← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.11 Rolnummer: C.08.0602.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 813 - laatst gezien 2026-07-02 18:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De regel dat alle akten houdende schenking onder de levenden voor notaris worden verleden, in de gewone contractvorm, en daarvan, op straffe van nietigheid, een minuut wordt gehouden, is niet van toepassing op de handgift van roerende goederen tussen levenden, die tot stand komt door de louter materiële overhandiging, met het inzicht om te schenken, van de zaak aan de begiftigde, die aanvaardt. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Algemeen Vrije woorden: Schenking onder de levenden - Vorm - Handgift van roerende goederen - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 931 Fiche 2 Wanneer daartoe aanleiding bestaat, wordt het volwaardig schriftelijk bewijs van het bestaan van een handgift van roerende goederen ter waarde van meer dan 375 euro geleverd aan de hand van een door de schenker en de begunstigde ondertekend geschrift, dat de overhandiging, met het inzicht om te schenken, van de zaak aan de begiftigde vaststelt, evenals de aanvaarding ervan door de begiftigde

(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de gegrondheid van het middel en tot vernietiging van het bestreden arrest op grond dat een onderhandse akte dezelfde bewijswaarde heeft als een authentieke (cf. art. 1319 en 1322 B.W.) waaruit kan worden afgeleid dat een volledig schriftelijk bewijs van een handgift bestaat in een tussen partijen opgesteld en ondertekend bilateraal geschrift waaruit blijkt dat alle geldigheidsvoorwaarden (d.w.z. de animus donandi, de traditio en de aanvaarding) vervuld zijn. Op dusdanig wettelijke basis kwam het aldus in casu voor dat een unilateraal begiftigingsinzicht van de rechtsvoorgangster van eisers en een al even unilaterale bedanking van verweerster niet in aanmerking konden komen als volwaardig schriftelijk bewijs van de tot stand gekomen handgift en dat de beslissing aldus niet naar recht verantwoord was. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Bewijskracht UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Algemeen Vrije woorden: Handgift van roerende goederen t.w.v. meer dan 375 euro - Volwaardig schriftelijk bewijs Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1319, eerste lid, 1322, eerste lid, en 1341 Fiche 3 Vermoedens die niet bij wet zijn ingesteld worden aan het beleid van de rechter overgelaten, wat inhoudt dat de rechter onaantastbaar de bewijswaarde beoordeelt van de vermoedens waarop hij steunt, waarbij hij evenwel het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet mag miskennen
(1).
(1)Zie Cass., 20 dec. 2007, AR C.07.0161.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3, A.C., 2007, nr. 652. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Algemeen Vrije woorden: Beoordeling van de bewijswaarde van de vermoedens door de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1353 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0602.N 1. M.C., 2. M.M., 3. M.M., 4. M.T., 5. G.B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen S.S., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 juni 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 780, eerste lid, 3°, en 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 894, 931, 1315, eerste lid, 1319, 1320, 1322, 1341, 1347, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Na te hebben voor recht gezegd in het tussenarrest van 26 juni 2007 dat het schrijven van 8 oktober 2001 van de hand is van mevrouw G.M., oordeelt het hof van beroep te Brussel in het eindarrest van 24 juni 2008, dat het hoger beroep gegrond is, hervormt het bestreden vonnis, inzoverre hierin de oorspronkelijke hoofdvordering en tegenvordering ont¬vankelijk werden verklaard en de kosten begroot werden, en opnieuw rechtdoende voor het overige, verklaart het de hoofdvordering, strekkende tot revindi¬catie van bepaalde waardepapieren, ongegrond en de tegenvordering, in zoverre ze strekte tot het horen opleggen van de handlichting van het op 20 september 2004 bij het Nationaal Kantoor van Roerende Waarden aangetekend verzet voor verhandeling van bepaalde effecten, gegrond en veroordeelt de eisers tot het geven van handlichting van het voornoemd verzet. Het hof van beroep veroordeelt bovendien de eisers tot de kosten van eerste aanleg en van hoger beroep. Het hof van beroep grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 3-5): "3.1. Wat het bestaan van de handgift betreft: 3.1.1. Uit de neergelegde stukken blijkt o.m. het volgende: - op 8 oktober 2001 stuurt de rechtsvoorganger van (de eisers) aan (de verweerster) een aangetekende brief waarin (vrij vertaald) te lezen staat (
  1. a)dat zij van plan is aan (verweerster), bij wijze van een handgift, 13.000.000 frank te schenken in de vorm van kapitaliseerbare Sicav's en (
  2. b)dat zij vraagt aan (de verweerster) aanwezig te zijn op 9 oktober 2001 om 14.30 uur in de KBC bank te H.; - op de omslag, die eigenlijk de keerzijde is van de geplooide brief van 8 oktober 2001, wordt vermeld dat deze brief afgegeven werd aan de geadresseerde op 9 oktober 2001; - bij aangetekend schrijven van 9 oktober 2001, verstuurd op 10 oktober 2001, laat S.S. aan haar (groot)tante weten dat zij haar hartelijk bedankt voor de schenking van 13.000.000 frank die gebeurde op 9 oktober 2001; - (een deel van) deze waardepapieren werden opgeborgen in een kluis die (de verweerster) opende bij hetzelfde filiaal van de KBC in Heverlee die op haar naam stond met een volmacht voor haar groottante; de enige sleutel van deze kluis bevond zich bij (de verweerster). 3.1.2. In tegenstelling met wat (de eisers) proberen voor te houden, zijn de brief van 8 oktober 2001 en de dankbrief van 9 oktober 2001 voor generlei interpretatie vatbaar. In het schrijven van 8 oktober 2001 drukt de rechtsvoorganger van (de eisers) de wens uit dat zij kapitaliseerbare Sicav's ter waarde van 13.000.000 frank wou schenken aan (de verweerster). Op 9 oktober 2001 werd samengekomen in het KBC - filiaal te Heverlee alwaar de overhandiging van deze waardepapieren plaatsvond waarna bij schrijven van 9 oktober 2001, verstuurd op 10 oktober 2001, (de verweerster) haar groottante bedankte voor de op 9 oktober 2001 gedane schenking van de kwestieuze Sicav's. Alle verdachtmakingen die (de eisers) uiten m.b.t. deze beide brieven en de omstandigheden waarin deze geschreven en/of verstuurd en/of ontvangen werden, zijn loutere beweringen die geen steun vinden in enig objectief gegeven van het dossier. Er wordt verder niet betwist dat (de verweerster) (een deel) van deze Sicav's bewaarde in een kluis, geopend op haar naam in hetzelfde filiaal te Heverlee als geciteerd in de brief van 8 oktober 2001 en dat zij in het bezit was van de enige sleutel van deze kluis. Het feit dat de rechtsvoorganger van (de eisers) een volmacht had op deze kluis is niet relevant gezien (de verweerster) afdoend aantoont, op grond van geschriften, dat een handgift plaatsvond en er bijgevolg een mate¬riële overdracht gebeurde van de kwestieuze Sicav's op 9 oktober 2001 die onherroepelijk en definitief was. Tussen 9 oktober 2001 en 17 juni 2004, datum waarop de rechtsvoorganger van (de eisers) plots klacht neerlegde, werd het bestaan van de handgift nooit in vraag gesteld. 3.1.3. (De eisers) verwijzen zelf naar een werk van Van Heuverswijn Chr., Estate Planning, Boek 2, Vermogensplanning met effect bij leven: Schenking waarin o. m. gesteld wordt: ‘Een grote meerderheid van de rechtszaken m.b.t. handgift houdt verband met de problematiek van het bewijs van handgiften en de verdeling van de bewijslast tussen de procespartijen. Als regel kan worden gesteld dat de redactie van geschriften ad probationem vrijwel onmisbaar is. (...) Het geschrift bestaat in de praktijk vaak uit twee afzonderlijke onderhandse akten: een akte ondertekend door de begiftigde waarin deze erkent de handgift ontvangen te hebben, en een akte ondertekend door de schenker die bevestigt de voorwerpen geschonken en overgedragen te hebben. Om fiscale redenen bestaat het schriftelijk bewijs meestal uit twee afzon¬derlijke en zelfstandige stukken waarvan de samenlezing op ondubbelzin¬nige wijze het bestaan van de handgift en in voorkomend geval de moda¬liteiten ervan aantoont. Beide stukken nemen meestal de vorm van aangetekende brieven aan waardoor een semi-vaste datum wordt bekomen, die ook door de fiscus wordt erkend. Met een eerste brief, die de toekom¬stige schenker aan de toekomstige begiftigde zendt, wordt het inzicht tot schenken verwoord. De begiftigde zal deze brief, na ontvangst van de goederen, eveneens bij voorkeur aangetekend beantwoorden". Het is juist deze werkwijze die door de betrokkenen werd gehanteerd. (De verweerster) bewijst bijgevolg dat een handgift op regelmatige wijze tot stand kwam. 3.1.4. Het hof herhaalt dat alle argumenten die door (de eisers) worden aangehaald, zoals het ontbreken van het bewijs van een animus donandi, het gebrek aan tra¬ditio of de materiële overdracht van het voorwerp van de schenking, het feit dat de rechtsvoorganger van (de eisers) een volmacht had op de koffer die op naam stond van (de verweerster) en alwaar een deel van de geschonken waardepapieren zich bevinden, terzake niet meer relevant zijn in het licht van de vaststelling dat (de verweerster) een rechtsgeldig schriftelijk bewijs voorlegt van de handgift. (De verweerster) bewijst door die geschriften de animus donandi en de traditio. 3.1.5. De oorspronkelijke vordering, zoals hernomen door (de eisers), met name het bevel opleggen aan (de verweerster) tot teruggave van de in het inleidend exploot opgesomde waardepapieren, is zodoende ongegrond. De oorspronkelijke tegenvordering ingesteld door (de verweerster), met name (de eisers) te veroordelen tot het geven van handlichting van het verzet ingesteld op 20 september 2004 bij het Nationaal Kantoor van Roerende Waarden voor de effecten opgesomd in de bijlage bij de verklaring van verzet, is dan weer gegrond. (...). Grieven Eerste onderdeel Artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een schenking onder de levenden een akte is waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepe¬lijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanneemt. Overeenkomstig artikel 931 van het Burgerlijk Wetboek worden alle akten houdende schenking onder de levenden verleden voor de notaris, in de ge¬wone contractvorm, en wordt daarvan, op straffe van nietigheid, een minuut gehouden. Deze wetsbepaling is evenwel niet van toepassing op handgiften van roerende goederen tussen levenden, voor de geldigheid waarvan alleen de ei¬gendomsafgifte over de zaak, met de bedoeling te schenken, door de schenker ten gunste van de begiftigde, die deze schenking aanvaardt, wordt vereist. Luidens artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek moet een notariële akte of onderhandse akte worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375,00 euro te boven gaan en is het bewijs door getuigen niet toegela¬ten tegen en boven de inhoud van de akten en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375,00 euro. Wanneer bijgevolg de beweerde begunstigde van een handgift van roerende waarden, die in zijn bezit zijn, door de beweerde eigenaar(
  3. s)van dezelfde roerende waarden gedagvaard wordt in revindicatie, en de eerstge¬noemde zich beroept op een regelmatige handgift van deze roerende waarden, zal hij, wanneer de regelmatigheid van de handgift wordt betwist, gehouden zijn het bewijs van de regelmatigheid van de handgift te leveren overeenkomstig de gemeenrechtelijke beginselen, zoals onder meer vervat in artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek. Zo zal het bewijs van de handgift van roerende waarden waarvan de waarde 375,00 euro te boven gaat, weliswaar niet noodzakelijk moeten worden ge¬leverd door een notariële akte, doch wel door een geschrift. Te dezen was niet betwist dat: - de rechtsvoorgangster van de eisers de oorspronkelijke eigenares was van de titels; - deze titels zich in de kluis van de verweerster bevonden; - de rechtsvoorgangster van de eisers, als oorspronkelijke eigenares van de titels, en later de eisers zelf, de teruggave vorderden van deze titels; - de verweerster stelde dat zij eigenares was geworden van de titels door een handgift; - de betreffende titels de waarde van 375,00 euro te boven gingen. De verweerster was bijgevolg gehouden tot het bewijs door geschrift van de handgift van de betreffende titels. Het schriftelijk bewijs van een handgift houdt in dat door geschriften wordt bewezen dat een overdracht van het eigendomsrecht van roerende goederen heeft plaatsgehad, met de bedoeling te schenken, en dat de begunstigde deze schenking aanvaardt. De schenker moet derhalve schriftelijk erkennen dat hij een schenking van roerende goederen gedaan heeft ten gunste van een derde. Dit bewijs wordt niet geleverd wanneer de schriftelijke verklaring van de vermeende schenker er zich toe beperkt te stellen dat hij van plan is een schenking te doen en, met andere woorden, slechts tot uiting brengt dat de steller (in de toekomst) een schenking wenst te doen, zonder dat hij ze vooralsnog effectief en werkelijk doet of gedaan heeft. Genoemd artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek vereist immers dat de schenker zich "dadelijk en onherroepelijk" van de geschonken zaak ontdoet ten voordele van de begiftigde. Te dezen oordeelt het hof van beroep dat de verweerster "een rechtsgeldig schriftelijk bewijs voorlegt van de handgift" (arrest p. 4, nr. 3.1.4.). Dit schriftelijk bewijs wordt volgens de appelrechters opgeleverd door een brief van 8 oktober, door de rechtsvoorgangster van de eisers verstuurd aan de verweerster en door een brief van 9 oktober 2001 van de verweerster aan de rechtsvoorgangster van de eisers. Het hof van beroep stelt dat in de brief van 8 oktober 2001, "(vrij vertaald) te lezen staat (
  4. a)dat (de rechtsvoorgangster van de eisers) van plan is aan (de verweerster), bij wijze van een handgift, 13.000.000 frank te schenken in de vorm van kapitaliseerbare Sicav's en (
  5. b)dat zij vraagt aan (de verweerster) aanwe¬zig te zijn op 9 oktober 2001 om 14.30 uur in de KBC bank te (...)" (arrest p. 3, nr. 3.1.1., eerste streepje). Het hof van beroep erkent dat "in het schrijven van 8 ok¬tober 2001 de rechtsvoorganger van (de eisers) de wens uit(drukt) dat zij kapitali¬seerbare Sicav's ter waarde van 13.000.000 frank wou schenken aan (de verweerster)" (arrest p. 3, derde laatste alinea). Aldus stelt het hof van beroep vast dat de rechtsvoorgangster van de eisers schriftelijk stelde dat zij wenste een schenking te doen in de toekomst, doch niet dat ze een schenking had gedaan ten gunste van de verweerster. Deze akte van 8 oktober 2001 hield dus niet het schriftelijk bewijs van de schenking in. Het (schriftelijk) bewijs van een schenking wordt evenmin geleverd door de (schriftelijke) verklaring van de beweerde begunstigde dat hij de schenking aanvaardt. De begunstigde van een handgift die zich hierop beroept moet, gelet op de bewijslastverdeling volgens artikel 870 van het Gerechtelijk wetboek, zoals bevestigd in artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, het schrif¬telijk bewijs leveren dat de vermeende schenker een roerend goed heeft geschonken. Een verklaring van de beweerd begunstigde van de schenking zelf kan niet het bewijs vormen van de schenking. Bijgevolg kon de akte van 9 okto¬ber 2001, door de verweerster aan de rechtsvoorgangster van de eisers verstuurd, en waarin zij stelde "dat zij haar hartelijk bedankt voor de schenking van 13.000.000 frank die gebeurde op 9 oktober 2001" (arrest p. 3, nr. 3.1.1., derde streepje), niet gelden als schriftelijk bewijs van de overdracht, door de schenker, van de ver¬meend geschonken goederen. Aldus kon het hof van beroep niet wettig oordelen dat de verweerster een "rechtsgeldig schriftelijk bewijs voorlegt van de handgift'. Het hof van beroep schendt bijgevolg alle in het onderdeel aangehaalde wetsbepalingen en kon dus niet wettig eisers' oorspronkelijke vordering afwijzen en de eisers tot de kosten veroordelen (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 894, 931, 1315, eerste lid en 1341 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een schenking onder de levenden een akte is waarbij de schenker zich dadelijk en onher¬roepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanneemt. Overeenkomstig artikel 931 van het Burgerlijk Wetboek worden alle akten, houdende schenking onder de levenden verleden voor de notaris, in de gewone contractvorm, en wordt daarvan, op straffe van nietigheid, een minuut gehouden. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op handgift van roerende goederen tussen levenden, voor de geldigheid waarvan alleen de eigendomsafgifte over de zaak, met de bedoeling te schenken, door de schenker ten gunste van de begiftigde, die deze schenking aanvaardt, wordt vereist. Naar luid van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek moet een nota¬riële akte of onderhandse akte worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375,00 euro te boven gaan en is het bewijs door getuigen niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375,00 euro. Wanneer bijgevolg de beweerd begunstigde van een handgift van roerende waarden, die in zijn bezit zijn, door de beweerde eigenaar(
  6. s)van dezelfde roerende waarden gedagvaard wordt in revindicatie, en de eerstge¬noemde zich beroept op een regelmatige handgift van deze roerende waarden, zal hij, wanneer de regelmatigheid van de handgift wordt betwist, gehouden zijn het bewijs van de regelmatigheid van de handgift te leveren overeenkomstig de gemeenrechtelijke beginselen, zoals onder meer vervat in artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek. Zo zal het bewijs van de handgift van roerende waarden waarvan de waarde 375,00 euro te boven gaat, weliswaar niet noodzakelijk moeten worden geleverd door een notariële akte, doch wel door een geschrift. Te dezen was niet betwist dat: - de rechtsvoorgangster van de eisers de oorspronkelijke eigenares was van de titels; - deze titels zich in de kluis van de verweerster bevonden; - de rechtsvoorgangster van de eisers, als oorspronkelijke eigenares van de titels, en later de eisers zelf, de teruggave vorderden van deze titels; - de verweerster stelde dat zij eigenares was geworden van de titels door een handgift; - de betreffende titels de waarde van 375,00 euro te boven gingen. De verweerster was bijgevolg in beginsel gehouden tot bewijs door geschrift van de handgift van de betreffende titels. Luidens artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek lijdt de regel van artikel 1341 van hetzelfde wetboek nochtans uitzondering wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is. Een begin van bewijs door geschrift is, luidens het tweede lid van deze wetsbepaling, elke geschreven akte die uitge¬gaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. In zoverre het Hof de mening zou toegedaan zijn dat het hof van beroep oordeelde dat de brief van 8 oktober 2001, uitgaande van de rechtsvoorganger van de eisers en gericht aan de verweerster, een begin van bewijs door geschrift uitmaakt, kon het hof van beroep slechts tot een volwaardig bewijs van de handgift van de bedoelde roerende waarden besluiten, indien het aanvullend overeenstemmende vermoedens in de zin van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek zou erkennen waaruit de werkelijkheid van de handgift kon worden afgeleid. Het hof van beroep maakt melding van een brief van de verweerster van 9 oktober 2001, gericht aan de rechtsvoorgangster van de eisers en van het feit dat (een deel van) de roerende waarden werden opgeborgen in een kluis, geo¬pend door de verweerster, waarvoor de rechtsvoorgangster van eisers volmacht had en waarvan de enige sleutel zich bij de verweerster bevond. Uit de eigen verklaring van de begunstigde van de vermeende schenking kan niet het bewijs van een door de vermeende schenker betwiste schenking worden afgeleid. Bijgevolg kon de brief van 9 oktober 2001, door de verweerster aan de rechtsvoorgangster van de eisers verstuurd, en waarin zij stelde "dat zij haar hartelijk bedankt voor de schenking van 13.000.000 frank die gebeurde op 9 oktober 2001" (arrest p. 3, nr. 3.1.1., derde streepje), niet gelden als aanvullend vermoeden tot bewijs van een vermeende schenking die door de schenker en zijn rechtsopvolgers werd betwist. Waar het hof van beroep verwijst naar het feit dat (een deel van) de betreffende waardepapieren werden opgeborgen in een kluis die de verweerster opende in hetzelfde bankfiliaal (waarvan sprake in de brief van 8 oktober 2001) en die op haar naam stond (arrest p. 3, nr. 3.1.1., vierde streepje en p. 3, onderaan), moet worden vastgesteld dat het hof tevens vaststelde (arrest p. 3, nr. 3.1.1., vierde streepje) dat, zoals door partijen aangevoerd, de rechtsvoorgangster van de eisers een volmacht had in verband met de toegang tot de kluis. Bovendien wijst het hof van beroep erop dat de enige sleutel van deze kluis zich bevond bij de verweerster (ibidem), zonder hierbij nochtans te ant¬woorden, zoals nochtans opgelegd door de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, op eisers' aanvoe¬ringen in conclusies dat de verweerster op bedrieglijke wijze in het bezit was geko¬men van deze enige sleutel, die oorspronkelijk alleen in het bezit was van hun rechtsvoorgangster. Zo stelden de eisers in conclusie dat de rechtsvoorgangster van de eisers haar geld en waardepapieren in de bankkluis bewaarde, dat zij een volmacht had en dat zij alleen toegang had tot de kluis omdat zij de enige sleutel bezat (syn¬theseconclusie p. 3, nr. 2 of p. 9, tweede alinea, in fine, p. 12, nr. 2); zij stelden tevens dat in de loop van 2004 hun rechtsvoorgangster de verdwijning van de sleutel vaststelde, zij navraag deed bij de verweerster die deed alsof ze de sleutel niet had en haar aanried beter te zoeken, en dat uiteindelijk via de bank verno¬men werd dat de verweerster de sleutel bezat (syntheseconclusie p. 3, nr. 4 en p. 14, derde alinea). De eisers voerden tevens aan dat hun rechtsvoorgangster een klacht had ingediend bij de politie te Leuven, waar zij melding maakte van de verdwijning van de sleutel (syntheseconclusie p. 3-4, nr. 5). Aldus gewaagden de eisers van een onvrijwillige en niet gewilde buitenbezitstelling van de waardepapieren (syntheseconclusie p. 8, bovenaan of p. 13, nr. 3). Aldus kon het louter feit dat de verweerster een bankkluis had waarin zich de waardepapieren bevonden waarvan zij beweerde dat zij het voorwerp waren van een handgift ten haren gunste, niet wettig door het hof van beroep in aanmerking worden genomen als vermoeden ter bevestiging van de handgift, zonder te antwoorden op de pertinente en regelmatige aanvoeringen dat de vermeende schenker volmacht had in verband met de toegang tot de kluis én de enige sleutel voor de kluis bezat, en dat deze sleutel op onrechtmatige wijze in het bezit was gekomen van de verweerster. Het hof van beroep miskent bijgevolg zijn motiveringsverplichting en schendt de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre de bestreden beslissing aldus zou moeten gelezen wor¬den dat het hof van beroep hierbij heeft geoordeeld dat niet betwist werd dat de verweerster de sleutel van de kluis steeds in haar bezit zou hebben gehad, miskent het hof van beroep de bewijskracht van eisers' syntheseconclusie door er een draagwijdte aan te toe te kennen die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, nu eisers, zoals hiervoren gezegd, aanvoerden dat hun rechtsvoorgangster oorspronkelijk de enige sleutel van de kluis bezat en dat deze door de verweerster was ontvreemd. Het hof van beroep schendt bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof van beroep kon bijgevolg niet wettig, uitgaande van een begin van bewijs door geschrift, oordelen dat het bewijs van de handgift werd geleverd door de aanvullende vermoedens opgeleverd door het schrijven van 9 okto¬ber 2001 van de verweerster aan de rechtsvoorgangster van de eisers en door het feit dat de vermeend geschonken roerende waarden zich bevonden in een kluis op naam van de verweerster. Het hof van beroep schendt bijgevolg tevens de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 894, 931, 1341, 1347, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 931 van het Burgerlijk Wetboek, worden alle akten houdende schenking onder de levenden verleden voor notaris, in de gewone contractvorm, en wordt daarvan, op straffe van nietigheid, een minuut gehouden. Deze regel is niet van toepassing op de handgift van roerende goederen tussen levenden, die tot stand komt door de louter materiële overhandiging, met het inzicht om te schenken, van de zaak aan de begiftigde, die aanvaardt. 2. Krachtens artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek, moet een akte voor notaris of een onderhandse akte worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 euro te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargeving. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 euro. Krachtens artikel 1319, eerste lid van dit wetboek, levert de authentieke akte tussen de contracterende partijen en hun erfgenamen of rechtverkrijgenden een volledig bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat. Krachtens artikel 1322, eerste lid, van hetzelfde wetboek heeft een onderhandse akte, die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijswaarde als een authentieke akte. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat, wanneer daartoe aanleiding bestaat, het volwaardig schriftelijk bewijs van het bestaan van een handgift van roerende goederen ter waarde van meer dan 375 euro wordt geleverd aan de hand van een door de schenker en de begunstigde ondertekend geschrift, dat de overhandiging, met het inzicht om te schenken, van de zaak aan de begiftigde vaststelt, evenals de aanvaarding ervan door de begiftigde. 3. Luidens artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek lijdt de regel van artikel 1341 van dat wetboek uitzondering wanneer er een begin van bewijs met geschriften voorhanden is. Een begin van bewijs door geschrift is, luidens het tweede lid van die bepaling, elke geschreven akte die uitgaat is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld of van de persoon die hem vertegenwoordigt en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Vermoedens die niet bij wet zijn ingesteld worden aan het beleid van de rechter overgelaten, wat inhoudt dat de rechter onaantastbaar de bewijswaarde beoordeelt van de vermoedens waarop hij steunt, waarbij hij evenwel het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet mag miskennen. 4. De appelrechters baseren hun beslissing op de omstandigheden dat: - de rechtsvoorgangster van de eisers een aangetekende brief had gestuurd op 8 oktober 2001 waarin zij haar wil uitdrukte een schenking te doen; - de verweerster op 9 oktober 2001 in het bezit kwam van de titels in het KBC-filiaal in Heverlee; - een deel van de geschonken roerende waarden in de kluis van de verweerster was opgeborgen, kluis waarvan de verweerster de enige sleutel had; - de rechtsvoorgangster van de eisers tussen 9 oktober 2001 en 17 juni 2004 het bestaan van de handgift nooit in vraag stelde. De appelrechters oordelen eveneens dat de omstandigheid dat de rechtsvoorgangster van de eisers een volmacht had op de kluis van de verweerster niet relevant was omdat de materiële overhandiging voldoende was aangetoond en doen de overige beweringen van de eisers af als loutere beweringen die geen steun vinden in het dossier. 5. De appelrechters vermochten uit het geheel van die omstandigheden afleiden dat de handgift bewezen was op grond van het begin van bewijs met geschriften uitgaande van de rechtsvoorgangster van de eisers en op grond van de vermoedens die in het arrest zijn vermeld. 6. Met de redenen vermeld sub 4 verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. 7. Met die redenen oordelen de appelrechters niet dat niet betwist werd dat de verweerster steeds de sleutel van de kluis in haar bezit had. 8. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste onderdeel 9. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, blijft het arrest overeind en is het eerste onderdeel zonder belang. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op 633,32 euro jegens de eisende partijen en op de som van 133,73 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 22 april 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.11 Gerelateerde publicatie(
  7. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170127.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140912.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.