id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 Rolnummer: P.10.0005.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-04-22 Raadplegingen: 807 - laatst gezien 2026-07-02 19:02 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100413.5 Fiche 1 De Staat, met inbegrip van de nationale gerechtelijke instanties, is niet verantwoordelijk voor het toezicht op de redelijkheid van de duur van de rechtspleging voor het E.H.R.M.
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Rechter op verwijzing - Redengeving van de beslissing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442septies, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Conclusie van Eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Redelijke termijn - Duur van de rechtspleging voor het E.H.R.M. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Individuele schuld aan verzwarende omstandigheid - Toepassing Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Individuele schuld aan verzwarende omstandigheid - Toepassing Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Rechter op verwijzing - Redengeving van de beslissing Tekst van de beslissing Nr. P.10.0005.N I-II Ü. G. beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Dirk Martens, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep sub I (akte nr. 133 van 11 december 2009) is gericht tegen het tussenarrest nr. 14/09 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 20 november 2009 dat de strafvordering ontvankelijk en toelaatbaar verklaart. Het cassatieberoep sub II (akte nr. 134 van 11 december 2009) is gericht tegen het arrest nr. 16/09 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 26 november 2009 dat oordeelt over eisers schuld aan de verzwarende omstandigheden van diefstal door middel van geweld of bedreiging, omschreven in artikel 468 Strafwetboek, en van diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood heeft veroorzaakt, omschreven in artikel 474 Strafwetboek, en de eiser tot straf veroordeelt. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser is samen met twee andere personen verwezen naar het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen wegens de beschuldiging: "te Lochristi in de nacht van 7 op 8 december 1996, mededader te zijn geweest aan een roofmoord op X, dit is een diefstal van een geldsom, met de verzwarende omstandigheid dat, om de diefstal te vergemakkelijken of om de straffe¬loos¬heid ervan te verzekeren, het slachtoffer opzettelijk werd gedood met het oog¬merk om te doden, misdaad omschreven door de artikelen 66, 392, 393, 461, eerste lid, 468, 475 en 483 Strafwetboek." De eiser verzocht het hof van assisen de vragen aan de jury betreffende de verzwarende omstandigheid te individualiseren. Het arrest nummer 6240 van 27 november 1998 wees dat verzoek af. De jury verklaarde de eiser vervolgens schuldig aan diefstal, niet met de verzwarende omstandigheid van opzettelijke doodslag, maar met de verzwarende omstandigheid van gebruik van geweld zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg. Het arrest nummer 6241 van 27 november 1998 veroordeelde de eiser voor deze misdaad, omschreven en strafbaar gesteld door de artikelen 66, 461, eerste lid, 468, 474 en 483 Strafwetboek, tot 30 jaar opsluiting, afzetting van titels, graden, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen, en levenslange ontzetting van de rechten, aangehaald in artikel 31 Strafwetboek. De eiser kwam van de vermelde arresten in cassatieberoep. Een middel was gericht tegen het arrest nummer 6240 en had betrekking op de vraagstelling aan de jury betreffende de verzwarende omstandigheid, en tegen het arrest nummer 6241 dat hem veroordeelde tot onder meer 30 jaar opsluiting. Het Hof verwierp het cassatieberoep bij arrest (P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6) van 16 februari
- De eiser richtte zich daarop tot het EHRM. Het EHRM oordeelde bij arrest nummer 50372/99 van 2 juni 2005 dat eisers klacht gegrond was en dat artikel 6.1 EVRM werd geschonden, dit op onder meer de volgende gronden: - het feit dat een rechts¬college geen oog heeft voor de argumenten die betrekking hebben op een essen¬tieel punt dat dergelijke zware gevolgen met zich meebrengt, is onverenigbaar met het recht op tegenspraak dat de kern vormt van het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 EVRM; - dergelijk besluit is in het bijzonder in deze zaak geboden, rekening houdend met het feit dat de juryleden hun oordeel niet kunnen motiveren; - de nauwkeurigheid in de vraagstelling moet op gepaste wijze de beknopte antwoorden van de jury compenseren. Het EHRM besliste ook dat de Belgische Staat de eiser een schadevergoeding moet betalen. Het arrest van het EHRM geldt bij gebrek aan een verzoek om verwijzing naar de Grote Kamer van dat Hof, als einduitspraak. De eiser werd bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 3 mei 2007 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De wet van 1 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met het oog op de heropening van de rechtspleging in strafzaken werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2007 en is in werking getreden op 1 december
- De eiser diende op 10 januari 2008 een aanvraag tot heropening van de rechtspleging in. Bij arrest van 17 juni 2008 (P.08.0070.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4) verklaarde het Hof de aanvraag gedeeltelijk gegrond en, na intrekking van het arrest van het Hof van 16 februari 1999, vernietigde het: - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummer 6240) in zoverre dit het verzoek van de eiser afwijst, waarbij hij verzocht de vragen 4, 5 en 6 individueel te stellen, wat hem betreft, gecombineerd met de vragen naar de strafbare deelneming, zoals omschreven in artikel 66 Strafwetboek; - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummer 6241) in zoverre dit de eiser veroordeelt tot straf, bij¬drage en kosten. Het Hof verwees de aldus beperkte zaak naar het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen en zei dat dit hof van assisen uitspraak zal doen over: - de schuld van de eiser aan de verzwarende omstandigheden van diefstal door middel van geweld of bedreiging, omschreven in artikel 468 Strafwetboek, en van diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood heeft veroorzaakt, omschreven in artikel 474 Strafwetboek; - de straftoemeting tegen de eiser; - de bijdrage en de kosten; - de eventuele veroordeling van de Belgische Staat overeenkomstig artikel 442septies, § 2, Wetboek van Strafvordering. Dit heeft geleid tot de thans bestreden arresten van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR: het hof van assisen oordeelt ten onrechte dat bij de beoordeling of de redelijke termijn al dan niet overschreden is, de individuele rechten van de rechtsonderhorige dienen te wijken voor het maatschappelijk belang; het arrest nummer 50372/99 van het EHRM van 2 juni 2005 heeft eisers klacht tegen de voordien gevoerde rechtspleging gegrond verklaard en geoordeeld dat artikel 6.1 EVRM werd geschonden; de door de eiser voor het EHRM gevoerde procedure was dan ook geen obstructief of vertragend manoeuvre van de eiser maar genoodzaakt door de zware fout, begaan bij arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 dat eisers recht van verdediging heeft miskend; het geschonden individueel belang van de eiser is dermate zwaar dat de duurtijd van de procedure voor het EHRM als onderdeel van de gehele rechtspleging dient beschouwd te worden zodat bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening dient gehouden te worden met een proceduregang van twaalf jaren, wat het hof van assisen nalaat te doen.
- Artikel 1 EVRM bepaalt dat de Hoge Verdragsluitende Partijen eenieder die ressorteert onder haar rechtsmacht, de rechten en vrijheden verzekeren welke zijn vastgesteld in de Eerste Titel van dit Verdrag. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn. Het artikel 14.3.c IVBPR dat de berechting zonder onredelijke vertraging vereist, heeft dezelfde draagwijdte en hetzelfde doel. Artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Straf¬vor¬dering bepaalt dat wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt hetzij dat de bestreden beslissing ten gronde strijdig is met het EVRM, hetzij dat de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, het Hof van Cassatie de heropening van de rechtspleging beveelt, voor zover de veroordeelde partij of de rechthebbenden bedoeld in artikel 442ter, 2°, zeer ernstige nadelige gevolgen blijven ondervinden, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. Artikel 442sexies, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering dat betrekking heeft op het verloop van de rechtspleging na de heropening ervan, bepaalt dat de verjaringstermijn van de strafvordering opnieuw begint te lopen vanaf het arrest dat de heropening beveelt. Artikel 442sexies, § 2, van hetzelfde wetboek bepaalt dat het arrest van het Hof van Cassatie, gewezen overeenkomstig § 1, dezelfde gevolgen heeft als een arrest gewezen op een cassatieberoep.
- Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn wordt onder meer rekening gehouden met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde en van de autoriteiten, waaronder de gerechtelijke autoriteiten. Het veroordelend arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 is in kracht van gewijsde gegaan op 16 februari 1999, datum waarop het Hof het cassatieberoep van de eiser tegen dat arrest heeft verworpen. De strafvordering is opnieuw beginnen te lopen vanaf het arrest van het Hof van 17 juni 2008 dat de heropening beveelt. De Staat, met inbegrip van de nationale gerechtelijke instanties, is niet verantwoordelijk voor het toezicht op de redelijkheid van de duur van de rechtspleging voor het EHRM. De Staat is enkel verantwoordelijk voor eenieder die ressorteert onder zijn rechtsmacht. De nationale gerechtelijke instanties beschikken niet over mogelijkheden om de vertraging die door de procedure voor het EHRM wordt opgelopen, te vermijden of te beperken. Zulke vertraging kan hen enkel worden aangerekend wanneer zij zelf een prejudiciële vraag aan een internationaal gerechtshof zouden stellen die niet dienend is voor de oplossing van het geschil, wat te dezen niet het geval is. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de duurtijd van de procedure voor het EHRM als een onderdeel van de gehele rechtspleging dient beschouwd te worden zodat daarmee ook rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van de redelijke termijn, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn voor de berechting van de zaak, waarop elke beklaagde recht heeft, al dan niet is overschreden. Het staat de rechter in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke instanties, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, wettig heeft kunnen afleiden dat die redelijke termijn al dan niet is overschreden.
- Het hof van assisen stelt onaantastbaar vast dat: - de eiser bij arrest van 27 november 1998 van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen reeds definitief schuldig werd bevonden aan het hoofdfeit van diefstal, wat hij trouwens steeds heeft bekend; - binnen dezelfde redelijke termijn dit arrest van 27 november 1998 uitspraak deed over de schuld van de eiser aan de verzwarende omstandigheden, maar dan als objectief gegeven en hem tot straf veroordeelde; - de eiser zich hiermee niet kon verzoenen en zich gewend heeft tot het EHRM; - het niet aan de nationale instanties te wijten is dat de eiser een half jaar gewacht heeft vooraleer zijn verzoek in te dienen en dat de uitspraak van het EHRM bijna zes jaar op zich heeft laten wachten, zodat de termijn waarvan de redelijkheid moet worden beoordeeld, gehalveerd wordt; - het hof van assisen thans, nadat binnen een zeer redelijke termijn definitief geoordeeld is over de schuld van de eiser aan het hoofdfeit van diefstal en na het arrest van het Hof van 17 juni 2008 dat de heropening van de rechtspleging heeft bevolen, enkel nog moet uitmaken of hij ook individueel schuldig is aan de verzwarende omstandigheden waarmee de diefstal gepaard is gegaan; - er redelijkerwijze nooit de minste twijfel over kan hebben bestaan dat de eiser zeer goed wist wat zijn aandeel is geweest in de feiten van diefstal, dat deze diefstal enkel kon worden beschouwd als een diefstal door middel van geweld of bedreiging en met de dood van het slachtoffer tot gevolg zonder evenwel het oogmerk om te doden, en dat de eiser kennis had van de aard en de mate van het geweld dat zou worden aangewend, daarmee heeft ingestemd en het geweld zelfs heeft gewild om het geld te kunnen wegnemen. Met die vaststellingen en redenen heeft het arrest wettig kunnen oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het hof van assisen ten onrechte oordeelt dat bij de beoordeling of de redelijke termijn al dan niet overschreden is, de individuele rechten van de rechtsonderhorige dienen te wijken voor het maatschappelijk belang, is het gericht tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan het hof van assisen oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden, onaangetast laat. In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat in geen geval een correcte bewijslevering werd aangebracht voor het hof van assisen en dat eisers recht van verdediging werd gefnuikt door de miskenning van het mondelinge karakter van de rechtspleging voor het hof van assisen en de overschrijding van de redelijke termijn.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van de overschrijding van de redelijke termijn, is het afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het beginsel van het mondelinge debat belet niet dat schriftelijk vastgelegde verklaringen of processen-verbaal, afgelegd of opgemaakt door personen die thans afwezig zijn, door de voorzitter binnen het kader van de hem door de artikelen 267 en 268 (oud) Wetboek van Strafvordering toevertrouwde opdracht ter rechtszitting worden voorgelezen, als het gaat om schriftelijke stukken waarvan de overhandiging aan de jury bij de wet niet verboden is en die deel uitmaken van het dossier. De schriftelijke verklaringen van de getuigen waarvan de overhandiging wordt verboden door artikel 341 (oud) Wetboek van Strafvordering, zijn de door de getuigen voor de onderzoeksrechter onder eed afgelegde verklaringen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat verklaringen die onder eed voor de onderzoeksrechter waren afgelegd, aan de jury werden meegegeven. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Met de redenen die het hof van assisen vermeldt (arrest nr. 14/09 van 20 november 2009, p. 4-5, rubriek 4), verantwoordt het zijn beslissing naar recht dat "het tijdsverloop sedert het plegen van de feiten noch de bewijsverkrijging, noch de bewijswaardering heeft aangetast, dat het strafdossier zoals het op heden voorligt de partijen onverminderd toelaat om een loyaal en tegensprekelijk debat ten gronde te voeren met betrekking tot de beschuldigingen, zodat de rechten van verdediging zijn gevrijwaard". In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, evenals miskenning van het vermoeden van onschuld: er bestaat geen wettelijke grondslag om een juridische koppeling te maken tussen de stelling van de eiser en de duurtijd van de behandeling van de zaak; de koppeling tussen een rechtsfeit en een beoordeling van de schuldvraag alvorens deze schuldvraag werd beantwoord, impliceert een miskenning van het vermoeden van onschuld.
- Het hof van assisen beoordeelt de redelijkheid van de termijn van de rechtspleging op grond van een geheel van redenen waaronder het gegeven dat de eiser "zeer goed wist wat zijn aandeel is geweest in de feiten van diefstal (wat hij trouwens steeds heeft bekend)" en dat de uitkomst van de strafvordering voor dit hoofdfeit definitief gekend was aan de eiser binnen een zeer redelijke termijn, meer bepaald door het arrest van 27 november 1998 van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen.
- Met de redenen die het arrest vermeldt en die slechts gedeeltelijk in het onderdeel worden weergegeven, verantwoordt het bestreden arrest zonder miskenning van eisers vermoeden van onschuld zijn beslissing over de redelijke termijn. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.3.g IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van de redelijke termijn, het individualiteitsbeginsel, het mondelinge karakter van de rechtspleging en het vermoeden van onschuld: vermits het recht van verdediging van de eiser op onherroepelijke wijze werd aangetast, diende het hof van assisen de strafvordering ten laste van de eiser onontvankelijk te verklaren.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde eerste drie onderdelen. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 14.3.g IVBPR en artikel 6.1 EVRM, evenals miskenning van het individualiteitsbeginsel: het hof van assisen past nog steeds de theorie toe van de automatische toerekening van de verzwarende omstandigheden die aan alle deelnemers van het basismisdrijf moeten worden toegeschreven, zelfs indien hun rechtstreekse en persoonlijke deelneming aan het geweld niet bewezen is.
- Het hof van assisen oordeelt dat: - de eiser zeer goed wist wat zijn aandeel is geweest in de feiten van diefstal; - deze diefstal op geen enkele andere wijze kan worden beschouwd dan als een diefstal door middel van geweld of bedreiging en met de dood van het slachtoffer tot gevolg, zonder het oogmerk om te doden; - het de bedoeling was om het slachtoffer te beroven van zijn geld, waarbij ook de eiser zich zeer goed realiseerde dat dit enkel kon door gebruik van geweld of bedreiging; de eiser wist heel goed dat er geen matig maar zwaar geweld aan te pas moest komen om het slachtoffer eerst neer te slaan en hem dan bewusteloos te slaan en hij ging daar ook mee akkoord met het opzet om het slachtoffer te kunnen beroven; - de eiser maar al te goed wist en ook zeer goed hoorde te weten dat dergelijk zwaar geweld steeds ernstige gezondheidsrisico's inhoudt voor het slachtoffer; - de eiser het geld pas heeft weggenomen nadat de dodelijke slagen waren toegebracht; - de eiser de diefstal niet kon plegen vooraleer het slachtoffer uitgeschakeld was en precies daarom het geweld ook bewust gewild heeft en daarmee heeft ingestemd om het geld te kunnen wegnemen.
- Met die redenen verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing dat de eiser die vooraf kennis had van het feit dat zwaar geweld nodig zou zijn om de diefstal te kunnen plegen, de mogelijke gevolgen ervan kende of behoorde te kennen en met dit alles instemde, ook individueel schuldig is aan de verzwarende omstandigheden van het hoofdfeit diefstal naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 14.3.g IVBPR, artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 442sexies, § 1, Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het recht van verdediging: tot tweemaal toe overweegt het hof van assisen dat zowel naar de schuldvraag als naar de strafmaat het op dat punt vernietigde arrest van 27 november 1998 dient onderschreven te worden; door verwijzing naar de motieven van het deels vernietigde arrest verantwoordt het hof van assisen zijn beslissing niet naar recht en schendt het de grenzen van zijn saisine.
- Artikel 442septies, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het gerecht waarnaar de zaak wordt verwezen, de beschuldigde of de beklaagde vrijspreekt of de vernietigde veroordeling bevestigt, behoudens vermindering van de door deze veroordeling opgelegde straf, indien daartoe grond bestaat. Deze bepaling noch de in het middel als geschonden aangewezen verdrags- of wettelijke bepalingen verbiedt de verwijzingsrechter de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter te hernemen en tot de zijne te maken voor zover niet strijdig met zijn eigen redengeving. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 124,39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 13 april 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100413.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201117.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221109.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div