← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100429.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100429.14 Rolnummer: C.09.0169.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-05-26 Raadplegingen: 652 - laatst gezien 2026-07-02 18:01 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100429.14 Fiche 1 Een schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt, is om die reden niet nietig, maar enkel vatbaar voor inkorting; het is daarbij zonder belang of de overschrijding doelbewust is gebeurd; deze regel is ook van toepassing op vermomde schenkingen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Beschikbaar gedeelte - Inkorting BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Vermomde schenking Vrije woorden: Schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt - Gevolg - Vermomde schenking - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 920 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal met opdracht VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Beschikbaar gedeelte - Inkorting BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Vermomde schenking Vrije woorden: Schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt - Gevolg - Vermomde schenking - Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. C.09.0169.N V. H., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. W.H., en, 2. D. J., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juni 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen - de artikelen 6, 815, 893, 894, 913, 915, 920, 921, 922, 931, 1108, 1122, 1131, 1133, 1321, 1350, 1°, 1165 en 1167 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, zoals ondermeer bevestigd door de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1350, 1° en 1167 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wetsontduiking, zoals ondermeer bevestigd door de artikelen 6, 1131, 1132, 1133 en 1350, 1°, van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond en verweerders' incidenteel beroep in beperkte mate gegrond, bevestigt het vonnis a quo, waarbij eiseres' vordering in nietigverklaring van de verkoop van 22 december 1995 werd verworpen en waarbij de vordering van de verweerders in uitonverdeeldheidtreding van het appartementsgebouw te Wetteren, Markt 14, gegrond wordt verklaard, en een notaris werd aangesteld, en verwerpt de door de eiseres in ondergeschikte orde gestelde vordering in nie¬tigverklaring van de bij akte van verkoop van 22 december 1995 vermomde schenking omwille van de intentionele fraude tot miskenning van de reserva¬taire rechten van de eiseres in de nalatenschap van wijlen I.R., en dit op volgende gronden: "Verder blijkt uit de verklaring van (de verweerder) (stukken 39-43 aanvullend strafdossier O.R. 2002/099/3) en de informatie verstrekt door de nv Fortis Bank dat (de verweerder): - de ‘koopprijs' van het appartement gelegen te Wetteren, Markt 14 (cf. infra) van 2.000.000 frank, thans 49.578,70 euro, alsook de notariskosten ad 1.654.000 frank, thans 41.001,59 euro, betaalde met fondsen afkomstig van de litigieuze spaarrekening van de FV (Feitelijke Vereniging) ‘Roekeloos' en dit bedrag gestort werd op de zichtrekening 001-0268692-78 (
  1. op)naam van wijlen I.R., waarna (de verweerder) zelf dit bedrag terug overschreef op de spaarrekening van de FV ‘Roekeloos'; - de overeengekomen lijfrente, zijnde 600.000 frank, thans 14.873,61 euro, per semester, eveneens betaalde van de rekening van de FV ‘Roekeloos' op de zichtrekening van wijlen I.R. en nadien deze bedragen van deze zichtrekening terug stortte aan de FV ‘Roekeloos', zodat in totaal op die wijze een bedrag van 1.800.000 frank, thans 44.620,83 euro, werd ‘betaald'. Dit wordt tevens bevestigd door de verklaring van (de verweerster) (stukken 45-47 aanvullend strafdossier O. R. 2002/099/3). (...) Boven werd reeds besloten dat uit de voorhanden zijnde gegevens genoeg¬zaam bewezen voorkomt dat de financiering van de FV ‘Roekeloos' uitslui¬tend gebeurde door wijlen I.R. en meer bepaald door al haar ef¬fecten en obligaties die zij had verkocht en het geld ‘in te brengen in de feite¬lijke vereniging'(m.a.w. op deze rekening te plaatsen). Het (hof van beroep) vermag tevens te besluiten dat deze FV ‘Roekeloos' een eerder fictieve (banktechnische) constructie was om de gelden van wijlen I.R. te ‘vrijwaren' bij haar overlijden. Overigens blijkt nergens uit het strafdossier dat er een schriftelijke overeenkomst tussen de leden van de FV ‘Roekeloos' voorhanden was en (de verweerder) verklaarde trouwens aan de verbalisanten: ‘Omtrent het financieren van deze feitelijke vereniging waren er geen statuten'. (cf. stuk 40 aanvullend strafonderzoek dossier O.R. 102/98/3) M.a.w. kan besloten worden dat er geen afgescheiden vermogen bestond tussen FV ‘Roekeloos' en wijlen I.R. en dat de gelden van de FV ‘Roekeloos' hoe dan ook tot het vermogen van wijlen I.R. bleven behoren. (De verweerder) verklaarde ten andere duidelijk: ‘Het is inderdaad juist dat Mevr. I.R. de verkoop van haar eigen appar¬tementen zelf financierde via de feitelijke vereniging roekeloos waarvan het kapitaal van haar zelf was'. (cf. stuk 41 aanvullend strafonderzoek dossier O.R. 102/98/3). D.4. de vordering met betrekking tot het appartementsgebouw te Wetteren, Markt 14 D.4.a. Zoals boven reeds gesteld verkocht wijlen I.R. bij akte van 22 december 1995, verleden voor het ambt van Uytterhaegen Christiaan, notaris te Wetteren, haar volledig aandeel in de naakte eigendom in het appar¬tementsgebouw gelegen te Wetteren, Markt 14, gekadastreerd sectie E num¬mer 289 S, groot 4a 70ca (zijnde 3/4 naakte eigendom) op lijfrente aan (de ver¬weerders), mits betaling van een som van 2.000.000 frank, thans 49.578,70 euro en een lijfrente van 600.000 frank, thans 14.873,61 euro, 6-maandelijks te betalen, de eerste maal op 5 februari 1996. Het (hof van beroep) verwijst hiervoor tevens naar pagina 16-17 van het bestreden vonnis waar de ‘algemene voorwaarden' onder welke deze overeenkomst werd gesloten, werden geciteerd. Tevens verwijst het (hof van beroep) naar de verklaringen die hieromtrent door (de verweerders) in het strafonderzoek werden afgelegd en welke uitvoerig wer¬den weergegeven op pagina 17 tot en met 18 van het bestreden vonnis. Hieruit blijkt duidelijk dat (de verweerders) in werkelijkheid niets betaalden ter verwerving van de drie vierden naakte eigendom van het appartementsgebouw van wijlen I.R. gezien: - zowel de koopsom en de ‘notariskosten' (bedoeld wordt de registratierechten en het ereloon van de notaris); - als de drie gedane ‘betalingen' van de lijfrente; door (de verweerder) werden betaald via de rekening van de FV ‘Roekeloos' op de zichtrekening van wijlen I.R., waarna deze gelden alsdan van deze zichtrekening opnieuw werden overgemaakt op de rekening van de FV ‘Roekeloos.'. Boven werd dit ‘systeem' reeds nader belicht en het volstaat hiernaar te verwijzen. D.4.b. De eerste rechter oordeelde dat aan de hand van de voorliggende ge¬gevens en inzonderheid de verklaringen van (de verweerders) zelf op genoeg¬zame wijze werd aangetoond dat waar naar buiten toe een koop-verkoopover¬eenkomst werd gesloten, dit eigenlijk geen overeenkomst ten bezwarende titel betrof maar wel een vermomde schenking. De feitenrechter bepaalt soeverein of een rechtshandeling te kwalificeren is als een vermomde schenking dan wel als een handeling ten bezwarende titel. M.a.w. is hij niet gebonden door de kwalificatie die de contractspartijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, maar de werkelijke wil van deze partijen dient te worden nagegaan en te prevaleren. Uit de verklaringen van (de verweerders) naar aanleiding van het strafonderzoek blijkt duidelijk dat hoe dan ook hun wil er niet in bestond om terzake de naakte eigendom in het appartementsgebouw aan te kopen, doch wel dat zij dit zouden krijgen zonder iets te betalen. Hierover kan geen discussie bestaan. Zij bevestigden ook dat dit de wil was van wijlen I.R.. (De verweerder) verklaarde uitdrukkelijk: ‘Ik herhaal nogmaals dat het de uitdrukkelijke wil was van Mevr. I.R. dat haar dochter geen gelden zou ontvangen uit haar erfenis. Om dit te bekomen werd dit systeem opgericht. Volgens mij werd haar deze oplossing aangeboden door Mr. D.P. . Op uw vraag moet ik bevestigend antwoorden dat in feite mijn vrouw en ik deze appartementen gratis hebben bekomen. Het is inderdaad juist dat Mevr. I.R. de verkoop van haar eigen appartementen zelf financierde via de feitelijke vereniging Roekeloos waarvan het kapitaal van haar zelf was. Ik en mijn vrouw hebben nooit een financiële inbreng gehad in de FV en in de aankoop van het appartementsgebouw. Het was de uitdrukkelijke wil van Mevr. I.R. dat de appartementen naar ons zouden gaan zonder dat het ons zelf één frank mocht kosten'. (...) (De verweerster) verklaarde: ‘Het is inderdaad juist dat Mevr. I.R. het appartementsgebouw aan ons verkocht maar dat wij haar betaalden via FV Roekeloos en de gelden ervan. Wat er in feite op neer komt dat wij haar betaalden met haar eigen geld. De aankoop van het appartementsgebouw heeft ons dus geen frank gekost. Het was de uitdrukkelijke wil van Mevr. I.R. dat dit zo verliep'. (cf. stuk 47 aanvullend strafonderzoek dossier G.R. 102/98/3). Het feit dat wijlen I.R. (de eiseres) (zoveel als mogelijk) wou ‘onterven' blijkt niet alleen duidelijk uit de door haar opgestelde geschriften (stukken 4 (verweerders)) doch loopt ook als een rode draad door de strafdossiers. Dat zij ten dien einde een ‘systeem' uitwerkte (of liet uitwerken) via de FV ‘Roekeloos' blijkt niet alleen uit de verklaringen van (de verweerders) zelf doch tevens uit de gelijklopende verklaringen van de aanvankelijke ‘bestuursleden' van deze FV (stukken 50-94 aanvullend strafdossier O.R. 2002/099/3). Aldus vermag het (hof van beroep), samen met de eerste rechter, aan te nemen dat er genoegzaam bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoe¬dens bestaan dat ook in hoofde van wijlen I.R. in werkelijkheid de wil bestond om haar bedoeld (onverdeeld) aandeel in het appartementsge¬bouw aan (de verweerders) te schenken in plaats van te verkopen. Wanneer blijkt dat: - enerzijds de betaling van: - de bedongen prijs van 2.000.000 frank, thans 49.578,70 euro; - de termijnen van lijfrente; via de constructie van de FV ‘Roekeloos' door (de verweerders) als kopers be¬taald werden met eigen penningen van wijlen I.R. en nadien de overeenstemmende bedragen opnieuw werden gestort van de rekening van wijlen I.R. naar de rekening van de FV ‘Roekeloos'; - anderzijds het duidelijk is dat deze ‘werkwijze' de goedkeuring wegdroeg van zowel (de verweerders) als wijlen I.R.; moet aldus met zekerheid aanvaard worden dat van meet af aan het opzet heeft bestaan om de verkoop, met kwitanties over de prijs, als een vermomming van een schenking te laten dienen. (...) D.4.e. (De eiseres) meent dat indien het (hof van beroep) een verdoken schenking aanvaardt, deze een ongeoorloofde oorzaak heeft, strijdig met de openbare orde, gezien deze verdoken schenking gebeurde met de bedoeling inbreuk te plegen op haar reservataire aanspraken. Zij meent dat derhalve deze verdoken schenking nietig is. Dit kan evenwel niet worden onderschreven. Sinds geruime tijd nemen zowel de Belgische rechtspraak als de Belgische rechtsleer eenparig de geldigheid aan van vermomde schenkingen. Hiertoe moet evenwel voldaan zijn aan de volgende voorwaarden. 1. De voorliggende akte onder bezwarende titel moet vooreerst de schijn wekken en voorkomen als een akte ten bezwarende titel, zowel naar vorm als naar inhoud. Mocht de akte daarentegen duidelijk voorkomen als zijnde een schenking, dan dient zij te worden vernietigd wegens schending van de in artikel 931 BW bepaalde voorschriften. 2. De akte onder bezwarende titel die een schenking vermomt, moet beant¬woorden aan al de gestelde vereisten waaraan een dergelijke akte ten bezwa¬rende titel moet voldoen, zowel naar inhoud als naar vorm. 3. De derde voorwaarde betreft de verborgen schenking zelf. Zij moet voldoen aan alle vereisten die gelden voor een gewone schenking, de vormvoorschrif¬ten uitgezonderd. De voorschriften inzake inbreng en inkorting, aanvaarding door de begiftigde, (on)bekwaamheid tot geven en krijgen en de regels inzake het voorbehouden en het beschikbaar gedeelte zijn bijgevolg onverkort van toepassing. Aan deze voorwaarden is hoe dan ook voldaan. Zelfs wanneer bewezen zou worden dat de vermomming gebeurde om de rechten van de reservatairen te ontzenuwen, leidt zulks niet tot de nietigheid van de schenking. De rechten van de reservatairen worden immers voldoende beschermd door de toepassing van de strengere regels die gelden inzake schenkingen: toevoeging bij de fictieve massa, aanrekening op het beschikbaar deel en even¬tueel en inzonderheid inkorting. (...) D.6. De door (de verweerders) gevorderde vereffening en verdeling Ook hier dient de beslissing van de eerste rechter te worden bijgetreden nu er geen redenen zijn om de overeenkomst van 22 december 1995 als verkoop of vermomde schenking nietig te verklaren, zodat er tussen partijen met betrekking tot het appartementsgebouw, gelegen te Wetteren, Markt 14, een onver¬deeldheid bestaat en (de verweerders) overeenkomstig artikel 815 BW de vereffening en verdeling ervan vorderen" (...). Grieven 1. Luidens artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek hangt de gel¬digheid van een overeenkomst af van het bestaan van een geoorloofde oorzaak van de verbintenis. Artikel 1131 van hetzelfde wetboek bepaalt dat de verbintenis, aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg kan hebben. Krachtens artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek is de oorzaak ongeoorloofd wanneer zij door de wet verboden is of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde. Artikel 6 van voornoemd wetboek bepaalt dat aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk kan gedaan worden. Het volstaat dat de doorslaggevende beweegreden, of één van de doorslaggevende beweegredenen, ongeoorloofd is, om tot de nietigheid van de overeenkomst wegens ongeoorloofde oorzaak te besluiten. De artikelen 913 en 915 van het Burgerlijk Wetboek die het be¬schikbaar gedeelte en bijgevolg de wettelijke erfrechtelijke reserve vaststellen, zijn van openbare orde, minstens van dwingend recht. Overeenkomstig de artikelen 920, 921 en 922 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de beschikkingen, hetzij, onder de levenden, hetzij, ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte ingekort worden. 2. Luidens artikel 1321 van het Burgerlijk Wetboek kunnen tegenbrieven enkel tussen de contracterende partijen gevolg hebben en werken zij niet tegenover derden. Veinzing, waarbij partijen hun werkelijke overeenkomst verborgen houden door een geveinsde overeenkomst, is in principe geoorloofd, tenzij, overeenkomstig voornoemde artikelen 6, 1108, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek, één van de doorslaggevende beweegredenen is afbreuk te doen aan de rechten van derden of regels van openbare orde of van dwingend recht te omzeilen. Bij de schenking, die overeenkomstig artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek een akte is waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet ten voordele van de begiftigde, ligt de oorzaak niet uitsluitend in de vrijgevige bedoeling van de schenker, maar in de hoofdzakelijke beweegreden die bij hem heeft voorgezeten en die hem ertoe heeft gebracht die gift of schenking te doen. Een vermomde schenking, i.e. een schenking die gebeurt onder het mom van een rechtshandeling onder bezwarende titel, waarbij de partijen verklaren dat er een tegenprestatie moet worden geleverd, maar bij tegenbrief anders overeenkomen, is een vorm van veinzing. De vermomde schenking is in principe rechtsgeldig, ook al kan men, naar luid van artikel 893 van het Bur¬gerlijk Wetboek, op geen andere wijze over zijn goederen om niet beschikken dan bij schenking onder de levenden of bij testament met inachtneming van de wettelijk bepaalde vormen en voldoet de vermomde schenking niet aan de vormvereisten van artikel 931 van het Burgerlijk Wetboek. De vermomde schenking is evenwel, overeenkomstig voornoemde artikelen 6, 1108, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek, nietig wanneer één van de doorslagge¬vende beweegredenen beoogt afbreuk te doen aan de rechten van derden of regels van openbare orde of van dwingend recht te omzeilen. Zo een vermomde schenking, zoals alle schenkingsvormen, on¬derworpen is aan de grondvereisten van de schenking, en met name overeenkom¬stig artikel 920 van het Burgerlijk Wetboek kan worden ingekort wanneer ze het beschikbaar gedeelte overschrijdt, is de sanctie van een vermomde schenking waarvan één van de doorslaggevende beweegredenen de aantasting is van de reserve, overeenkomstig de artikelen 6, 1108, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek, de volledige nietigheid. De rechten van de reservatairen worden niet voldoende be¬schermd door de schenkingsregels die de inkorting voorschrijven van de schenkingen boven het beschikbaar gedeelte, wanneer de schenking op ver¬momde wijze gebeurde en met de doorslaggevende beweegreden de reserve te miskennen. Slechts de sanctie van de volledige nietigheid van dergelijke vermomde schenking kan de betrokkenen ervan weerhouden de reserve op bedrieglijke wijze aan te tasten. Bovendien miskent de overeenkomst tussen partijen om de schenking op vermomde wijze tot stand te brengen en ze te verbergen via een geveinsde verkoop teneinde aldus afbreuk te doen aan de rechten van de reser¬vataire erfgenamen, het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wets¬ontduiking, zoals ondermeer bevestigd door de artikelen 6, 1131, 1132, 1133 en 1350, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, nu partijen een principieel geoorloofd procédé van veinzing gebruiken, met name de vermomde schenking, om een resultaat na te streven dat strijdig is met de openbare orde, m.n. de aantasting van de reserve en het vermijden van een vordering tot inkorting. Alleszins kan aan dergelijke overeenkomst geen rechtsgevolgen verbonden worden op grond van het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit', zoals ondermeer bevestigd door de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1350, 1° en 1167 van het Burgerlijk Wetboek, dat verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen. De erfgenaam rechtverkrijgende onder algemene titel van de schenker, die, overeenkomstig de artikelen 1122 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek, in de regel in alle rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorgan¬ger treedt, doch die in voornoemde omstandigheden de nietigheid vordert van een vermomde schenking door zijn rechtsvoorganger wegens ongeoorloofde oorzaak omwille van de bedrieglijke aantasting van zijn reserve, oefent niet het recht uit van zijn rechtsvoorganger, doch een eigen recht hem door de wet toegekend, inzonderheid de artikelen 913, 920, 921 en 922 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 1108, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek. 3. De eiseres, enig kind van wijlen I.R., en, overeenkom¬stig artikel 913 van het Burgerlijk Wetboek, reservatair erfgenaam, vorderde te dezen voor de appelrechters, in ondergeschikte orde, in zoverre het bestaan van een vermomde schenking zou worden aangenomen via de akte van koop-verkoop verleden op 22 december 1995 tussen de verweerders en wijlen I.R., de nietigverklaring van deze vermomde schenking "omwille van de intentionele fraude tot miskenning van de reservataire rechten van (de eiseres) in de nalatenschap van wijlen mevrouw I.R." (...). De eiseres voerde in dit verband in conclusie voor de appelrechters volgende omstandigheden aan, waaruit blijkt dat, volgens de eiseres, de "deter¬minerende oorzaak" van de vermomde schenking de aantasting van haar reserve was, en dat om die reden de vermomde schenking nietig is wegens ongeoorloofde oorzaak: "Indien het bestaan van een verborgen schenking wordt aangenomen dan is er een ongeoorloofde oorzaak voor deze schenking, strijdig met de openbare orde of van dwingend recht. De vermomde schenking gebeurde met de bedoeling inbreuk te plegen op de reservataire aanspraken van (de eiseres) en is derhalve nietig (Gent, 13.03.1995, T. Not. 1996; Paul Delnoy ‘Les libéralités et les successions' ed. 2004, blz. 239 nr. 179 C: Tout acte qui aurait pour effet de restreindre directement ou indirectement le droit des réservataires serait nul comme contraire à des dispositions légales impératives'. (vertaling: Iedere handeling met het oog op het rechtstreeks of onrechtstreeks beperken van rechten van de reservataire erven is nietig wegens strijdigheid met de principes van dwingend recht.) (De verweerders) geven zelf aan dat de determinerende oorzaak van de koop-verkoop was: ‘Feit ten slotte is dat de hele constructie aangaande de koop-verkoop en de FV Roekeloos er dan ook kwam op initiatief van mevrouw I.R.. Hierbij had ze een dubbel doel: zo weinig mogelijk gelden achter laten voor haar hebzuchtige dochter, enkel genoeg om de begrafenis mee te financie¬ren en (de verweerders) bedanken voor de hulp die zij haar boden in haar laatste levensjaren (...)' (zie besluiten van de (verweerders) op blad 15, paragraaf 4). Mevrouw I.R. heeft volgens (de verweerders): - de constructie van een verkoop van haar eigendomsrechten in het apparte¬mentsgebouw te Wetteren, Markt 14 bedacht met notaris Uytterhaegen; - de gelden in de bank (ASLK/Fortis) ondergebracht in de Feitelijke Vereni¬ging Roekeloos met hulp van de bank ASLK; en aldus betracht om maximaal en met miskenning van de reserve van (de eise¬res) de rechten van (de eiseres) in haar nalatenschap te ontnemen. (‘zo weinig mogelijk gelden achter laten voor haar hebzuchtige dochter, en¬kel genoeg om de begrafenis mee te financieren' dixit (de verweerders) in hun besluiten). De vermomde schenking was een onderdeel van de strategie om het reser¬vataire deel van (de eiseres) in de nalatenschap van haar moeder te frauderen" (...). 4. De appelrechters oordelen dat de litigieuze verkoop van 22 de¬cember 1995 een vermomde schenking is, waarbij wijlen I.R. met de verweerders een systeem opzette waarbij de overeengekomen prijs en lijfrente door haarzelf, via de feitelijke vereniging "Roekeloos", werd betaald, en stellen in dit verband ook vast: - dat volgens de uitdrukkelijke verklaring van verweerder "het de uitdrukkelijke wil was van Mevr. I.R. dat haar dochter geen gelden zou ontvangen uit haar erfenis; (en dat) om dit te bekomen dit systeem (werd) opgezet)" (...); - "(Dat) het feit dat wijlen I.R. (de eiseres) (zoveel als mogelijk) wou ‘onterven' niet alleen duidelijk (blijkt) uit de door haar opgestelde geschriften (...) doch loopt ook als een rode draad door de strafdos¬siers" (...). Het bestreden arrest verwerpt de door de eiseres gevorderde nietig¬heid van de verdoken schenking wegens ongeoorloofde oorzaak, met name met de bedoeling inbreuk te plegen op de reservataire aanspraken van de eiseres, op grond van de overwegingen "(dat) zelfs wanneer bewezen zou worden dat de vermomming gebeurde om de rechten van de reservatairen te ontzenuwen, zulks niet tot de nietigheid van de schenking (leidt) (
  2. nu)de rechten van de re¬servatairen immers voldoende beschermd (worden) door de toepassing van de strengere regels die gelden inzake schenkingen: toevoeging bij de fictieve massa, aanrekening op het beschikbaar deel en eventueel en inzonderheid inkorting" (...). De omstandigheid dat de vermomde schenking kan worden ingekort wanneer zij het beschikbaar gedeelte overschrijdt, sluit echter niet uit dat de vermomde schenking waarvan één van de doorslaggevende beweegrede¬nen de aantasting is van de rechten van een reservataire erfgenaam, een ongeoorloofde oorzaak heeft, en op die grond nietig is, minstens omwille van het bedrieglijk opzet afbreuk te doen aan de rechten van de reservataire erf¬genaam, en dit met toepassing van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit en het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wetsontduiking. Door derhalve, op de gronden die het bevat, de door de eiseres aangevoerde nietigheid van de vermomde schenking te verwerpen en de nietig¬heid van de vermomde schenking uit te sluiten, ook al zou de vermomming gebeurd zijn om eiseres' rechten als reservatair "te ontzenuwen", en aldus, impliciet doch zeker, de mogelijke nietigverklaring van de vermomde schenking wegens ongeoorloofde oorzaak, bestaande uit de doorslaggevende be¬weegreden afbreuk te doen aan de rechten van eiseres als reservatair erfge¬naam, uit te sluiten, zonder in feite vast te stellen dat te dezen de doorslaggevende beweegreden afbreuk te doen aan de rechten van eiseres als reser¬vatair erfgenaam, niet is aangetoond, minstens niet uit te sluiten dat dit één van de doorslaggevende beweegredenen van de vermomde schenking was, miskent het bestreden arrest de artikelen 6, 893, 894, 913, 915, 920, 921, 922, 931, 1108, 1122, 1131, 1133, 1321, 1350, 1°, 1165 en 1167 van het Burgerlijk Wetboek, evenals het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, zoals ondermeer bevestigd door de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1350, 1° en 1167 van het Burgerlijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wetsontduiking, zoals ondermeer bevestigd door de artikelen 6, 1131, 1132, 1133 en 1350, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, en kon het dienvolgens ook niet wettig verweerders' vordering in vereffening en verdeling van het appartementsgebouw gegrond verklaren op grond van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst (schending van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek evenals van alle hiervoren aangehaalde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 920 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte kunnen worden ingekort. 2. Een schenking die het beschikbaar gedeelte overschrijdt, is om die reden niet nietig, maar enkel vatbaar voor inkorting. Het is daarbij zonder belang of de overschrijding doelbewust is gebeurd. Deze regel is ook van toepassing op vermomde schenkingen. 3. Het middel, dat ervan uitgaat dat de mogelijkheid tot inkorting niet uitsluit dat de vermomde schenking waarvan één van de doorslaggevende beweegredenen de aantasting van de rechten van een reservataire erfgenaam is, integraal nietig is, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 643,55 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 29 april 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100429.14 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100429.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.