id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.5 Rolnummer: C.09.0123.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-04 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-02 18:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verplichting om zich in geval van achtereenvolgende onteigeningen voor de waardebepaling van het geheel van de te onteigen goederen te plaatsen op de datum van het eerste onteigeningsbesluit, geldt van zodra de opeenvolgende onteigeningen de verwezenlijking van een zelfde doel beogen
(1).
(1)Zie Cass., 6 jan. 1995, AR C.93.0075.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950106.7, A.C., 1995, nr.
- Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden Vrije woorden: Waardebepaling - Opeenvolgende onteigeningen - Tijdstip - Gelding Wettelijke bepalingen: Wet - 26-07-1962 - Art. 2 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 72, § 2 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0123.N STAD BERINGEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 3580 Beringen, Mijnschoolstraat 88, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- V. R.,
- V. J.,
- V. A., en,
- G.M.,
- V. G.,
- V. P.,
- V. M., en,
- G. M.,
- V. G., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 juni 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 16 en 149 van de Grondwet; - artikel 72, §§1 en 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Aangevochten beslissing Het aangevochten arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres gegrond m.b.t. het vertrekpunt van de interesten en wijst voor het overige het hoger beroep af als ongegrond. Het oordeelt meer bepaald dat de onteigeningsvergoeding verschuldigd door de eiseres aan de verweerders moet bepaald worden op basis van het statuut dat de inneming had in juli 1973, datum van het eerste onteigeningsbesluit, met name het statuut van "bouwgrond" ten belope van 2.350 m² en het statuut van achterliggende grond en landbouwgrond ten belope van 3.361 m². Die beslissing steunt op de volgende redenen: "2.
- De litigieuze onteigening in casu gebeurde op basis van het ministerieel besluit van 3 juli 2000 en dit met het oog op de realisatie van het sport- en recreatiepark "Paalse Plas" en op basis van een onteigeningsplan, goedgekeurd door de stad Beringen op 17 januari
- De onteigening gebeurde ter verwezenlijking van een streek-, gewestelijk of gemeentelijk plan van aanleg, namelijk het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij KB van 3 april
- Voorafgaandelijk aan het voormelde gewestplan werd bij KB van 20 juli 1973 een onteigeningsplan goedgekeurd van de toenmalige gemeente Paal voor de onteigening van percelen voor de uitvoering van zandwinningputten, voor het ophogen van het industrieterrein, alsmede het aanleggen van een recreatiezone. De eerste rechter is, na heropening der debatten, in het eindvonnis terecht tot de bevinding gekomen dat de litigieuze percelen van (de verweerders) ook deel uitmaakten van het onteigeningsplan uit
- 2.
- Vermits bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, dient nagegaan te worden welke de feitelijke toestand was van de onteigende percelen zonder rekening te houden met het tussengekomen gewestplan. Terecht maakt de eerste rechter toepassing van artikel 72, §2, van het decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999, zodat voor de waardebepaling partijen zich dienen te plaatsen in juli
- Er bestaat een duidelijk verband tussen het onteigeningsbesluit van 1973 en het uiteindelijke gewestplan van
- Er kan terzake verwezen worden naar de motivering van de eerste rechter die hier als volledig hernomen dient te worden beschouwd". De aangevochten beslissing steunt dan ook op de volgende motieven van de eerste rechter waarnaar hiervoor uitdrukkelijk werd verwezen, zijnde: "1.
- Bij tussenvonnis van 19 september 2005 werd vastgesteld dat de onteigening in casu gebeurde op basis van het ministerieel besluit van 3 juli 2000 en dit met het oog op de realisatie van het sport- en recreatiepark "Paalse Plas" en op basis van een onteigeningsplan, goedgekeurd door eiseres op 17 januari
- Er is tussen partijen geen betwisting dat de onteigening gebeurde ter verwezenlijking van een streek-, gewestelijk of gemeentelijk plan van aanleg, namelijk het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld van KB van 3 april
- Vermits bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, dient nagegaan te worden welke de feitelijke toestand was van de onteigende percelen op het ogenblijk dat het kwestieuze gewestplan in werking trad. 1.
- De verweerders deden opmerken dat er, voorafgaandelijk aan het gewestplan, bij KB van 20 juli 1973 een onteigeningsplan werd goedgekeurd van de toenmalige gemeente Paal voor de onteigening van percelen voor de uitvoering van zandwinningsputten voor het ophogen van het industrieterrein, alsmede het aanleggen van een recreatiezone. Vermits het bijbehorende onteigeningsplan niet werd bijgevoegd en de eiseres over dit argument niet besloot, was het niet duidelijk of de percelen, eigendom van de verweerders en voorwerp van huidige onteigeningsprocedure, ook deel uitmaakten van dit plan uit
- Alhoewel zij zulks niet uitdrukkelijk stelt, kan uit de conclusies die de eiseres nam na de heropening der debatten, alsmede uit haar schrijven van 22 juni 1999 gericht aan de gouverneur, afgeleid worden dat zij niet betwist dat de percelen van de verweerders ook deel uitmaakten van het onteigeningsplan uit
- 1.
- Vermits de eigendom van de verweerders bijgevolg het voorwerp heeft uitgemaakt van achtereenvolgende onteigeningsplannen, stelt zich de vraag in hoeverre in casu artikel 72, §2, van het decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999 niet van toepassing is, zodat voor de waardebepaling van de onteigende goederen deze plannen geacht worden een geheel te vormen op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. Derhalve zou voor de waardebepaling rekening moeten gehouden worden met de feitelijke toestand van de gronden op het ogenblik van het van kracht worden van het eerste onteigeningsplan in
- De eiseres argumenteert ten onrechte dat met het onteigeningsplan van 1973 geen rekening dient gehouden te worden, omdat het eerste onteigeningsbesluit, daterend van 1973, niet gebeurde ter verwezenlijking van het latere uitvoeringsplan. Door te stellen dat de achtereenvolgende onteigeningsbesluiten zouden moeten dienen ter verwezenlijking van eenzelfde uitvoeringsplan, voegt de eiseres een voorwaarde toe voor de toepasselijkheid van artikel 72, §2, waarin het decreet zelf niet voorziet. Artikel 72, §2, bepaalt dat onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan, voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen geacht worden een geheel te vormen op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. Er is nergens bepaald dat het hierbij zou dienen te gaan om uitvoering van eenzelfde uitvoeringsplan. Artikel 72, §2, neemt trouwens aan dat ook een herzien ruimtelijk uitvoeringsplan in aanmerking komt, hetgeen aantoont dat het niet dient te gaan om eenzelfde uitvoeringsplan. Om de waarde van de van de verweerders onteigende goederen te bepalen, dient derhalve rekening gehouden te worden met de feitelijke toestand van de gronden op datum van goedkeuring van het eerste onteigeningsplan van de gemeente Paal, zijnde 20 juli
- Dit onteigeningsplan voorzag, voor wat betreft de percelen van de verweerders, trouwens ook in de aanleg van een recreatiezone, hetgeen eveneens het voorwerp uitmaakte van het gewestplan uit 1979". Eerste grief Schending van artikel 149 van de Grondwet
- De aangevochten beslissing baseert zich, voor het bepalen van de onteigeningsvergoeding, op het statuut van de inneming in juli 1973, zijnde op het ogenblik van het eerste onteigeningsbesluit van dezelfde datum. Die beslissing steunt hiervoor op de vaststelling van het ‘duidelijk verband' tussen dit besluit van juli 1973 en het gewestplan van 1979, verwijzend terzake naar de overwegingen van de eerste rechter en o.m. wat volgt: "De eiseres argumenteert ten onrechte dat met het onteigeningsplan van 1973 geen rekening dient gehouden te worden, omdat het eerste onteigeningsbesluit, daterend van 1973, niet gebeurde ter verwezenlijking van het latere uitvoeringsplan. Door te stellen dat de achtereenvolgende onteigeningsbesluiten zouden moeten dienen ter verwezenlijking van eenzelfde uitvoeringsplan, voegt de eiseres een voorwaarde toe voor de toepasselijkheid van artikel 72, §2, waarin het decreet zelf niet voorziet. Artikel 72, §2, bepaalt dat onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan, voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen geacht worden een geheel te vormen op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. Er is nergens bepaald dat het hierbij zou dienen te gaan om uitvoering van eenzelfde uitvoeringsplan. Artikel 72, §2, neemt trouwens aan dat ook een herzien ruimtelijk uitvoeringsplan in aanmerking komt, hetgeen aantoont dat het niet dient te gaan om eenzelfde uitvoeringsplan. Om de waarde van de van verweerders onteigende goederen te bepalen, dient derhalve rekening gehouden te worden met de feitelijke toestand van de gronden op datum van goedkeuring van het eerste onteigeningsplan van de gemeente Paal, zijnde 20 juli
- Dit onteigeningsplan voorzag, voor wat betreft de percelen van verweerders, trouwens ook in de aanleg van een recreatiezone, hetgeen eveneens het voorwerp uitmaakte van het gewestplan uit 1979".
- De eiseres riep echter in haar conclusie (p. 5 van haar beroepsconclusies) in wat volgt: "(De eiseres) stelt immers geenszins dat de onteigeningen dienen te gebeuren ter realisatie van hetzelfde uitvoeringsplan doch wel dat de onteigeningen dienen te gebeuren ter realisatie van een uitvoeringsplan. Artikel 72, §2, bepaalt immers duidelijk dat de onteigeningen achtereenvolgens dienen te gebeuren ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan. Er wordt in casu niet aangetoond dat het onteigeningsbesluit van 1973 gebeurde ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan. Ten tijde van het KB van 20 juli 1973 tot onteigening was er immers nog geen sprake van een uitvoeringsplan zoals voorzien in het artikel 72, §2, van het decreet ruimtelijke ordening. Het was pas in het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij KB van 3 april 1979, dat er sprake was van de inkleuring als recreatiezone. Het eerste onteigeningsbesluit van 1973 werd derhalve niet opgemaakt ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan aangezien er in 1973 nog geen sprake was van een uitvoeringsplan. In 1973 bestond er geen uitvoeringsplan zodat er in 1973 evenmin sprake kan zijn van een verordening in het kader van een uitvoeringsplan in de zin van artikel 72, §2, van het bedoelde decreet ruimtelijke ordening. Derhalve is er in 1973 geen sprake van een onteigeningsbesluit ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan. Nochtans vereist artikel 72, §2, dat de achtereenvolgende onteigeningsbesluiten ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan werden verordend. Derhalve is niet aan de toepassingsvoorwaarden van het bedoeld artikel voldaan. Derhalve dienen beide onteigeningen niet geacht een geheel te vormen voor de waardebepaling en dient wel degelijk de feitelijke situatie van de gronden aan de vooravond van de onteigeningen in 2000 (en niet de feitelijke situatie in 1973) als uitgangspunt genomen te worden voor de waardebepaling. De rechter in herziening heeft zich dan ook ten onrechte voor de waardebepaling geplaatst aan de vooravond van de onteigening op 20 juli 1973".
- De eiseres riep aldus, samengevat, in haar conclusie (p. 5, 1e t/m voorlaatste lid van haar beroepsconclusies) in dat zij niet stelde dat de onteigeningen dienden te gebeuren ter realisatie van hetzelfde uitvoeringsplan, doch wel dat de onteigeningen moesten gebeuren ter realisatie van een uitvoeringsplan, zoals bepaald in artikel 72, §2, en dat er in casu niet werd aangetoond dat het onteigeningsbesluit van 1973 ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan gebeurde.
- Zij beriep zich eveneens op het feit dat een dergelijke retroactieve toepassing van de regelgeving van het decreet van 1999 niet de bedoeling van de decreetgever kon zijn geweest (p. 5, laatste lid van de beroepsconclusies van eiseres, nr 1.2). Besluit Het bestreden arrest antwoordt noch door zijn bovenvermelde overwegingen, noch door andere overwegingen op die omstandige middelen van de eiseres. Het aangevochten arrest is derhalve niet regelmatig gemotiveerd en schendt aldus artikel 149 van de Grondwet. Tweede grief Schending van de artikelen 16 van de Grondwet en 72, §§1 en 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
- Artikel 16 van de Grondwet stelt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Voor het bepalen van de onteigeningsvergoeding moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van de eigendomsoverdracht, met name op de datum van de beslissing dat de vervulling van de wettelijke formaliteiten inzake onteigening vaststelt. De onteigende mag zich door de onteigening noch verrijken, noch verarmen. Hij moet met de onteigeningsvergoeding in staat zijn zich een gelijkwaardig goed te verschaffen en de mogelijkheid bezitten zich te herstellen in een toestand alsof de onteigening niet plaatsgevonden had.
- Krachtens artikel 72, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt, bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel, geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of - vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan. De rechter moet niettemin rekening houden met de waardevermeerdering of -vermindering die uit dergelijk plan voortvloeit wanneer de onteigening met de verwezenlijking van dat plan niets te maken heeft. Krachtens artikel 72, §2, van het decreet van 18 mei 1999 worden onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter uitvoering van voormeld plan, met inbegrip van een herzien plan, voor de waardebepaling, geacht een geheel te vormen op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. Die onteigeningen moeten gebeuren ter uitvoering van dergelijk plan.
- Te dezen blijkt uit geen enkele vaststelling van de aangevochten beslissing dat het onteigeningsbesluit van 1973 ter realisatie van een uitvoeringsplan in de zin van voormelde decretale bepaling gebeurde. In elk geval en voor het overige kan dit evenmin afgeleid worden uit de vaststelling van de aangevochten beslissing dat er een duidelijk verband bestaat tussen het onteigeningsbesluit van 1973 en het uiteindelijke gewestplan van 1979 en dat, verwijzend naar de motivering van de eerste rechter, het onteigeningsplan van 1973, m.b.t. de betrokken percelen, ook voorzag in de aanleg van een recreatiezone, hetgeen eveneens het voorwerp uitmaakte van het gewestplan van
- Een onteigeningsbesluit van 1973 kan immers niet ter realisatie van een later plan opgemaakt worden. Besluit Uit het voorgaande volgt dat het arrest niet wettig oordeelt dat de onteigeningsvergoeding verschuldigd door de eiseres aan de verweerders bepaald moest worden op basis van het statuut dat de inneming had op het ogenblik van het eerste onteigeningsbesluit in juli
- Het aangevochten arrest heeft derhalve de artikelen 16 van de Grondwet en 72, §1 en §2, van het decreet van 18 mei 1999 geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 72, §2, van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, worden onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter verwezenlijking van een uitvoeringsplan, met inbegrip van een herzien ruimtelijk uitvoeringsplan, voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen geacht een geheel te vormen op datum van het eerste onteigeningsbesluit. Krachtens artikel 2 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, worden de achtereenvolgens uitgevaardigde onteigeningen voor een zelfde doel als één geheel beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende goederen.
- Uit deze bepalingen volgt dat de verplichting om zich in geval van achtereenvolgende onteigeningen voor de waardebepaling van het geheel van de te onteigenen goederen te plaatsen op datum van het eerste onteigeningsbesluit, geldt van zodra de opeenvolgende onteigeningen de verwezenlijking van een zelfde doel beogen.
- De appelrechters stellen vast dat: - de onteigening voorwerp van onderhavige zaak gebeurde met het oog op de realisatie van het sport- en recreatiepark ‘Paalse Plas', ter verwezenlijking van het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979; - het onteigeningsplan van de gemeente Paal, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 20 juli 1973, voor wat betreft de percelen van de verweerders ook voorzag in de aanleg van een recreatiezone. De appelrechters oordelen dat er een duidelijk verband is tussen het onteigeningsbesluit van 1973 en het uiteindelijke gewestplan van 1979, zodat men zich voor de waardebepaling van de thans onteigende percelen dient te plaatsen ten tijde van het eerste onteigeningsbesluit. De appelrechters, die aldus te kennen geven dat de opeenvolgende onteigeningen de verwezenlijking van een zelfde doel beogen, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Met de vaststellingen en de reden vermeld in randnummer 3 verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoeld verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 453,70 euro jegens de eisende partij en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 1 april 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950106.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div