id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100426.6 Rolnummer: S.08.0003.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-05-26 Raadplegingen: 534 - laatst gezien 2026-07-02 18:47 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100426.6 Fiche 1 De retroactiviteitsregel zoals bedoeld in artikel 15.1 van het I.V.B.P.R. en artikel 2, tweede lid van het Strafwetboek, heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit de nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Mildere wet - Werking in de tijd - Inzicht van de wetgever - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 4 Nu uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 december 2005 blijkt dat de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden is ingegeven door het streven naar administratieve vereenvoudiging, maar het vervallen van de verplichting een verstrekkingenregister bij te houden en van de sancties die worden opgelegd zo dat register niet wordt bijgehouden, evenwel meebrengt dat het onvolledig bijhouden van het individueel kinesitherapiedossier voortaan tot gevolg heeft dat het volledig bedrag van de verzekeringstegemoetkoming met betrekking tot de prestaties waarvoor het dossier foutief is bijgehouden, zal worden gerecupereerd, hetgeen een zwaardere sanctie is dan de administratieve geldboete opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1996, blijkt aldus dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het ten laste gelegde feit niet is gewijzigd
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN (IN SOCIALE ZAKEN) Vrije woorden: Zorgverleners - Bijhouden van een verstrekkingenregister - Inbreuk op de voorschriften - Administratieve sanctie - Afschaffing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 2005 tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 - 07-12-2005 - 39 ELI link Pub nr 2006022007 KB 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering - 14-09-1984 - Art. 7, § 9 van de bijlage - 30 ELI link Pub nr 1984022288 Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALLERLEI Vrije woorden: Zorgverleners - Bijhouden van een verstrekkingenregister - Inbreuk op de voorschriften - Administratieve sanctie - Afschaffing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 2005 tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 - 07-12-2005 - 39 ELI link Pub nr 2006022007 KB 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering - 14-09-1984 - Art. 7, § 9 van de bijlage - 30 ELI link Pub nr 1984022288 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Zorgverleners - Bijhouden van een verstrekkingenregister - Inbreuk op de voorschriften - Administratieve sanctie - Afschaffing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 2005 tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 - 07-12-2005 - 39 ELI link Pub nr 2006022007 KB 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering - 14-09-1984 - Art. 7, § 9 van de bijlage - 30 ELI link Pub nr 1984022288 Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Mildere wet - Werking in de tijd - Inzicht van de wetgever - Draagwijdte Thesaurus CAS: ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN (IN SOCIALE ZAKEN) Vrije woorden: Zorgverleners - Bijhouden van een verstrekkingenregister - Inbreuk op de voorschriften - Administratieve sanctie - Afschaffing - Gevolg Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALLERLEI Vrije woorden: Zorgverleners - Bijhouden van een verstrekkingenregister - Inbreuk op de voorschriften - Administratieve sanctie - Afschaffing - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Zorgverleners - Bijhouden van een verstrekkingenregister - Inbreuk op de voorschriften - Administratieve sanctie - Afschaffing - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. S.08.0003.N W.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVER-ZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 oktober 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel verwijt het arrest dat het de eiser nog een administratieve geldboete oplegt wegens het niet bijhouden van een verstrekkingsregister, niettegenstaande de verplichting tot het bijhouden van dergelijk register en de daarop gestelde administratieve sanctie, bij wet van 7 december 2005 werd afgeschaft en thans geen "strafbare" inbreuk meer uitmaakt.
- De door de eiser ingeroepen retroactiviteitsregel, zoals bedoeld in artikel 15.1 van het IVBPR en artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd.
- Artikel 7, §9, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging of uitkeringen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 december 2002, bepaalt de gegevens die het individueel kinesitherapiedossier moet bevatten. Het laatste lid van voormeld artikel 7, §9, bepaalt dat er geen honorarium verschuldigd is voor de verstrekkingen waarvoor het dossier onvolledig is bijgehouden. Die bepaling treedt in werking op de datum van de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden, waarin is voorzien in het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften.
- Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 december 2005 tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van haar uitvoeringsbesluit van 10 november 2006, blijkt dat de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden is ingegeven door het streven naar administratieve vereenvoudiging. Die verplichting werd een overbodige en overdreven administratieve belasting van de kinesitherapeuten geacht, gelet op het feit dat het individueel kinesitherapiedossier bijna dezelfde gegevens moet bevatten en die gegevens volstaan om de nodig geachte controle op de prestaties verder te kunnen verrichten. Daarbij werd onderstreept dat het vervallen van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden en van de sancties die worden opgelegd zo dat register niet wordt bijgehouden, meebrengt dat het onvolledig bijhouden van het individueel kinesitherapiedossier voortaan tot gevolg heeft dat het volledige bedrag van de verzekeringstegemoetkoming met betrekking tot de prestaties waarvoor het dossier foutief is bijgehouden, zal worden gerecupereerd, hetgeen een zwaardere sanctie is dan de administratieve geldboete opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1996, die slechts 25 pct. van de verzekeringstegemoetkoming bedraagt. Aldus blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het aan de eiser ten laste gelegde feit, niet is gewijzigd.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet zoals neergelegd in artikel 15.1 van het IVBPR, evenals in artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, miskent door de administratieve sanctie wegens het niet-bijhouden van een verstrekkingenregister nog aan de eiser op te leggen, kan het niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest het begrip "straf" miskent, evenals de strafrechtelijke aard van de administratieve geldboete bepaald in artikel 168, zesde lid, van de ZIV-wet en artikel 6 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1996, door te weigeren die administratieve geldboete te beschouwen als een strafsanctie waarop de in het EVRM, IVBPR en het Strafwetboek vervatte waarborgen toepasselijk zijn, kan het, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
- De eiser verzoekt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen voor zover het zou oordelen dat de in randnummer 6 vermelde grief faalt naar recht.
- Gelet op het gegeven antwoord, dient het Hof de voorgestelde vraag niet te stellen. Tweede middel
- De appelrechters oordelen dat het bijhouden van een verstrekkingenregister een persoonlijke verplichting van de eiser is en niet rechtstreeks doorgeschoven kan worden naar de bvba, waarvan hij de zelfstandige zaakvoerder is. De argumenten van de eiser zijn desbetreffend niet ter zake dienend, de bvba is geen partij in het geding en werd niet gevorderd in vrijwaring en tussenkomst.
- Anders dan het middel aanvoert, verwerpen en beantwoorden de appelrechters met deze redenen de aanvoeringen van de eiser betreffende een vermenging tussen de verstrekkingen door hemzelf, dan wel door derden verricht. In zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, mist het middel feitelijke grondslag.
- Het middel gaat verder ervan uit dat de administratieve geldboete werd berekend op het geheel van de verstrekkingen verricht door hemzelf en derden. Het middel noopt het Hof tot een onderzoek van feiten waartoe het niet bevoegd is. Het is in zoverre niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel gaat er van uit dat de appelrechters de goede trouw als wettelijke voorwaarde beschouwen voor de verlening van uitstel. De appelrechters oordelen dit niet, maar oordelen in feite of de eiser van uitstel kan genieten. Het middel dat op een onjuiste lezing berust, mist feitelijke grondslag.
- Voor het overige gaat het middel ervan uit dat de appelrechters de mogelijkheid van uitstel afhankelijk stellen van de goede trouw. Zoals volgt uit het antwoord in randnummer 12, mist het middel in zoverre feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 153,29 euro jegens de eisende partij en op de som van 140,79 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 26 april 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100426.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100426.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div