id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 Rolnummer: C.09.0270.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-05-26 Raadplegingen: 764 - laatst gezien 2026-07-02 18:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een cassatiemiddel waarin de schending wordt aangewezen van een artikel van een wet waarvan de tekst door een latere wet is gewijzigd, bedoelt dat artikel in zijn gewijzigde vorm; wanneer het middel evenwel niet gegrond is op de latere wijziging maar op een deel van de tekst van het wetsartikel dat van kracht is gebleven, kan de wijziging geen invloed hebben op de gegrondheid van het middel en is dit middel ontvankelijk
(1)Zie Cass., 21 mei 1990, AR 8847, A.C., 1989-90, nr. 553; Cass., 18 sept. 1992, AR F.1944.N, A.C., 1991-92, nr. 622; Cass., 9 juni 1997, AR S.96.0079.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970609.1, A.C., 1997, nr. 263; Cass., 22 juni 1998, AR C.97.0355.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980622.7, A.C., 1998, nr. 328; Cass., 12 jan. 2006, AR C.04.0151.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060112.3, A.C., 2006, nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Aanwijziging van een geschonden wetsartikel - Wijziging door een latere wet - Draagwijdte - Middel niet gebaseerd op het gewijzigd tekstgedeelte - Gevolg - Ontvankelijkheid Fiche 2 De rechter kan niet ambtshalve afwijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in het K.B. van 26 oktober 2007, indien niet een van de partijen hierom verzoekt. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Basisbedrag - Ambtshalve afwijking door de rechter - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid, eerste zin Koninklijk Besluit - 26-10-2007 - Art. 3 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0270.N COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS (CREG), met zetel te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat 26-38, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen PROVINCIALE BRABANTSE ENERGIEMAATSCHAPPIJ (PBE), met zetel te 3210 Linden, Diestsesteenweg 126, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 november 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Gevat door het verhaal van de verweerster tegen de beslissing van de eiseres van 31 oktober 2006, en na in essentie te hebben vastgesteld dat de eiseres bij deze beslissing beslist heeft over de vaststelling van de bonus of malus in de zin van artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit (hierna: "het Tarievenbesluit"), en dat de bestreden beslissing, behoudens een gewijzigde becijfering van het exploitatieoverschot en hieruit voortvloeiende aanpassing van het bedrag dat wordt overgedragen naar het volgende jaar en dat in mindering komt van de kosten die via tarieven kunnen worden gerecupereerd, de beslissing van 28 september 2006 inhoudelijk bevestigt (§11), verklaart het hof van beroep, bij het bestreden arrest, het verhaal ingesteld tegen de beslissing van de eiseres gegrond, vernietigt deze beslissing, en "zegt dat het aan (de eiseres) staat om opnieuw te beslissen over de vaststelling van een bonus of malus resulterend uit de tarieven die door (de verweerster) werden toegepast tijdens het exploitatiejaar 2005 rekening houdend met hetgeen bij dit arrest over de bonus-malus regel wordt beslist" (p. 20). Het bestreden arrest baseert deze beslissing, in essentie, op de volgende overwegingen.
- "De conclusie van de eiseres in de ontwerpbeslissing luidt (...) als volgt. Beslist dat voor (de verweerster) over het exploitatiejaar 2005 een bonus wordt vastgesteld van 323.713,12 euro. Beslist dat voor (de verweerster) een exploitatieoverschot bestaat van euro 3.804.025,
- Beslist dat een bedrag van euro 3.480.312,83 (=3.804.025,95 - 323.713,12) wordt overgedragen en zal worden in mindering gebracht van de kosten die via de tarieven kunnen gerecupereerd worden in het volgende jaar. (...) Bij de bestreden beslissing van 31 oktober 2006 (...) verwerpt (de eiseres) vrijwel alle grieven van (de verweerster) en vermindert ze het eerder becijferde exploitatieoverschot enkel (...) met 5.389,04 euro. Het exploitatieoverschot wordt vastgesteld op 3.799.167,51 euro. Als gevolg hiervan wordt, in vergelijking met de ontwerpbeslissing, enkel het gedrag dat wordt overgedragen op het volgende jaar en dat in mindering komt van de kosten die via de tarieven kunnen worden gerecupereerd, verminderd tot 3.475.454,39 euro (3.799.167,51 euro - 323.713,12 euro). Voor het overige wordt de ontwerpbeslissing van 28 september 2006 inhoudelijk bevestigd". (§§9 en 11),
- De invulling van de begrippen ‘bonus' en ‘malus' houdt geen verband met de mogelijkheid van eiseres om op de exploitatierekening controle uit te voeren, die volgens het Tarievenbesluit zelf de controle op en de eventuele verwerping van geboekte uitgaven betreft. Een ‘bonus' is het positieve resultaat van de exploitatie en een ‘malus' het negatieve resultaat, beide desgevallend aangepast in functie van de controle ex post door de eiseres (§30). Volgens artikel 24 van het Tarievenbesluit wordt de bonus of malus verdeeld in twee gelijke helften. "De beloning voor het beter bereikte resultaat dan de begroting liet verwachten bestaat erin dat de helft van het voordeel hem wordt toegekend. Omgekeerd, indien het resultaat slechter uitvalt dan begroot en er geen verwerping van uitgaven door (de eiseres) volgt die met zich brengen dat het exploitatieresultaat herleid wordt tot nul, blijft de helft ten laste van de (Distributienetbeheerder) en wordt de andere helft gevoegd bij de te begroten kosten voor een volgend jaar" (§32).
- "(De eiseres) heeft het exploitatieresultaat, dat na enkele correcties werd vastgesteld op 3.799.167,51 euro, onterecht niet als bonus erkend. Ze heeft niet vastgesteld dat er buitengewone omstandigheden voorhanden waren op grond waarvan ze een andere aanrekening van de bonus kon beslissen dan bij helften (...). Aangezien de bonus 3.799.167,51 euro bedroeg, kon (de eiseres) dan ook enkel een bedrag van 1.899.583,75 euro, in mindering brengen van de tarieven die tijdens het exploitatiejaar 2007 dienden te worden toegepast" (§35). Grieven Het hof van beroep oordeelt dat de bonus gelijk is aan het verschil tussen het effectief resultaat en de gebudgetteerde winstmarge (§32). De aldus gedefinieerde bonus is volgens het bestreden arrest het exploitatieoverschot van de verweerster (§35). Het hof legt vervolgens, op basis van de becijfering van het exploitatieoverschot van de verweerster, vervat in de bestreden beslissing van eiseres, deze bonus vast op 3.799.167,51 euro (§35 en dispositief van het bestreden arrest).
(2)Echter, in haar beslissing van 31 oktober 2006 berekent de eiseres het exploitatieoverschot, dat volgens het bestreden arrest de ‘bonus' uitmaakt, niet in functie van de gebudgetteerde winstmarge. De eiseres berekent het exploitatieoverschot door het verschil te maken tussen het effectief resultaat volgend uit de toepassing van de tarieven en de winstmarge zoals zij in de loop van het jaar wordt gecorrigeerd in functie van de werkelijke waarde van het geïnvesteerde kapitaal (GIK), de werkelijke verhouding tussen eigen en vreemde vermogen, en de werkelijke parameters van vergoeding, dit is de zogenaamde ‘werkelijke' winstmarge. Eiseres berekent aldus een aangepaste billijke vergoeding. Dit blijkt uit de beslissing (B)060928-CDC-139/23 van 28 september 2006 inzake de verweerster, die na aanpassing aanleiding heeft gegeven tot de aangevochten beslissing (B)06103I-CDC-139/24 van de eiseres van 31 oktober 2006, en die "integraal deel (uitmaakt)" van de bestreden beslissing (bestreden beslissing, p. 3). De beslissing preciseert terzake (p. 17): "
- Op basis van de werkelijke GIK waarde (...), de gewijzigde verhouding eigen vermogen/totaal vermogen (...), met toepassing van de voor het exploitatiejaar 2005 vastgestelde parameters heeft (de eiseres) berekend dat de billijke vergoeding voor het exploitatiejaar 2005 6.772.941,38 euro mag bedragen. Dit is 42.528,06 euro meer dan de billijke vergoeding opgenomen in het budget en 109.654,71 euro minder dan voorzien in de rapportering van de distributienetbeheerder". Het is op die basis dat de eiseres, in de aangevochten beslissing, het bedrag van het exploitatieoverschot berekend heeft, dat het hof van beroep als ‘bonus' heeft geïdentificeerd. De berekening van de bonus door het hof van beroep is aldus tegenstrijdig met de definiëring van de bonus door het hof (van beroep). Het bestreden arrest is aldus op tegenstrijdige motieven gestoeld en is dus niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Het hof hanteert bovendien een definitie van de bonus, die onverenigbaar is met de bewoording van de beslissing van de eiseres, geciteerd supra,
- Het bestreden arrest miskent aldus de bewijskracht van de beslissing van de eiseres (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Aangevochten beslissing en motieven Na te hebben vastgesteld dat "eiseres betaling (vordert) van de ‘wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding; zonder nadere precisering" (§38), en na het verhaal van verweerster gegrond te hebben verklaard en de bestreden beslissing te hebben vernietigd (§§35-36 en dispositief), bepaalt het bestreden arrest de rechtsplegingsvergoeding van verweerster op 4.800,00 euro en veroordeelt de eiseres tot betaling ervan (§38). Deze beslissing is gegrond op de volgende overwegingen: "Inzake de begroting van de rechtsplegingsvergoeding overweegt het hof (van beroep) dat het voorliggende geschil een bijzonder specifieke materie betreft en dat de eiseres voor de indiening en behartiging van haar verhaal een beroep heeft dienen te doen op een gespecialiseerd advocaat. De vordering strekkend tot vernietiging van een beslissing van (de eiseres) inzake vaststelling van een gebruikstarief is niet in geld waardeerbaar. Rekening houdend met het geheel van de bijzonderheden die eigen zijn aan de voorliggende zaak en met het reglementair bepaalde basisbedrag en het maximum, wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op 4.800,00 euro bepaald". (§38) Grieven Artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt: "Op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden". Het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt in artikel 3 dat voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200,00 euro, het minimumbedrag 75,00 euro, en het maximumbedrag 10.000,00 euro, bedraagt. Luidens artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter slechts op verzoek van één van de partijen van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding afwijken. Nu, zoals het bestreden arrest vaststelt, verweerster in cassatie betaling vorderde "van de wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding; zonder nadere precisering", lag geen verzoek van de verweerster voor in de zin van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. Door af te wijken van het in artikel 3 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, schendt het bestreden arrest de in het middel aangehaalde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het bestreden arrest definieert het begrip "bonus" in de zin van artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit, als het "positieve resultaat van de exploitatie (...), desgevallend aangepast in functie van de controle door (de eiseres)". Het hof van beroep stelt vervolgens vast dat het exploitatieresultaat, na enkele correcties, werd vastgesteld op 3.799.167, 51 euro. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de partijen het te dezen oneens waren omtrent de wijze van berekening van het exploitatieoverschot.
- Overeenkomstig zijn definitie van het begrip bonus, oordeelt het hof van beroep dat de eiseres het vermeld bedrag onterecht niet als een bonus heeft erkend.
- Het oordeel van het bestreden arrest is aldus niet op tegenstrijdige motieven gegrond. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
- Het hof van beroep geeft verder geen uitlegging van hetgeen de eiseres heeft geoordeeld in de beslissing van 28 september 2006, onder randnummer
- Het hof van beroep miskent aldus de bewijskracht van de beslissing van de eiseres niet. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel Gronden van niet ontvankelijkheid van het middel
- De verweerster werpt op dat het middel niet ontvankelijk is aangezien artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2008 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, te dezen niet van toepassing is aangezien het bestreden arrest werd uitgesproken op 10 november
- Een middel waarin de schending wordt aangewezen van een artikel van een wet waarvan de tekst door een latere wet is gewijzigd, bedoelt dat artikel in zijn gewijzigde vorm. Het middel is te dezen evenwel niet gegrond op de wijzigingen aangebracht bij de wet van 22 december 2008 maar op dat deel van de tekst van het oude artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat van kracht is gebleven. De wijziging van vermeld artikel 1022, derde lid, kan aldus geen invloed hebben op de gegrondheid van het middel. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
- De verweerster werpt verder op dat de eiseres geen belang heeft bij het aanvoeren van het middel aangezien de bestreden beslissing ten aanzien van de eiseres minder nadelig is, dan indien het hof van beroep de juiste rechtsregel had toegepast en had geoordeeld dat de vordering in geld waardeerbaar is.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de vordering niet in geld waardeerbaar is. Deze beslissing is voor het Hof niet aangevochten. Het Hof kan derhalve de wettelijkheid van deze beslissing niet toetsen om over het belang van de eiseres te oordelen. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Middel zelf
- Artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200,00 euro, het minimum bedrag 75,00 euro en het maximum bedrag 10.000,00 euro bedraagt. Het te dezen toepasselijk artikel 1022, derde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, de rechter de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel kan verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.
- Voornoemd artikel 1022, derde lid, eerste zin, houdt met name in dat slechts van het basisbedrag, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, kan worden afgeweken, indien een van de partijen hierom verzoekt.
- De appelrechters stellen vast dat de verweerster betreffende de gedingkosten, de betaling vordert van de "wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding" zonder nadere precisering. Zij oordelen vervolgens dat de vordering te dezen niet in geld waardeerbaar is en stellen de rechtsplegingsvergoeding vast op 4.800,00 euro, rekening houdend met het geheel van de bijzonderheden die eigen zijn aan de voorliggende zaak en met het reglementair bepaalde basisbedrag.
- Door aldus te oordelen, zijn de appelrechters ambtshalve van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding afgeweken. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de rechtsplegingsvergoeding. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op de som van 466,29 euro jegens de eisende partij en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 april 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191114.15 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230623.1N.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970609.1 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980622.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060112.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121120.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211105.1F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div