id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.6 Rolnummer: C.09.0131.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-05-04 Raadplegingen: 597 - laatst gezien 2026-07-02 18:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Aan de regel dat de te verwijzen vordering tot dezelfde aanleg dient te behoren als de vordering waarmee ze desgevallend zal worden gevoegd, wordt geen afbreuk gedaan door de loutere beslissing van de appelinstantie die de beslissing omtrent de samenhang hervormt
(1)Zie Cass., 11 feb. 2000, AR C.98.0463.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000211.3, A.C., 2000, nr. 109. Thesaurus CAS: SAMENHANG UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Aanhangigheid - Samenhang Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Vorderingen hangende voor rechtscolleges van verschillende rang - Beslissing van de appelinstantie omtrent de samenhang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 30, 562, 2° tot 5°, en 566 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Aanhangigheid - Samenhang Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Vorderingen hangende voor rechtscolleges van verschillende rang - Beslissing van de appelinstantie omtrent de samenhang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 30, 562, 2° tot 5°, en 566 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0131.N 1. M. B., en, 2. V. G., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen A. J., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 18 november 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 29, 30, 31, 92, §2, 565, 566, 577, 602 tot 607 en 726 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De appelrechters beslissen tot de vernietiging van het bestreden vonnis omdat ze van oordeel zijn dat de zaak moet worden verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, rechtsprekend in eerste aanleg, wegens samenhang met het geschil dat daar hangende is voor de tiende kamer en gekend onder het algemeen rolnummer 44.113, op grond van de volgende motieven: "Voor de vrederechter werd door (de eisers) gesteld dat het appartement hun eigendom is, dat geen vruchtgebruik of ander zakelijk recht toegekend werd op dit appartement aan (de verweerster) en ‘dat het enig recht die op dat goed toegestaan werd is een mondeling huurrecht ten voordele van (de verweerster), die daarvoor een welbepaalde huurprijs diende te betalen' (derde besluiten voor de vrederechter blz. 7). (De verweerster) verklaarde voor de vrederechter (blz. 4 van haar laatste besluiten) dat zij een levenslang recht van bewoning bezit op het appartement als tegenprestatie voor de sommen die zij aan (de eisers) geschonken heeft voor de aankoop van dit appartement, die omwille van succesorale redenen onmiddellijk op naam van (de eisers) werd gekocht. (De verweerster) verwijst dienaangaande naar al de stukken die voorgelegd werden in het kader van de procedure te Nijvel inzake het beheer door haarzelf van de portefeuilles van haarzelf en van (de eerste eiseres) en zoals ook onderzocht door de gerechtsdeskundige Collard, waaruit zou moeten blijken dat (de verweerster) heel wat giften heeft gedaan en ook heel wat facturen inzake de afwerking van het appartement of aankoop van roerende goederen waarvan nu de teruggave gevorderd worden, op naam van (de eerste eiseres) werden opgesteld omwille van succesorale redenen. (De eisers) verwijzen naar een aantal overschrijvingen en facturen om te stellen dat het appartement en deze roerende goederen door hen betaald werden, maar het blijkt dat deze gebeurden hetzij rechtstreeks via de rekening 32 of via de rekening 24, die gespijsd werd door de rekening 32 terwijl (de verweerster) stelt dat net uit dit verslag Collard zou moeten blijken dat deze rekening 32 net door (de verweerster) beheerd werd met gelden afkomstig van zowel haarzelf als van de portefeuille van wijlen A. , zodat volgens (de verweerster) niet gesteld kan worden op grond van de betalingen dat er een mondelinge huurovereenkomst bestond dat zij alleen ‘huur' betaalde ten belope van de hypothecaire afbetalingen en gemene lasten, en dat nu deze betalingen niet verder verricht worden, de beweerde mondelinge ‘huur' overeenkomst lastens haar ontbonden zou moeten worden. (De verweerster) stelt dat het feit van geen verdere betalingen te kunnen uitvoeren op deze rekening 32 net zijn oorsprong vindt in het feit dat alle portefeuillewaarden verdwenen zijn uit de kluis op 19 februari 1992, datum waarop zij geen toegang meer kreeg tot de woning en de kluis zodat (de eisers) aldus zelf aan de oorsprong zouden liggen van het feit dat deze regelmatige betalingen niet meer kunnen gebeuren. Uit het verslag Collard (blz. 69 tot 71) blijkt dat (de verweerster) samen in titels en geld een bedrag van 17.801.750 frank betaald heeft aan (de eerste eiseres); zij zou ook nog gelet op de herwaardering van de portefeuille van A. , nog 7.833.000 frank verschuldigd zijn aan (de eerste eiseres), hetgeen niet meer kan gebeuren gelet op de verdwijning van de titels, maar zo deze teruggave werkelijk gebeurde, zou dit neerkomen op een teruggave van 25.808.551 frank, zijnde volgens de deskundige 6.453.480 frank teveel, bedrag dat volgens de deskundige net overeenkomt met de waarde van het appartement te Wezembeek-Oppem waarop (de verweerster) volgens de deskundige over een feitelijk recht van bewoning beschikt, (toen de verklaringen voor de deskundige afgelegd werden en zijn verslag neergelegd werd op 10 juni 1997, was de dagvaarding van 19 september 1997 inzake betwist bewoningsrecht van dit appartement nog niet betekend). De deskundige merkte op dat hij vanwege (de eerste eiseres) nooit afgifte ontvangen had van haar eigen bankrekeningen ondanks meerdere aanvragen hiertoe (blz. 57) en hij stelt ook dat (de eisers) ook actief medewerkten aan het beheer van de portefeuille nu maandelijks bij hen couponnen afgeknipt werden en in twee verschillende omslagen gestoken met de vermelding ‘J' en ‘A' volgens de herkomst ervan (er werd een omslag met het handschrift van de (tweede eiser) nog teruggevonden - verslag blz. 57 en blz. 63), en na de verdwijning ervan werden heel wat van deze titels mysterieus ter betaling aangeboden in Luxemburg, waarvan ook titels die eigendom waren van (de verweerster) (verslag blz. 56, n°14). In de besluiten van (de verweerster) zijn er ettelijke verwijzingen (naar
- de)vaststellingen van de deskundige Collard en stukken neergelegd in het kader van de procedure te Nijvel. Artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer de vorderingen zo nauw onderling verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. In tegenstelling tot hetgeen de vrederechter besliste, oordeelt deze rechtbank dat er toch een samenhang is tussen deze vordering nopens het gebruik van het appartement te Wezembeek-Oppem en de vordering nog hangend is voor de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Reeds bij de lectuur van de laatste bladzijden (69 tot 71) van het verslag Collard, hierboven kort weergegeven blijkt deze samenhang duidelijk. Ook de betwistingen inzake de vordering tot teruggave van een reeks meubelen, tot zelfs de ingerichte keuken, zijn verweven met de zaak te Nijvel, nu (de eisers) verwijzen naar facturen op naam van (de eerste eiseres) of betalingen verricht met de rekening nr. 32 terwijl (de verweerster) dan weer verwijst naar de stukken en het verslag Collard nopens de belangrijke geldverschuivingen gedaan door (de verweerster) ten voordele van (de eerste eiseres) waaronder vele betalingen op de rekening nr. 32, onder meer voor 3.602.003 frank gedaan met gelden die enkel aan (de verweerster) toebehoorden (verslag blz. 70). De kwalificatie van de mondelinge bewoningsovereenkomst en de manier waarop deze uitgevoerd werd is onlosmakelijk verbonden met de manier waarop in het verleden het feitelijk beheer van de verschillende portefeuilles roerende waarden (...) gebeurde. Zodoende beslist de rechtbank deze zaak in zijn geheel wegens samenhang te verzenden naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, om er gevoegd te worden bij het geschil dat aldaar hangende is voor de tiende kamer onder A.R. nr.44.113. In deze omstandigheden is er nu ook geen aanleiding om uitspraak te doen nopens de valsheidsprocedure betreffende het stuk opgesteld door (de eerste eiseres) en dat de datum draagt van 12 januari 1991 waarbij de inhoud van een stuk opgesteld op 11 januari 1991 ingetrokken werd". Grieven Artikel 566, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, die afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn toch voor dezelfde rechtbank samengevoegd kunnen worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 566 maakt uitdrukkelijk gebruik van de bewoordingen "verschillende rechtbanken". Artikel 565, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in geval van aanhangigheid de vorderingen samengevoegd worden, volgens de volgende voorrang: 1° de rechtbank die over de zaak een ander vonnis heeft gewezen dan een beschikking van inwendige orde, heeft altijd voorrang; 2° de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken; 3° de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel; 4° de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter; 4°bis de vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank; 5° de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht. Wanneer echter een van de vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, is alleen deze bevoegd om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen. Ook in de voorrangsregeling van artikel 565 wordt enkel gebruik gemaakt van het woord "rechtbank". Bovenvermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek veronderstellen dat de vorderingen hangende zijn voor rechtscolleges van dezelfde rang. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van samenhang indien de ene vordering hangende is voor een rechtscollege dat uitspraak dient te doen in eerste aanleg en de andere voor een rechtscollege dat in hoger beroep uitspraak moet doen. Daaruit volgt dat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel uitspraak doende in hoger beroep, namelijk op het hoger beroep tegen een vonnis van de vrederechter van het kanton Kraainem-Sint-Genesius-Rode, niet wettig beslist dat de zaak wegens samenhang samengevoegd moet worden met die hangende in eerste aanleg voor de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, daar gekend onder algemeen rolnummer 44.113 (schending van alle in het middel als geschonden aangeduide artikelen van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangend worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. Krachtens artikel 566 van voormeld wetboek kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, 2° tot 5° van voormeld wetboek. Krachtens voormeld artikel 565, 2° tot 5°, gebeurt de verwijzing met de volgende voorrang: 2° de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken; 3° de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel; 4° de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter; 4°bis de vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank; 5° de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht. 2. De door die bepaling opgelegde voorrang onderstelt dat de vorderingen hangende zijn voor rechtscolleges van dezelfde rang en er kan geen sprake zijn van samenhang wanneer de ene vordering hangende is voor een rechtscollege dat in eerste aanleg uitspraak dient te doen en de andere voor een rechtscollege dat in hoger beroep uitspraak moet doen. Aan deze regel dat de te verwijzen vordering tot dezelfde aanleg dient te behoren als de vordering waarmee ze desgevallend zal worden gevoegd, wordt evenwel geen afbreuk gedaan door de loutere beslissing van de appelinstantie die de beslissing omtrent de samenhang hervormt. 3. Het middel dat van de tegengestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 470,24 euro jegens de eisende partijen en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 1 april 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.6 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000211.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div