id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.4 Rolnummer: P.10.0103.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 90ter, § 1, eerste en tweede lid, 90quater, § 1, tweede lid, 5° en § 3, eerste en tweede lid en 90sexies, laatste lid, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de officier van gerechtelijke politie die door de onderzoeksrechter is aangewezen voor de uitvoering van de bewakingsmaatregel "direct afluisteren" en ook belast is met de uitvoering van het in artikel 90ter, § 1, tweede lid, van hetzelfde wetboek bedoelde bevel tot het binnendringen in een woning of een private plaats teneinde die bewakingsmaatregel mogelijk te maken, de volledige verantwoordelijkheid draagt, onder het toezicht van de onderzoeksrechter, voor de regelmatige tenuitvoerlegging van het bedoelde bevel; de agenten van gerechtelijke politie die de aangewezen officier eventueel bijstaan bij de uitvoering van het in artikel 90ter, § 1, tweede lid, bedoelde bevel, wier namen vooraf aan de onderzoeksrechter zijn medegedeeld, vallen geheel onder de verantwoordelijkheid van de aangewezen officier, zodat de vermelding van de namen van deze agenten in het gerechtelijk dossier, niet dienstig is voor de beoordeling van de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging van dit bevel. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Telefoontap Vrije woorden: Bewakingsmaatregel "direct afluisteren" - Bevel om in een woning of private plaats binnen te dringen teneinde het direct afluisteren mogelijk te maken - Verplichte vermelding van de naam van de officier van gerechtelijke politie belast met de uitvoering - Bijstand van agenten van gerechtelijke politie - Veraantwoordelijkheid van de aangewezen officier - Toezicht van de onderzoeksrechter - Niet-vermelding van de namen van de agenten die bijstand verlenen aan de uitvoering - Relevantie voor de beoordeling van de regelmatigheid van de bewakingsmaatregel Fiche 2 Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 90ter, § 1, eerste en tweede lid, 90quater, § 1, tweede lid, 5° en § 3, eerste en tweede lid en 90sexies, laatste lid, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de beklaagde en de feitenrechter de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging van het in artikel 90ter, § 1, tweede lid, van hetzelfde wetboek bedoelde bevel tot het binnendringen in een woning of een private plaats teneinde de bewakingsmaatregel "direct afluisteren" mogelijk te maken, kunnen controleren aan de hand van de verslagen van de aangewezen officier van gerechtelijke politie die bij het dossier zijn gevoegd; het niet vermelden in het gerechtelijk dossier van de namen van de agenten van gerechtelijke politie die de door de onderzoeksrechter aangewezen officier van gerechtelijke politie eventueel bijstaan bij de uitvoering van dit bevel belet deze controle niet. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Telefoontap Vrije woorden: Bewakingsmaatregel "direct afluisteren" - Bevel om in een woning of private plaats binnen te dringen teneinde het direct afluisteren mogelijk te maken - Beschikking van de onderzoeksrechter - Officier van gerechtelijke politie belast met de uitvoering - Voeging aan het gerechtelijk dossier van de verslagen van de aangewezen officier - Beklaagde en feitenrechter - Mogelijkheid tot controle van de regelmatigheid van de uitvoering - Niet-vermelding van de namen van de agenten die bijstand verlenen aan de uitvoering Tekst van de beslissing Nr. P.10.0103.N I M. I beklaagde, eiser. II F. G. V. E beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Liliane Verjauw, advocaat bij de balie te Antwerpen. III
- M. H. G. B beklaagde, eiser,
- R. J. M. T beklaagde, eiser. IV W. H. P. B. beklaagde, eiser. V T. B. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Decaigny, advocaat bij de balie te Antwerpen. VI N. P. P beklaagde, eiser. VII R. I. V. E beklaagde, eiser. VIII Y. H. M beklaagde, eiseres. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 december
- Dat van de eiser V is tevens gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 mei
- De eiser II voert in een memorie grieven aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De overige eisers voeren geen middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de eiser VII vrijspreekt van de telastlegging I. In zoverre zijn cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memories
- Krachtens artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven, geen memories of stukken meer indienen, behalve akten van afstand of hervatting van het geding of akten waaruit blijkt dat de voorziening doelloos is geworden.
- De zaak is ingeschreven op de algemene rol op 18 januari
- De memorie van de eiser II die ter griffie van het Hof is ontvangen op 19 maart 2010, is laattijdig en dus niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser V Eerste onderdeel
- Het onderdeel van het middel dat gericht is tegen het arrest van 14 mei 2009, voert schending aan van artikel 26, § 2 tot § 4, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: de appelrechters die de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen weigeren te stellen op grond van een eigen inhoudelijke beoordeling van de ingeroepen schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet, eigenen zich de rechtsmacht toe van het Grondwettelijk Hof.
- Krachtens artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het rechtscollege waarvoor een vraag wordt opgeworpen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet gehouden het Grondwettelijk Hof te verzoeken op deze vraag uitspraak te doen wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek voorwerp.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser V de voor de appelrechters aangevoerde onregelmatigheid met betrekking tot de bewijsverkrijging en niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, reeds heeft aangevoerd voor de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging; - de kamer van inbeschuldigingstelling, bij arrest van 29 maart 2007, het hoger beroep dat de eiser V in toepassing van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering had ingesteld tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, ongegrond heeft verklaard; - het cassatieberoep van de eiser V tegen voormeld arrest van 29 maart 2007 werd verworpen bij het arrest van het Hof van 25 september 2007; - het Hof bij voormeld arrest van 25 september 2007 heeft geoordeeld dat gelet op hetgeen het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 heeft beslist, er geen aanleiding is om de prejudiciële vragen te stellen die de eiser V voor de appelrechters opnieuw heeft opgeworpen.
- Het arrest van 14 mei 2009 maakt zich de redenen eigen van het voormelde arrest van het Hof van 25 september 2007 en oordeelt vervolgens dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, hierbij onder meer verwijzend naar het arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 waarin het Grondwettelijk Hof de procedure inzake het vertrouwelijk dossier in overeenstemming heeft bevonden met artikel 6 EVRM, dat er geen aanleiding is om de door de eiser V opgeworpen prejudiciële vragen te stellen. Het arrest stoelt aldus zijn beslissing de opgeworpen prejudiciële vragen niet te stellen op de in artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalde grond. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM, de artikelen 14.1 en 14.3.a IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 26, § 2 tot § 4, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: in zoverre het arrest van 14 mei 2009 oordeelt dat de artikelen 47sexies, 47septies, 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, klaarblijkelijk niet schenden of dat de voorgelegde vragen niet onontbeerlijk zijn voor de uitspraak, biedt het onafdoende antwoord op die vragen.
- Het onderdeel gaat geheel ervan uit dat het arrest van 14 mei 2009 de beslissing de opgeworpen prejudiciële vragen niet te stellen, stoelt op de grond bepaald in artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, krachtens dewelke het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor cassatieberoep, daartoe niet gehouden is wanneer de wet een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, is de beslissing de opgeworpen prejudiciële vragen niet te stellen gestoeld op de grond bepaald in artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Prejudiciële vragen
- In het dictum van zijn memorie verzoekt de eiser V het Hof nog het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vragen te stellen: "Schenden de artikelen 47sexies, 47septies en 235ter Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 EVRM, voor zover bepaalde stukken van het onderzoek, met name de stukken die worden gevoegd aan het vertrouwelijk dossier, aan tegenspraak wordt onttrokken louter op basis van de wettekst en niet krachtens een rechterlijke beslissing rekening houdende met de concrete omstandigheden van de individuele zaak? Schenden de artikelen 47sexies, 47septies, 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenshang met artikel 6 EVRM, doordat tijdens de behandeling ten gronde geen mogelijkheid bestaat tot bijkomende controle of kennisname van de elementen van het vertrouwelijk dossier op initiatief van enige partij, behoudens het openbaar ministerie, die kennis heeft van de inhoud van het vertrouwelijk dossier?"
- Zoals volgt uit het antwoord op het eerste en tweede onderdeel van het middel, zijn die vragen niet dienstig ter beoordeling van de tegen het arrest van 14 mei 2009 aangevoerde wetsschendingen. Het Hof dient deze vragen niet te stellen. Tweede middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM, de artikelen 14.1 en 14.3.a IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: het arrest van 10 december 2009 oordeelt onterecht en met tegenstrijdige motieven dat de omschrijving van de telastlegging E.III duidelijk is en de eiser V in staat is zich met kennis van zaken te verdedigen.
- De eiser werd wegens de telastleggingen A.II en E.III tot één straf veroordeeld, namelijk tot een hoofdgevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van 3.000 euro. Deze straf is naar recht verantwoord door het bewezen verklaren van de telastlegging A.II (drughandel als daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging). Het middel dat enkel betrekking heeft op de telastlegging E.III, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM, de artikelen 14.1 en 14.3.a IVBPR en de artikelen 90ter en 90quater en volgende Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: anders dan het arrest van 10 december 2009 oordeelt, bevat het strafdossier geen schriftelijke weerslag van het betreden van de privéplaats teneinde de door de onderzoeksrechter bevolen maatregel "direct afluisteren" te kunnen uitvoeren, zodat het niet mogelijk is de regelmatigheid van deze proceshandeling te controleren.
- Het middel komt geheel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiser V
- Het middel dat gericht is tegen het arrest van 10 december 2009, voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM, de artikelen 14.1 en 14.3.a IVBPR, de artikelen 90ter en 90quater en volgende Wetboek van Strafvordering en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: de wettelijke regeling betreffende het direct afluisteren die de beklaagde en de feitenrechter niet toelaat de regelmatigheid te controleren van de uitvoering van het in artikel 90ter, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde bevel van de onderzoeksrechter, is discriminatoir zodat de eiser niet rechtsgeldig kan veroordeeld worden op grond van bewijselementen verkregen door de toepassing van dergelijke onderzoeksmaatregel. De eiser V verzoekt het Hof het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vragen te stellen: "Schendt artikel 90quater, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, doordat in artikel 90quater, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt voorzien in het verbod de namen van de agenten van gerechtelijke politie belast met het binnendringen in een woonst of private plaats teneinde het mogelijk te maken om privé-communicatie of -telecommunicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, te vermelden in het dossier, terwijl met betrekking tot andere onderzoeksmaatregelen, zoals bijvoorbeeld een inkijkoperatie in een woning of private plaats, precieze melding dient te worden gemaakt van alle relevante gegevens van de tenuitvoerlegging? Schendt artikel 90quater, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, doordat in artikel 90quater, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt voorzien in het verbod de namen van de agenten van gerechtelijke politie belast met het binnendringen in een woonst op private plaats teneinde het mogelijk te maken om privé-communicatie of -telecommunicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, te vermelden in het strafdossier, terwijl met betrekking tot de bijzondere opsporingsmethoden stelselmatige observatie en infiltratie melding dient te worden gemaakt van alle relevante gegevens, waarbij uitzonderlijk de machtigingen, beslissingen tot verlenging, aanvulling en wijziging van de machtigingen, de vertrouwelijke, volledige en waarheidsgetrouwe verslagen en de beslissing houdende toelating bepaalde misdrijven te begaan in de uitoefening van de opdracht worden opgenomen in een vertrouwelijk dossier dat echter op zijn beurt het voorwerp uitmaakt van een compenserende procedure ex artikel 235ter en 235quater van het Wetboek van Strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep?"
- Artikel 90ter, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De onderzoeksrechter kan in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, privé-communicatie of -telecommunicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit waarvoor hij geadieerd is een strafbaar feit is, bedoeld in een van de bepalingen opgesomd in § 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen. Teneinde het mogelijk te maken om privé-communicatie of -telecommunicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, kan de onderzoeksrechter bevelen om, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, in een woning of in een private plaats binnen te dringen." Krachtens artikel 90quater, § 1, tweede lid, 5°, Wetboek van Strafvordering moet de met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel op grond van artikel 90ter, op straffe van nietigheid, de naam en de hoedanigheid vermelden van de officier van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel. Krachtens artikel 90quater, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering mag de onderzoeksrechter voor de tenuitvoerlegging van zijn beschikking alleen officieren van gerechtelijke politie aanwijzen, die zich echter kunnen laten bijstaan door agenten van gerechtelijke politie wier namen vooraf aan de onderzoeksrechter worden meegedeeld. De namen van de agenten van gerechtelijke politie belast met de uitvoering van het bevel bedoeld in artikel 90ter, § 1, tweede lid, worden niet vermeld in het gerechtelijk dossier. Artikel 90quater, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de aangewezen officieren van gerechtelijke politie ten minste om de vijf dagen schriftelijk verslag uitbrengen aan de onderzoeksrechter over de tenuitvoerlegging van de beschikking. Krachtens artikel 90sexies, laatste lid, Wetboek van Strafvordering worden de beschikkingen van de onderzoeksrechter, de verslagen van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 90quater, § 3, en de processen-verbaal die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregel, uiterlijk na het beëindigen van de maatregel, bij het dossier gevoegd.
- Uit het geheel van die bepalingen volgt dat de officier van gerechtelijke politie die door de onderzoeksrechter is aangewezen voor de uitvoering van de bewakingsmaatregel "direct afluisteren" en ook belast is met de uitvoering van het in artikel 90ter, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde bevel tot het binnendringen in een woning of een privéplaats teneinde die bewakingsmaatregel mogelijk te maken, de volledige verantwoordelijkheid draagt, onder het toezicht van de onderzoeksrechter, voor de regelmatige tenuitvoerlegging van het bedoelde bevel. De agenten van gerechtelijke politie die de aangewezen officier daarbij eventueel bijstaan en wier namen vooraf aan de onderzoeksrechter zijn meegedeeld, vallen geheel onder de verantwoordelijkheid van de aangewezen officier. De vermelding van de namen van de agenten die de aangewezen officier van gerechtelijke politie bijstaan bij de uitvoering van het in voormeld artikel 90ter, § 1, tweede lid, bedoelde bevel is bijgevolg niet dienstig voor de beoordeling van de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging van dit bevel. Uit de voormelde bepalingen volgt verder dat de beklaagde en de feitenrechter de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging van het bedoelde bevel kunnen controleren aan de hand van de verslagen van de aangewezen officier van gerechtelijke politie, die bij het dossier zijn gevoegd.
- Het middel dat geheel ervan uitgaat dat het niet vermelden in het gerechtelijk dossier van de namen van de agenten van gerechtelijke politie die de door de onderzoeksrechter aangewezen officier van gerechtelijke politie eventueel bijstaan bij de uitvoering van het in artikel 90ter, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde bevel tot binnendringen in een woning of in een privéplaats, de beklaagde en de feitenrechter belet de regelmatigheid te controleren van de tenuitvoerlegging van dit bevel, faalt naar recht.
- De tot staving van het middel opgeworpen prejudiciële vragen gaan zoals het middel zelf uit van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het Hof niet is gehouden ze aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 444,85 euro, waarvan de eiser V 110,46 euro is verschuldigd en al de andere eisers elk 47,77 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 27 april 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div