← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 Rolnummer: P.10.0578.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 725 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat in een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, worden opgenomen en artikel 47septies, §2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat de officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47sexties, § 2, 6°, proces-verbaal opstelt van de verschillende fasen van uitvoering van de observatie, maar hierin geen elementen vermeldt die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengen, volgt dat de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, Wetboek van Strafvordering in het proces-verbaal moeten worden opgenomen, tenzij zij vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 47septies, § 2, voormeld

(1).
(1)Cass., 2 maart 2010, AR P.10.0177.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3, A.C., 2010, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Machtiging tot observatie - Proces-verbaal van uitvoering van de observatie - Wettelijk verplichte vermeldingen - Beperking Fiche 2 De periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden, kan in bepaalde omstandigheden een inlichting zijn die van die aard is dat haar mededeling de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengt; in dat geval, waarover de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt, is dat gegeven vertrouwelijk zodat het, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, in het in dat artikel bedoelde proces-verbaal niet moet worden vermeld
(1).
(1)Cass., 2 maart 2010, AR P.10.0177.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3, A.C., 2010, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Machtiging tot observatie - Proces-verbaal van uitvoering van de observatie - Wettelijk verplichte vermeldingen - Vermelding van de periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden - Inlichting die de afscherming van de opsporingsmethode of de veiligheid van de uitvoerders in het gedrang kan brengen Fiches 3 - 4 Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling enkel nagaat of de bij het strafdossier gevoegde processen-verbaal betreffende de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode de vereiste vermeldingen bevatten en of deze overeenkomen met de gegevens van het vertrouwelijke dossier alsmede of het vertrouwelijke dossier de vereiste gegevens bevat, overschrijdt de kamer van inbeschuldigingstelling haar bevoegdheden niet, maar oefent zij haar wettelijke controlebevoegdheid uit zoals bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Cass., 9 juni 2009, AR P.09.0783.N, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling - Uitoefening van de wettelijke controlebevoegdheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle van de regelmatigheid - Uitoefening van de wettelijke controlebevoegdheid Fiches 5 - 7 Het feit dat de juiste periode tijdens dewelke de machtiging tot het uitvoeren van de observatie verleend is, in bepaalde gevallen vertrouwelijk is als bedoeld in artikel 47septies, § 2, Wetboek van Strafvordering en daarom niet in het proces-verbaal van uitvoering is vermeld en bijgevolg niet aan de inverdenkinggestelde ter kennis is gebracht, levert geen schending op van artikel 6 E.V.R.M.; dit is voor de inverdenkinggestelde of de beklaagde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging, die evenwel verantwoord is door de noodzaak de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen alsmede de veiligheid van de uitvoerders te vrijwaren en hun identiteit af te schermen en die wordt gecompenseerd door het feit dat de regelmatigheid van uitgevoerde opsporingsmethoden getoetst wordt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, hier de kamer van inbeschuldigingstelling, die onaantastbaar onderzoekt of de observatie werd uitgevoerd binnen het tijdvak bepaald bij de verleende machtiging en dienaangaande de nodige authentieke vaststellingen doet, alsmede door het feit dat de inverdenkinggestelde of de beklaagde in de latere stadia van de rechtspleging op basis van het open dossier al zijn rechtsmiddelen tegen de aangewende opsporingsmethoden zal kunnen aanwenden
(1).
(1)Zie Cass., 23 aug. 2005, AR P.05.0805.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6, A.C., 2005, nr. 399, met concl. adv.-gen. Vandermeersch; Cass., 24 jan. 2006, AR P.06.0082.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.5, A.C., 2006, nr. 52; Cass., 25 sept. 2007, AR P.07.0677.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.3, A.C., 2007, nr. 433; Cass., 15 dec. 2009, AR P.09.1681.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12, A.C., 2009, nr. ...; Cass., 2 maart 2010, AR P.10.0177.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3, A.C., 2010, nr. ....; Zie ook Arbitragehof, arrest nr. 202/2004 van 21 dec. 2004, B.28 en B.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Proces-verbaal van uitvoering van de observatie - Niet-vermelding van de precieze periode van de machtiging Recht van verdediging - Beperking Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Artikel 6.3 E.V.R.M. - Beperking Fiches 8 - 10 Gelet op het geheim karakter van de gegevens vervat in het vertrouwelijke dossier, heeft de wetgever middels artikel 235ter Wetboek van Strafvordering aan de kamer van inbeschuldigingstelling de controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie toevertrouwd, waarbij dit onderzoeksgerecht onaantastbaar en authentiek vaststelt dat de gegevens van het proces-verbaal van uitvoering overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijk dossier, onder meer met de verleende machtiging; die opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling vergt een feitenonderzoek, aangezien zij aan de hand van de feitelijke gegevens van de stukken van het open dossier moet nagaan of deze overeenstemmen met deze van het vertrouwelijke dossier; het onderzoek van dergelijke feitelijke gegevens door het Hof van Cassatie is krachtens artikel 147, tweede lid, Grondwet uitgesloten, zodat het Hof onbevoegd is een betwisting over het onaantastbaar oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over die gegevens te onderzoeken en hieruit volgt dat het feit dat het arrest onaantastbaar in feite oordeelt dat bepaalde gegevens van de verleende machtiging vertrouwelijk zijn en niet in het proces-verbaal van uitvoering moeten worden vermeld, de wettelijke controlebevoegdheid van het Hof niet aantast. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de gegevens van het proves-verbaal van uitvoering en van het vertrouwelijk dossier - Aard Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle van de regelmatigheid - Onderzoek van de gegevens van het proves-verbaal van uitvoering en van het vertrouwelijk dossier - Aard Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle van de regelmatigheid - Onderzoek van de gegevens van het proves-verbaal van uitvoering en van het vertrouwelijk dossier - Aard Fiche 11 Artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, dat in algemene woorden is opgesteld, beoogt alle wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle van de bijzondere opsporingsmethoden en bijgevolg eveneens de omstandigheid dat de controle niet heeft plaatsgevonden vóór de verwijzing van de beklaagde naar de correctionele rechtbank of zijn dagvaarding voor die rechtbank. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Wettigheidscontrole Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Controle van de regelmatigheid - Artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering - Wettigheidsincident Tekst van de beslissing Nr. P.10.0578.N I. J. M. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recolettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest. II. F. S. inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recolettenlei 39-40, waar de eiseres woonplaats kiest. III I. B inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 maart
  2. De eisers I en II voeren in eenzelfde memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest gehecht is, een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eisers I en II Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het volstaat dat het proces-verbaal van uitvoering verwijst naar de vermelding bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 5°, van dat wetboek maar deze niet uitdrukkelijk opneemt; artikel 47septies, § 2, derde lid, voornoemd vereist integendeel dat het proces-verbaal van uitvoering van de observatie die gegevens opneemt.
  4. Het arrest oordeelt niet dat het volstaat dat het proces-verbaal verwijst naar de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering. Het arrest (p.16 tot 18) oordeelt dat door enkel de periode in het algemeen en niet de aanvangsdatum te vermelden van de machtiging tot observatie, het recht van verdediging niet miskend noch geschaad is en dat het gelet op de omstandigheden eigen aan de zaak die het vermeldt, verder volstaat te verwijzen naar de verleende machtiging. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 47sexies, § 3, en 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het proces-verbaal van uitvoering alle vermeldingen bevat die het moet bevatten; artikel 47sexies, § 3, 5°, vereist dat het proces-verbaal van uitvoering de periode, dit is het tijdvak of het tijdperk, tijdens dewelke de observatie kan worden uitgevoerd, vermeldt.
  6. Artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2° 3° en 5°, worden opgenomen. Daarentegen bepaalt artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat de officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 6°, proces-verbaal opstelt van de verschillende fasen van uitvoering van de observatie, maar hierin geen elementen vermeldt die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengen.
  7. Uit deze bepalingen volgt dat de vermeldingen in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5° Wetboek van Strafvordering in het proces-verbaal moeten worden opgenomen, tenzij zij vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 47septies, § 2, voormeld.
  8. De periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden, kan in bepaalde omstandigheden een inlichting zijn die van die aard is dat haar mededeling de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengt. In dat geval, waarover de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt, is dat gegeven vertrouwelijk zodat het, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, in het in dat artikel bedoelde proces-verbaal niet moet worden vermeld.
  9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat dit gegeven in alle gevallen in het proces-verbaal moet worden vermeld, faalt naar recht. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 47sexies, § 3, en 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat er identiteit bestaat tussen de vermeldingen van het proces-verbaal bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 5°, en de schriftelijke machtiging tot observatie; aldus miskent het arrest de bewijskracht van die stukken.
  11. Het arrest oordeelt niet dat de machtiging en de verlengingen ervan vermelden dat "de observaties werden uitgevoerd binnen de geldende periode van de verleende machtiging". In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest.
  12. Verder geeft het arrest geen uitlegging van de machtiging en kan het dus de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  13. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM en artikel 47septies, § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vermeldingen in het proces-verbaal dat de uitvoering plaatsvond binnen de geldende periode van de verleende machtiging naar de letter van de wet misschien gebrekkig is maar volledig beantwoordt aan de inhoudelijke bedoeling van de wet, namelijk dat gehandeld wordt binnen de termen van de verleende machtiging; de rechtsonderhorige die door een observatie het voorwerp heeft uitgemaakt van een inmenging in zijn privéleven, heeft wettelijk het recht om in kennis te worden gesteld van de gegevens vermeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2° 3° en 5°, Wetboek van Strafvordering en aldus de wettigheid van deze inmenging na te gaan.
  15. Uit het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel blijkt dat de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, Wetboek van Strafvordering enkel in het proces-verbaal worden opgenomen op voorwaarde dat zij niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 47septies, § 2, voormeld. Het middel dat geheel uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 47septies, § 2, derde lid, en 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het de taak is van de kamer van inbeschuldigingstelling na te gaan of de uitvoering van de observatie beantwoordt aan de wettelijke bepalingen die de observatie in uitzonderlijke omstandigheden toestaan en in overeenstemming is met de termen van de verleende machtiging; de opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling is ertoe beperkt na te gaan of met betrekking tot het vertrouwelijke dossier de gegevens bepaald in de artikelen 47sexies tot 47novies Wetboek van Strafvordering werden nageleefd en of de stukken gevoegd aan het open dossier de vereiste vermeldingen bevatten alsmede of deze overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijke dossier.
  17. Het arrest oordeelt dat: - de onderzoeksrechter de wettelijk vereiste machtigingen heeft verleend en dat daartoe aan alle wettelijke voorwaarden overeenkomstig artikel 47sexies, § 2, Wetboek van Strafvordering is voldaan; - de schriftelijke machtiging in het vertrouwelijke dossier, naast de ernstige aanwijzingen van schuld en de gronden van proportionaliteit en subsidiariteit, ook de exacte periode naar data binnen dewelke de observatie kan of mag geschieden, op wie en onder welke voorwaarden, vermeldt; - de toegestane periode geenszins de maximum toegelaten periode van een maand overschrijdt en de tenuitvoerlegging geschiedde binnen de door de onderzoeksrechter toegestane periode; - het proces-verbaal van uitvoering van de observatie, rekening houdende met hetgeen overeenkomstig artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering rechtmatig dient te worden afgeschermd, de wettelijk vereiste vermeldingen bevat.
  18. Op grond van die redenen gaat het arrest enkel na of de bij het strafdossier gevoegde processen-verbaal betreffende de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode de vereiste vermeldingen bevatten en of deze overeenkomen met de gegevens van het vertrouwelijke dossier alsmede of het vertrouwelijke dossier de vereiste gegevens bevat. Aldus overschrijdt de kamer van inbeschuldigingstelling haar bevoegdheden niet maar oefent zij haar wettelijke controlebevoegdheid uit zoals bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en van de artikelen 47septies, § 2, derde lid, en 235ter, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het feit dat de eisers geen kennis hebben van de juiste periode tijdens dewelke de observatie kon worden uitgevoerd, hun recht van verdediging niet miskent; de kennis van die periode is noodzakelijk om de eisers toe te laten voor de feitenrechter te betwisten dat de observatie is geschied binnen de toegestane periodes.
  20. Het feit dat de juiste periode tijdens dewelke de machtiging tot het uitvoeren van de observatie verleend is, in bepaalde gevallen vertrouwelijk is als bedoeld in artikel 47septies, § 2, Wetboek van Strafvordering en daarom niet in het proces-verbaal van uitvoering is vermeld en bijgevolg niet aan de inverdenkinggestelde ter kennis is gebracht, levert geen schending op van artikel 6 EVRM. Dit is voor de inverdenkinggestelde of de beklaagde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging. Die beperking is evenwel verantwoord door de noodzaak de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen alsmede de veiligheid van de uitvoerders te vrijwaren en hun identiteit af te schermen.
  21. Deze beperking van het recht op tegenspraak blijft over de hele duur van het proces uitzonderlijk en wordt gecompenseerd door het feit dat de regelmatigheid van uitgevoerde opsporingsmethoden getoetst wordt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, hier de kamer van inbeschuldigingstelling die onaantastbaar onderzoekt of de observatie werd uitgevoerd binnen het tijdvak bepaald bij de verleende machtiging en dienaangaande de nodige authentieke vaststellingen doet, alsmede door het feit dat de inverdenkinggestelde of de beklaagde in de latere stadia van de rechtspleging op basis van het open dossier al zijn rechtsmiddelen tegen de aangewende opsporingsmethoden zal kunnen aanwenden. Hierdoor wordt het recht van verdediging en het recht op privéleven van de inverdenkinggestelde of de beklaagde niet aangetast. Het onderdeel faalt naar recht. Vierde middel
  22. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet en artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt onterecht dat de artikelen 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering niet bepalen dat het proces-verbaal van uitvoering bedoeld in artikel 47septies, § 2, derde lid, in elk geval de exacte periode binnen dewelke de observatie kan worden uitgevoerd, dient te vermelden en dat dergelijke vermelding geheel of gedeeltelijk hetgeen het vertrouwelijke dossier wetmatig dient af te schermen, in het gedrang kan brengen en aldus het vertrouwelijke karakter van de machtiging kan miskennnen. Eerste onderdeel
  23. Het onderdeel voert aan dat met het oordeel dat de periode tijdens dewelke de observatie kan plaatsvinden vertrouwelijk is, de kamer van inbeschuldigingstelling het Hof in de onmogelijkheid stelt zijn wettelijke controle uit te oefenen; hierdoor zijn het recht van verdediging, het recht op de toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk en nuttig rechtsmiddel van de eisers miskend. De eisers verzoeken het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 235ter, § 3 en § 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en [11] Grondwet, zowel op zichzelf als in [samenhang gelezen] met artikel 13 Grondwet en de artikelen 6 en 13 EVRM, doordat ingevolge deze wetsbepaling het Hof van Cassatie slechts een beperkt cassatietoezicht kan uitoefenen op de arresten betreffende de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, aangezien het vertrouwelijke dossier niet door de magistraten van het Hof van Cassatie mag worden ingezien, terwijl het Hof van Cassatie tegen arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering wel op basis van het volledige dossier zijn toezicht kan uitoefenen?"
  24. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel en op het tweede onderdeel van het derde middel, levert het feit dat de juiste periode tijdens dewelke de machtiging tot het uitvoeren van de observatie verleend is, in bepaalde gevallen niet in het proces-verbaal van uitvoering is vermeld en bijgevolg niet aan de inverdenkinggestelde of de bekalagde ter kennis is gebracht, geen schending op van artikel 6 EVRM.
  25. Gelet op het geheime karakter van de gegevens vervat in het vertrouwelijke dossier, heeft de wetgever middels artikel 235ter Wetboek van Strafvordering aan de kamer van inbeschuldigingstelling de controle over de bijzondere opsporingsmethode observatie en infiltratie toevertrouwd. Met die controle stelt de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar en authentiek vast dat de gegevens van het proces-verbaal van uitvoering overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijke dossier, onder meer met de verleende machtiging. Die opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling vergt een feitenonderzoek. De kamer van inbeschuldigingstelling moet immers aan de hand van de feitelijke gegevens van de stukken van het open dossier nagaan of deze overeenstemmen met deze van het vertrouwelijke dossier. Het onderzoek van dergelijke feitelijke gegevens door het Hof van Cassatie is krachtens artikel 147, tweede lid, Grondwet uitgesloten. Het Hof is bijgevolg onbevoegd een betwisting over het onaantastbare oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over die gegevens te onderzoeken. Dit heeft voor gevolg dat de eisers hoe dan ook voor het Hof geen tegenspraak kunnen voeren over feitelijke gegevens die zij aanvechten en die het Hof niet kan onderzoeken. De toegang tot het Hof van Cassatie en de daadwerkelijkheid van het rechtsmiddel dat het uitmaakt, zijn bepaald door de opdracht van het Hof zoals door de Grondwet en de wet omschreven. Hieruit volgt dat het feit dat het arrest onaantastbaar in feite oordeelt dat bepaalde gegevens van de verleende machtiging vertrouwelijk zijn en niet in het proces-verbaal van uitvoering moeten vermeld worden, de wettelijke controlebevoegdheid van het Hof niet aantast. Het onderdeel faalt naar recht.
  26. De prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting en wordt bijgevolg niet gesteld. Tweede onderdeel
  27. Het onderdeel voert aan dat de beslissing van het arrest een niet gerechtvaardigde discriminatie doet ontstaan tussen twee categorieën rechtsonderhorigen; wanneer de periode tijdens dewelke de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie kunnen worden uitgevoerd, vermeld is in het proces-verbaal van uitvoering, kan de inverdenkinggestelde of de beklaagde voor het Hof de regelmatigheid van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling voor het Hof betwisten en kan het Hof zijn controle ambtshalve uitvoeren, terwijl dit niet mogelijk is wanneer die periode wegens het vertrouwelijke karakter ervan niet is vermeld; in dit laatste geval heeft de inverdenkinggestelde voor het Hof geen effectief rechtsmiddel. Ondergeschikt verzoeken de eisers de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 235ter, § 6, [in samenhang gelezen ]met § 3, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, zowel op zichzelf als in [samenhang gelezen]met artikel 13 Grondwet en de artikelen 6 en 13 EVRM, doordat ingevolge deze wetsbepaling de rechtsonderhorige die het voorwerp heeft uitgemaakt van een bijzondere opsporingsmethode van observatie en waarbij het proces-verbaal opgesteld in toepassing van artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering melding maakt van de periode tijdens dewelke de observatie kan worden uitgeoefend (artikel 47sexies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering), de wettigheid van de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering hieromtrent kan aanvechten voor het Hof van Cassatie en dit Hof ambtshalve onderzoek kan verrichten naar de besluitvorming van de kamer van inbeschuldigingstelling met betrekking tot deze periode, terwijl de rechtsonderhorige die het voorwerp heeft uitgemaakt van een bijzondere opsporingsmethode van observatie en waarbij het proces-verbaal opgesteld in toepassing van artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering geen melding maakt van de periode tijdens dewelke de observatie kan worden uitgeoefend (artikel 47sexies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering), de wettigheid van de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering hieromtrent niet kan aanvechten voor het Hof van Cassatie en dit Hof geen ambtshalve onderzoek kan verrichten naar de besluitvorming van de kamer van inbeschuldigingstelling met betrekking tot deze periode nu dit tot het vertrouwelijke dossier behoort en het Hof van Cassatie overeenkomstig artikel 235ter, § 3, Wetboek van Strafvordering geen inzage heeft in dit vertrouwelijke dossier."
  28. Zowel in het geval de periode tijdens dewelke de machtiging tot observatie wordt verleend, in het proces-verbaal van uitvoering wordt vermeld als in het geval die periode niet met nauwkeurigheid is vermeld, leidt de vraag naar overeenstemming van de gegevens van het proces-verbaal met deze van het vertrouwelijke dossier tot een feitenonderzoek waarvoor het Hof niet bevoegd is. Dit heeft bijgevolg geen invloed op de controle die ingevolge het cassatieberoep kan uitgevoerd worden zodat daaruit geen verschillende rechtstoestand ontstaat. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.
  29. De prejudiciële vraag gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en wordt bijgevolg niet gesteld. Middel van de eiser III
  30. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vordering de controle uit te voeren met toepassing van artikel 235ter voornoemd ontvankelijk is en dat de observatie op wettelijke wijze is tot stand gekomen en uitgevoerd; artikel 189ter Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd en aangevuld bij de wet van 16 januari 2009, voorziet voor de rechtbank enkel in de mogelijkheid de zaak naar het openbaar ministerie te verwijzen teneinde de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten de controle ex artikel 235ter uit te voeren, wanneer nieuwe elementen aan het licht gekomen zijn na de controle uitgevoerd door de kamer van inbeschuldigingstelling of wanneer bij de reeds uitgevoerde controle zich een wettigheidsincident heeft voorgedaan; dit is niet het geval wanneer de vereiste controle niet plaatsvond op het geëigende tijdstip. De eiser verzoekt het Hof dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof als deze die de eisers I en II in hun vierde middel, eerste onderdeel, voorstellen.
  31. Artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij de wet van 16 januari 2009, bepaalt dat de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie kan overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle.
  32. Deze bepaling, die in algemene bewoordingen is opgesteld, beoogt alle wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle van de bijzondere opsporingsmethoden en bijgevolg eveneens de omstandigheid dat de controle niet heeft plaatsgevonden vóór de verwijzing van de beklaagde naar de correctionele rechtbank of zijn dagvaarding voor die rechtbank. Het middel faalt naar recht.
  33. De prejudiciële vraag houdt geen enkel verband met de aangevoerde grief zodat het Hof deze vraag niet stelt. Ambtshalve beoordeling
  34. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 173,28 euro, waarvan op elk cassatieberoep 57,76 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 27 april 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120201.2 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140528.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050823.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100727.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.