id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2 Rolnummer: P.09.1750.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 736 - laatst gezien 2026-07-02 19:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 28sexies Wetboek van Strafvordering oordeelt over het hoger beroep tegen de beslissing van het openbaar ministerie over het verzoek tot het opheffen van een opsporingshandeling met betrekking tot de goederen, doet geen uitspraak met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van hetzelfde wetboek; een dergelijke beslissing is een voorbereidend arrest, dat niet valt onder een van de uitzonderingen vermeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zodat het onmiddellijk cassatieberoep daartegen niet ontvankelijk is
(1).
(1)Zie Cass., 16 feb. 2010, AR P.10.0012.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3, A.C., 2010, nr. ... met conclusie O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Algemeen STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Verzoek tot opheffing van een opsporingshandeling met betrekking tot goederen - Verwerping van het verzoek door de arbeidsauditeur - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorziening - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 28sexies, 135, 235bis en 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering verlenen aan de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid uitspraak te doen over de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek, maar niet over de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek gevoerd door het openbaar ministerie wanneer dit opsporingsonderzoek nog niet geleid heeft tot het vorderen van een strafonderzoek
(1)
(2).
(1)Cass., 21 maart 2006, AR P.05.1701.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5, A.C., 2006, nr. 164;
(2)Zie Cass., 16 feb. 2010, AR P.10.0012.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3, A.C., 2010, nr. ... met conclusie O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Algemeen STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoek tot opheffing van een opsporingshandeling met betrekking tot goederen - Verwerping van het verzoek door de arbeidsauditeur - Hoger beroep - Onderzoek van de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 135 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Algemeen STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Verzoek tot opheffing van een opsporingshandeling met betrekking tot goederen - Verwerping van het verzoek door de arbeidsauditeur - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 135 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.09.1750.N DEMA CONTRACTORS nv, met zetel te 9880 Aalter, Durmelaan 12, verzoekster tot opheffing van een opsporingshandeling, eiseres, met als raadslieden mr. Serge Van Eeghem, advocaat bij de balie te Gent, en mr. Patrick Waeterinckx, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een grief aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden arrest beslist overeenkomstig artikel 28sexies, § 4, Wetboek van Strafvordering over het beroep van de eiseres tegen een beslissing van de arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Gent in verband met een opsporingshandeling met betrekking tot haar goederen.
- De kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 28sexies Wetboek van Strafvordering oordeelt over het hoger beroep tegen de beslissing van het openbaar ministerie over het verzoek tot het opheffen van een opsporingshandeling met betrekking tot de goederen, doet geen uitspraak met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van hetzelfde wetboek. Deze laatste bepalingen verlenen aan de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid uitspraak te doen over de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek, maar niet over de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek gevoerd door het openbaar ministerie wanneer dit opsporingsonderzoek, zoals hier, nog niet geleid heeft tot het vorderen van een strafonderzoek. Anders dan de eiseres aanvoert, vermocht de kamer van inbeschuldigingstelling aldus niet de regelmatigheid van het onderzoek te controleren in toepassing van artikel 235bis, § 2, Wetboek van Strafvordering.
- Het bestreden arrest is een voorbereidend arrest, waartegen overeenkomstig artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering eerst cassatieberoep openstaat na het eindarrest of het eindvonnis, terwijl het evenmin valt onder een van de uitzonderingen vermeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het cassatieberoep is derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op 72,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 20 april 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200902.2F.9 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230301.2F.12 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240124.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.4 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.006 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151104.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div