← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47sexies, 47septies en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie - Omvang - Geen kennisgeving van het vertrouwelijk dossier aan de inverdenkinggestelden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47sexies, 47septies en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethode van observatie - Vertrouwelijk dossier - Geen kennisgeving van het vertrouwelijk dossier aan de inverdenkinggestelden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47sexies, 47septies en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Bijzondere opsporingsmethode van observatie - Vertrouwelijk dossier - Geen kennisgeving van het vertrouwelijk dossier aan de inverdenkinggestelden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47sexies, 47septies en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.10.0128.N I. I. M. L. V. D. inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge. II. J. L. M. J. V. D. B. inverdenkinggestelde, eiser. III. W. M. A. C. V. D. B. inverdenkinggestelde, eiser. IV. G. M.-C. V. inverdenkinggestelde, eiseres, de eisers II, III en IV vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen, en met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 december 2009, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 16 april

  1. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II, III en IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseres I Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering: uit de gedane vaststellingen kan het arrest niet wettig afleiden dat de hier toegepaste bijzondere opsporingsmethode niet de draagwijdte heeft van de observatie als bedoeld in dit wetsartikel; het koppelen van het wettelijk begrip bijzondere opsporingsmethode observatie aan de inzet van de meest gesofistikeerde technische snufjes die noodzakelijk moeten worden afgeschermd om in de toekomst verder de zich steeds aanpassende criminaliteit effectief te kunnen blijven bestrijden, beantwoordt niet aan de wettelijke definitie van dit begrip.
  3. Uit het arrest blijkt dat de observatie waarvan het de wettelijkheid toetst, werd toegepast vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 die artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering invoert. Dit artikel en de erin vervatte bepalingen waren bijgevolg niet van toepassing op de opsporingsmethoden aangewend vóór de inwerkingtreding ervan en kunnen bijgevolg de wettelijkheid van de hier toegepaste observatie niet beïnvloeden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering alsmede een motiveringsgebrek: het arrest verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling ten onrechte bevoegd om de controle op de uitgevoerde observatie uit te voeren; enkel de bijzondere opsporingsmethode observatie als bedoeld in artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering kan het voorwerp uitmaken van die controle; het arrest is daarenboven tegenstrijdig gemotiveerd.
  5. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, is artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering niet van toepassing op de bijzondere opsporingsmethode observatie toegepast vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari
  6. Hieruit volgt dat voor de controle op de bijzondere opsporingsmethode observatie uitgevoerd vóór die inwerkingtreding, de in dat artikel bepaalde definitie van het begrip observatie niet beslissend is om de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling te bepalen. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  7. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs opgeworpen onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling ten onrechte bevoegd om de controle op de uitgevoerde observatie uit te oefenen; vermits de uitgevoerde observatie geen bijzondere opsporingsmethode is als bedoeld in artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering, was de kamer van inbeschuldigingstelling onbevoegd.
  9. Het onderdeel is afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het bestreden arrest stelt vast dat er een vertrouwelijk dossier aanwezig is; wanneer er geen stelselmatige observatie is geweest of de observatie plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 mag er geen vertrouwelijk dossier bestaan.
  11. De artikelen 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering zijn niet van toepassing op observaties die, zoals hier, zijn toegepast vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari
  12. Voor het overige belet noch het recht van verdediging noch het recht op tegenspraak dat voor de uitvoering van de observatie aangewend vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 een vertrouwelijk dossier werd opgesteld dat aan de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling wordt voorgelegd. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel van de eiseres I
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 25, 26, 28, 28bis, 28ter, 56, 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering en de artikelen 14 tot 44 van de Wet Politieambt: het arrest oordeelt ten onrechte met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering dat de uitgevoerde observaties wettig zijn; de kamer van inbeschuldigingstelling diende met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering daarover een debat te openen.
  14. Het proces-verbaal van de rechtzitting van 17 november 2009 vermeldt dat de inverdenkinggestelden worden gehoord in aanwezigheid van het openbaar ministerie en in elkaars aanwezigheid. Het arrest (p. 94-97) oordeelt over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Uit de redenen van het arrest blijkt dat het debat ook daarover gevoerd werd. Het arrest diende bijgevolg niet het debat te heropenen. Het middel kan niet aangenomen worden. Derde middel van de eiseres 1
  15. Het middel voert schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt de conclusie van de eiseres niet dat de vordering van het openbaar ministerie die ertoe strekt te horen zeggen dat de bijzondere opsporingsmethode observatie regelmatig is en dat de procedure wettelijk is, te omvangrijk is, gelet op de beperkte opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling.
  16. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede middel, oordeelt het arrest ook over de regelmatigheid van de onderzoekshandeling observatie met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Het arrest hoefde derhalve niet te antwoorden op het doelloze verweer van de eiseres dat enkel betrekking had op de toepassing van artikel 235ter van hetzelfde wetboek. Het middel kan niet aangenomen worden. Eerste middel van de eisers II, III en IV Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging en van de algemene verplichting van het onderzoeksgerecht te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde of zijn raadsman: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd waar het vaststelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is de controle op de uitgevoerde observaties uit te voeren.
  18. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering. In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  19. Het onderdeel preciseert niet op welke conclusie niet is geantwoord. In zoverre het miskenning aanvoert van het recht van verdediging en de daaruit voortvloeiende algemene verplichting te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde of van zijn raadsman, is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  20. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de uitgevoerde observatie onder toepassing valt van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering. De tegenstrijdigheid in de motivering die het onderdeel daaruit afleidt, bestaat niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de onderzoeksgerechten te antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde of zijn raadsman: het arrest is dubbelzinnig gemotiveerd waar het oordeelt dat het bevoegd is de controle van de uitgevoerde observatie uit te oefenen.
  22. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering. In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  23. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de uitgevoerde observatie onder de toepassing valt van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering. De dubbelzinnigheid in de motivering die het onderdeel daaruit afleidt, bestaat niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel van de eisers II, III en IV Eerste onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest doet uitspraak zonder de eisers de gelegenheid te geven kennis te nemen van de inhoud van het door het openbaar ministerie medegedeelde vertrouwelijke dossier waarvan het vaststelt dat het in werkelijkheid geen elementen bevat die als vertrouwelijk te bestempelen zijn.
  25. Met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, onderzoekt het arrest de regelmatigheid van de onderzoekshandeling observatie. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest het verzoek van de eisers om dit onderzoek te doen, afwijst, mist het feitelijke grondslag.
  26. Het arrest oordeelt dat het vertrouwelijke dossier, wat de observatie betreft, veeleer een werkinstrument is waaruit volgt, zonder de inhoud met betrekking tot het vertrouwelijke karakter van gebeurlijke andere opsporingsmethoden dan deze van de observatie en infiltratie te schaden of te schenden, dat niets dat met de observatie te maken heeft, niet aanwezig is in het open dossier. Aldus oordeelt het arrest niet dat er identiteit is tussen het open dossier en het vertrouwelijke dossier, maar geeft het te kennen dat dit vertrouwelijke dossier andere vertrouwelijke gegevens bevat dan deze over de uitgevoerde observatie. In zoverre het aanvoert dat het arrest vaststelt dat het vertrouwelijke dossier geen gegevens bevat die vertrouwelijk zijn en dat er geen redenen zijn om het vertrouwelijke dossier niet ter kennis te brengen van de eisers, mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  27. De controle op de bijzondere opsporingsmethode observatie uitgeoefend met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering houdt in dat de kamer van inbeschuldigingstelling kennisneemt van het vertrouwelijke dossier dat bij de gelegenheid van de uitvoering van de observatie is samengesteld. Het feit dat dit vertrouwelijke dossier niet ter kennis van de inverdenkinggestelden is gebracht, levert geen schending van artikel 6 EVRM op. Dit is voor de inverdenkinggestelde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging, maar blijft over de hele duur van het proces uitzonderlijk en wordt gecompenseerd door het feit dat de regelmatigheid van de uitgevoerde opsporingsmethode getoetst wordt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, hier de kamer van inbeschuldigingstelling, en door het feit dat de inverdenkinggestelde op basis van het open dossier al zijn rechtsmiddelen tegen de aangewende opsporingsmethoden kan aanwenden. Dit tast het recht van verdediging niet aan. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Tweede onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest is gewezen zonder dat de eisers hebben kunnen kennis nemen van de mondelinge vordering van de procureur-generaal met betrekking tot de observatie; de procureur-generaal werd immers afzonderlijk gehoord in afwezigheid van de inverdenkinggestelden en hun raadsman.
  29. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 november 2009 vermeldt dat de inverdenkinggestelden ook werden gehoord in aanwezigheid van het openbaar ministerie en in elkaars aanwezigheid. Daarenboven blijkt uit de stukken van de rechtspleging dat de eisers hebben kunnen kennisnemen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers II, III en IV
  30. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 12, tweede lid, Grondwet, de artikelen 28bis, 28ter en 56 Wetboek van Strafvordering, alsmede van de Wet Politieambt: het arrest oordeelt ten onrechte dat de observaties, die uitgevoerd zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003, voldoen aan de eisen van artikel 8 EVRM; vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 was er geen enkele wettelijke basis die toeliet een observatie in de zin van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering uit te voeren.
  31. Het middel preciseert niet welke bepaling van de Wet Politieambt het arrest schendt. In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  32. Het arrest oordeelt dat de hier uitgevoerde observaties geen bijzondere opsporingsmethode observatie is zoals ingevoerd bij de wet van 6 januari
  33. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest oordeelt dat de uitgevoerde observatie er een is als bedoeld in artikel 47sexies voormeld, mist het feitelijke grondslag. Vierde middel van de eisers II, III en IV
  34. Het middel voert schending aan van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de hier uitgevoerde observatie geen observatie is in de zin van artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering; het arrest vermocht zulks uit de erin gedane vaststellingen niet af te leiden.
  35. Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het eerste middel, eerste onderdeel, van de eiseres I. Om de in het antwoord op dit onderdeel vermelde redenen, kan het niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 457,08 euro, waarvan eiseres I, eiser II, eiser III en eiseres IV elk 114,27 verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 20 april 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140528.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100914.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.