id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.12 Rolnummer: C.09.0269.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 603 - laatst gezien 2026-07-02 18:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche De bepaling van het K.B. van 26 oktober 2007, dat de erin vastgestelde basis-, mimimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld worden per aanleg, verhindert niet dat, wanneer twee of meer rechtsvorderingen wegens samenhang worden gevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingsvergoedingen kan toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken
(1).
(1)Zie I. SAMOY en V. SAGAERT, "De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat", R.W., 2007-08,
(674)685; contra J.-F. VAN DROOGHENBROECK en B. DE CONINCK, "La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d'avocat ", J.T., 2008,
(37)- Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Basis-, minimum- en maximumbedragen - Vaststelling - Per aanleg - Gevolg - Samenvoeging van zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 Koninklijk Besluit - 26-10-2007 - Art. 1, eerste en tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.09.0269.N COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG), met zetel te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat 26-38, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen PROVINCIALE BRABANTSE ENERGIEMAATSCHAPPIJ (PBE), met zetel te 3210 Linden, Diestsesteenweg 126, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 november 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing en motieven Gevat door het verhaal van de verweerster tegen de beslissing van de eiseres van 21 december 2006 waarbij de eiseres voorlopige tarieven heeft opgelegd voor een periode van drie maanden ingaande op januari 2007, en van de beslissingen van de eiseres van 27 maart, 21 juni en 20 september 2007, waarbij deze voorlopige tarieven verlengd werden voor opeenvolgende periodes van drie maanden (§§9-13), en na in essentie te hebben vastgesteld dat de eiseres bij deze beslissing beslist heeft over de vaststelling van voorlopige tarieven in de zin van artikel 10 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit (hierna: "het Tarievenbesluit"), en dat in de bestreden beslissingen tevens de bonus van verweerster voor het exploitatiejaar 2005 werden verrekend, zoals zij door eiseres vastgesteld in haar beslissing van 31 oktober 2006 (§§9-13 en 58), verklaart het hof van beroep, bij het bestreden arrest het verhaal ingesteld tegen de vier beslissingen van de eiseres gegrond, vernietigt deze beslissingen, en "zegt dat het aan (de eiseres) staat om opnieuw te beslissen over de tarieven die door (de verweerster) moeten worden toegepast voor het exploitatiejaar 2007, rekening houdend met hetgeen bij dit arrest wordt beslist inzake de vaststelling van een bonus voor het exploitatiejaar 2005 van (de verweerster) en inzake de kostprijs voor aankoop van energie ter compensatie van netverliezen en ter vervulling van sociale openbare verplichtingen" (p. 46). Het bestreden arrest baseert deze beslissing, in essentie, op de volgende overwegingen.
- Bij de bestreden beslissing van 21 december 2006 past de eiseres correcties toe op het tariefvoorstel van de verweerster ten bedrage van 7.013.132,90 euro, "overdracht van 3.475.454,39 euro wegens de beslissing over de bonus van het exploitatiejaar 2005 inbegrepen" (§9). De eiseres heeft "op 31 oktober 2006 beslist, na de controle van de exploitatierekening over het jaar 2005, dat van het geboekte exploitatieoverschot van 3.799.167,51 euro, slechts een bedrag van 323.713,12 euro kon worden toegeschreven aan kostenbeheersende maatregelen en zodoende als bonus kon worden gekwalificeerd. Zodoende heeft eiseres een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het exploitatieoverschot en de bonus, hetzij 3.475.454,39 euro, ten laste gelegd van het budget voor het exploitatiejaar 2007" (§58).
- Het hof van beroep heeft inmiddels bij een arrest van 10 november 2008 uitspraak gedaan over het verhaal van de verweerster tegen de beslissing van 31 oktober 2006 waarbij de bonus voor het exploitatiejaar 2005 werd vastgesteld. De beslissing werd vernietigd. De eiseres kon voor de vaststelling van de tarieven voor het exploitatiejaar 2007 bij de bestreden beslissingen geen grond putten uit haar beslissing van 31 oktober 2006 voor de tenlastelegging van het budget voor het exploitatiejaar 2007 (§60). Het hof (van beroep) neemt evenwel aan dat het alsnog redenen in aanmerking kan nemen die door de eiseres nu worden aangevoerd en die bijkomend kunnen doen blijken dat haar standpunt betreffende de vastgestelde bonus inhoudelijk deugdelijk was (§61).
- De invulling van de begrippen ‘bonus' en ‘malus' houdt geen verband met de mogelijkheid van de eiseres om op de exploitatierekening controle uit te voeren, die volgens het Tarievenbesluit zelf de controle op en de eventuele verwerping van geboekte uitgaven betreft. Een ‘bonus' is het positieve resultaat van de exploitatie en een ‘malus' het negatieve resultaat, beide desgevallend aangepast in functie van de controle ex post door de eiseres (§65). Volgens artikel 24 van het Tarievenbesluit wordt de bonus of malus verdeeld in twee gelijke helften. "De beloning voor het beter bereikte resultaat dan de begroting liet verwachten bestaat erin dat de helft van het voordeel hem wordt toegekend. Omgekeerd, indien het resultaat slechter uitvalt dan begroot en er geen verwerping van uitgaven door (de eiseres) volgt die met zich brengen dat het exploitatieresultaat herleid wordt tot nul, blijft de helft ten laste van de (Distributienetbeheerder) en wordt de andere helft gevoegd bij de te begroten kosten voor een volgend jaar" (§
- onderstreping toegevoegd).
- "(De eiseres) heeft het exploitatieresultaat, zoals het na enkele correcties wegens verworpen uitgaven resulteerde uit de rekeningen, en uitkwam op 3.799.167,51 euro, onterecht niet als bonus erkend. Ze heeft niet vastgesteld dat er buitengewone omstandigheden voorhanden waren op grond waarvan ze een andere aanrekening van de bonus kon beslissen dan bij helften (...). Aangezien de bonus 3.799.167,51 euro bedroeg, kon (de eiseres) dan ook enkel een bedrag van 1.899.583,76 euro, hetzij de helft, in mindering brengen van de tarieven die tijdens het exploitatiejaar 2007 dienden te worden toegepast" (§72). Grieven Het hof van beroep oordeelt dat de bonus gelijk is aan het verschil tussen het effectief resultaat en de gebudgetteerde winstmarge (§67). De aldus gedefinieerde bonus is volgens het bestreden arrest het exploitatieoverschot van de verweerster (§72). Het hof (van beroep) legt vervolgens, op basis van de becijfering van het exploitatieoverschot van de verweerster, vervat in de bestreden beslissing van de eiseres die terzake naar de beslissing van de eiseres van 31 oktober 2006 verwijst, deze bonus vast op 3.799.167,51 euro (§58, §72 en dispositief van het bestreden arrest).
(2)Echter, in haar beslissing van 31 oktober 2006 berekent de eiseres het exploitatieoverschot, dat volgens het bestreden arrest de ‘bonus' uitmaakt, niet in functie van de gebudgetteerde winstmarge. De eiseres berekent het exploitatieoverschot door het verschil te maken tussen het effectief resultaat volgend uit de toepassing van de tarieven en de winstmarge zoals zij in de loop van het jaar wordt gecorrigeerd in functie van de werkelijke waarde van het geïnvesteerde kapitaal (GIK), de werkelijke verhouding tussen eigen en vreemde vermogen, en de werkelijke parameters van vergoeding, dit is de zogenaamde ‘werkelijke' winstmarge. De eiseres berekent aldus een aangepaste billijke vergoeding.
(1)Dit blijkt uit de beslissing (B)060928-CDC-139/23 van 28 september 2006 inzake verweerster, die na aanpassing aanleiding heeft gegeven tot de aangevochten beslissing (B)06103I-CDC-139/24 van eiseres van 31 oktober 2006 waarvan zij "integraal deel (uitmaakt)", en waarvan de becijfering in de bestreden beslissing van 31 december 2006 wordt overgenomen. De beslissing (B)060928-CDC-139/23 van 28 september 2006 preciseert terzake (p. 17): "22. Op basis van de werkelijke GIK-waarde (...), de gewijzigde verhouding eigen vermogen/totaal vermogen (...), met toepassing van de voor het exploitatiejaar 2005 vastgestelde parameters heeft (de eiseres) berekend dat de billijke vergoeding voor het exploitatiejaar 2005, 6.772.941,38 euro mag bedragen. Dit is 42.528,06 euro meer dan de billijke vergoeding opgenomen in het budget en 109.654,71 euro minder dan voorzien in de rapportering van de distributienetbeheerder". Het is op die basis dat de eiseres, in de aangevochten beslissing, het bedrag van het exploitatieoverschot berekend heeft, dat het hof van beroep als ‘bonus' heeft geïdentificeerd.
(3)De berekening van de bonus door het hof van beroep is aldus tegenstrijdig met de definiëring van de bonus door het hof (van beroep). Het bestreden arrest is aldus op tegenstrijdige motieven gestoeld en is dus niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet).
(4)Het hof (van beroep) hanteert bovendien een definitie van de bonus, die onverenigbaar is met de bewoording van de beslissing van de eiseres, geciteerd supra,
- Het bestreden arrest miskent aldus de bewijskracht van de beslissing van de eiseres (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Aangevochten beslissing en motieven Na te hebben vastgesteld dat de beslissingen van de eiseres inzake de verweerster van 21 december 2006 met referentie (B)0612211-CDC-139/26, van 27 maart 2007 met referentie (B)070327-CDC-632E/01, van 21 juni 2007 met referentie (B)070621-CDC-632E/04 en van 20 september 2007 met referentie (B)070920-CDC-632E/04, die door de verweerster middels vier verschillende verzoekschriften waren bestreden, onderling samenhang vertoonden aangezien de eerste beslissing het tariefvoorstel verwierp en voorlopige tarieven vaststelde voor het eerste trimester van 2007, en de drie overige beslissingen telkens voorlopige tarieven vaststelde voor de drie volgende trimesters (§2), en dat de verweerster in elk van de schriftelijke opmerkingen die in de vier gedingen werden ingediend de "wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding" vordert zonder nadere precisering, dat er door de verweerster geen bijzondere reden aangereikt waren om de toekenning van een hoger bedrag dan het basisbedrag toe te kennen, en dat de partijen het er over eens waren dat het geschil niet in geld waardeerbaar was, zodat het basisbedrag 1.200,00 euro bedroeg (§93), en na de vier verhalen van verweerster te hebben gevoegd om er bij één arrest uitspraak over te doen (§3), deze verhalen gegrond te hebben verklaard, en de vier bestreden beslissingen van de eiseres te hebben vernietigd (dispositief), beslist het hof van beroep, bij het bestreden arrest, dat de rechtsplegingsvergoeding voor de verweerster begroot moet worden op 4.800,00 euro en veroordeelt de eiseres tot betaling ervan (§93). Deze beslissing is in essentie gegrond op de volgende overwegingen:
- De omstandigheid dat verweerster de kosten en erelonen van haar raadslieden kan afwentelen in de verbruikersprijzen vormt geen reden om haar een lager bedrag toe te kennen dan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (§92).
- Gezien uitspraak wordt gedaan over vier gedingen die zijn gevoegd en die ieder een aparte instaatstelling hebben gevergd, moet de rechtsplegingsvergoeding voor de verweerster begroot worden op 4.800,00 euro (§93). Grieven Volgens artikel 1, tweede lid, van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, worden de in het KB bepaalde bedragen vastgelegd "per aanleg". Bij het voegen van verschillende zaken ligt slechts één enkele aanleg voor. Derhalve kan, waar verschillende zaken tussen twee partijen worden gevoegd, slechts één enkele rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. Door evenveel rechtsplegingsvergoedingen toe te kennen als er gevoegde zaken zijn, schendt het bestreden arrest de in het middel geviseerde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het bestreden arrest definieert het begrip "bonus" in de zin van artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit, als het "positieve resultaat van de exploitatie (...), desgevallend aangepast in functie van de controle ex post door (de eiseres)". Het verwijst daartoe naar het gangbare Franse taalgebruik volgens hetwelk een "boni" een overschot is op de begrote som ten aanzien van de werkelijk gedane uitgave". Het hof van beroep stelt vervolgens vast dat het geboekte exploitatieoverschot, zoals het na enkele correcties wegens verworpen uitgaven resulteerde uit de rekeningen, uitkwam op 3.799.167, 51 euro. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de partijen het te dezen oneens waren omtrent de wijze van berekening van het exploitatieoverschot.
- Overeenkomstig zijn definitie van het begrip bonus, oordeelt het hof van beroep dat de eiseres het vermeld bedrag onterecht niet als een bonus heeft erkend.
- Het oordeel van het bestreden arrest is aldus niet op tegenstrijdige motieven gegrond. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
- Het hof van beroep geeft verder geen uitlegging van hetgeen de eiseres heeft geoordeeld in de beslissing van 28 september 2006, onder randnummer
- Het hof van beroep miskent aldus de bewijskracht van de beslissing van de eiseres niet. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel
- Artikel 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat de in dit besluit vastgestelde basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek worden vastgesteld per aanleg.
- Deze bepaling verhindert niet dat, wanneer twee of meer rechtsvorderingen wegens samenhang worden gevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingvergoedingen kan toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken.
- Het middel dat ervan uitgaat dat bij het voegen van verschillende rechtsvorderingen wegens samenhang steeds slechts een enkele rechtsplegingvergoeding kan worden toegekend, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 466,29 euro jegens de eisende partij en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 april 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120119.5 ECLI:BE:HBGNT:2011:ARR.20110517.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div