. De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen. Middel
  12. De prejudiciële vraag zoals gesteld in de syntheseconclusies in hoger beroep van de eiseres luidt: "Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met de artikelen 13 en 144 van de Grondwet, geschonden door artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer dit artikel derwijze wordt geïnterpreteerd en toegepast dat uit een arrest van nietigverklaring van de Raad van State een vermoeden iuris et de iure wordt afgeleid dat de overheid die auteur is van de vernietigde administratieve rechtshandeling, een burgerrechtelijke fout heeft begaan, gelet op het gegeven dat:
  13. krachtens artikel 144 van de Grondwet de geschillen over de burgerlijke rechten (integraal) uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren en dat de overheid wier beslissing werd vernietigd zich wat de beoordeling van de fout betreft afgetrokken ziet van haar natuurlijk (burgerlijke) rechter (schending van artikel 13 van de Grondwet) en,
  14. dit bestuur dat op ongerechtvaardigde wijze ongelijk wordt behandeld ten overstaan van een bestuur dat eenzelfde administratieve beslissing neemt die op dezelfde gronden wordt bestreden, doch zonder voorafgaande procedure door de Raad van State en dus enkel voor de burgerlijke rechter, nu dit laatste bestuur wel geniet van de volle rechtsmacht van de burgerlijke rechter wat de beoordeling van de aanwezigheid van een burgerrechtelijke fout betreft (de artikelen 10 en 11 van de Grondwet)".
  15. De appelrechters oordelen dienaangaande: "Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld geeft (de eiseres) niet aan welke wet, decreet of in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een schending zou uitmaken van de artikelen 13, 10 en 11 van de Grondwet. Het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof veronderstelt noodzakelijkerwijze de mogelijke schending van de Grondwet door een dergelijke wet, decreet of regel en vermits dit niet wordt aangeduid is er geen reden om in te gaan op de vraag van de eiseres".
  16. De appelrechters geven aldus van de in de syntheseconclusie gestelde prejudiciële vraag een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Zonder acht te slaan op de memorie van wederantwoord van de eiseres. Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 1 april 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.17 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.