id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.2 Rolnummer: S.09.0024.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2010-06-04 Raadplegingen: 781 - laatst gezien 2026-07-02 17:56 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100503.2 Fiche 1 Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen, die artikel 43ter heeft ingevoegd in de Ziekenfondswet, blijkt dat deze bepaling verantwoord is door de noodzaak, in het belang van de bescherming van de consument, om het onderscheid tussen de ziekenfondssector en de commerciële sector van de banken of de verzekeringsmaatschappijen te versterken en elke verwarring tussen de beide sectoren te vermijden, alsmede door de bekommernis om het privé-leven van de sociaal verzekerden beter te beschermen tegen elke overdracht van persoonlijke informatie van de verplichte en aanvullende verzekering naar de commerciële verzekering. Zij verbiedt ieder akkoord met als voorwerp de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst, door een persoon die een activiteit van verzekeringsbemiddeling of een bankactiviteit uitoefent, zonder dat moet aangetoond worden dat er een effectieve vermenging is van beide activiteiten
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: Ziekenfonds - Controledienst - Promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst - Akkoord met verzekeringsinstelling of banksector - Verbod Wettelijke bepalingen: Wet - 06-08-1990 - Art. 43ter, tweede en derde lid Fiche 2 Het arrest dat oordeelt dat volgens de gewone gang van zaken aangenomen mag worden dat een persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon, daadwerkelijk activiteiten van verzekeringsbemiddeling uitoefent, steunt zijn beslissing niet op een onbestaand wettelijk vermoeden, maar op een feitelijk vermoeden van overeenstemming met de gewone gang van zaken, waarbij degene die zich op een afwijking van de gewone gang van zaken beroept, het bewijs daarvan dient te leveren
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: Feitelijk vermoeden van overeenstemming met de gewone gang van zaken - Bewijslast Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1349 en 1353 Fiche 3 Hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijk vermoeden dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen niet miskennen of denatureren, en mag hij met name aan de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen verbinden die daarmee in geen enkel verband staan of die, op grond van die feiten, onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: Taak van de rechter - Onaantastbare beoordeling in feite - Hieruit afgeleide vermoedens Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1349 en 1353 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: Ziekenfonds - Controledienst - Promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst - Akkoord met verzekeringsinstelling of banksector - Verbod Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: Feitelijk vermoeden van overeenstemming met de gewone gang van zaken - Bewijslast Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: Taak van de rechter - Onaantastbare beoordeling in feite - Hieruit afgeleide vermoedens Tekst van de beslissing Nr. S.09.0024.N LANDSBOND VAN ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, erkende ziekteverzekeringsinstelling, met zetel te 1150 Brussel, Sint-Huibrechtsstraat 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen CONTROLEDIENST VOOR DE ZIEKENFONDSEN EN DE LANDS-BONDEN VAN ZIEKENFONDSEN, openbare instelling, met zetel te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 december 2008 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 43, §1, 43ter, tweede lid, 60bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; - de artikelen 2, 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 5 - zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 februari 2006, 10, 4° - zoals van kracht zowel vóór als na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007 - en 10, 7° van de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings-bemiddeling en de distributie van verzekeringen, waarvan het opschrift bij wet van 22 februari 2006 gewijzigd werd in: "wet betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen"; - artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. Aangevochten beslissing In het bestreden arrest van 4 december 2008 verklaart het arbeidshof te Brussel het door de verweerder tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 28 oktober 2005 aangetekende hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond en hervormt het bestreden vonnis, waarbij de oorspronkelijke vorderingen van de eiser gegrond werden verklaard, de elf bestreden beslissingen van de verweerder vernietigd werden en de verweerder veroordeeld werd tot terugbetaling van de ten onrechte opgelegde geldboeten van 11 x 3.000 euro, hetzij 33.000 euro, meer intresten sinds de datum van betaling ervan. Het arbeidshof verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de eiser, ertoe strekkende elf beslissingen van de verweerder, waarbij elfmaal een adminstratieve geldboete van 3.000 euro werd opgelegd wegens schending van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990, te horen vernietigen, slechts gegrond in zoverre ze betrekking hebben op de dossiers van mevrouw C.H., de nv Gengroup en het bankkantoor Centea, doch ongegrond in zoverre ze betrekking hebben op de dossiers van de nv Assist, de heer C., de cvba Archimedex, de vzw sociaal verzekeringsfonds VEV, de heer S., de heer C., de heer D. en mevrouw D.V. De verweerder wordt aldus slechts veroordeeld tot terugbetaling van de sancties opgelegd in de dossiers van mevrouw C.H., de nv Gengroup en bankkantoor Centea, hetzij driemaal 3.000 euro, of 9.000 euro, meer intresten vanaf de datum van betaling. De eiser wordt veroordeeld in 8/11 van de gerechtskosten. Het arbeidshof stoelt deze beslissing op volgende motieven: "2. De interpretatie van het verbod ingesteld door artikel 43ter, lid 2, van de wet van 6 augustus 1990. 2.1. De Controledienst is van oordeel dat er een inbreuk is op artikel 43ter, lid 2, van de wet van 6 augustus 1990, zoals geciteerd in het tussenarrest, van zodra vaststaat dat de persoon, die een overeenkomst heeft afgesloten, die tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door een landsbond of ziekenfonds, tegelijkertijd een beroepsactiviteit uitoefent die geheel of gedeeltelijk binnen de werkingssfeer valt van de wet van
(27)maart 1995 betreffende de verzekerings-bemiddeling of ressorteert onder de activiteiten van de banksector. De Controledienst verwijst daarbij naar de toelichting bij het amendement dat geleid heeft tot de wettelijke bepaling, naar de motieven van het arrest van het Grondwettelijk Hof waarbij het verzoekschrift tot nietigverklaring van de Landsbond tegen deze bepaling werd afgewezen en een arrest van de Raad van State waarbij een vraag tot vernietiging van een omzendbrief, waarin de nieuwe bepaling werd toegelicht, werd afgewezen. De Landsbond is van oordeel dat uit de tekst van artikel 43ter alleen een verbod kan afgeleid worden van promotie, distributie of verkoop van een dienst van het ziekenfonds of landsbond 'in het kader' van de uitoefening van een beroepsactiviteit van de verzekeringsbemiddeling of van een bankactiviteit. Zij verwijst daarbij eveneens naar de toelichting bij het amendement waarbij zij onderlijnt dat het essentieel de bedoeling was van de wetgever om te vermijden dat persoonsgebonden informatie zou doorstromen van de ziekteverzekering naar commerciële activiteiten en aldus een schending van het recht op privacy van de sociaal verzekerden mogelijk zou zijn. 2.2. Uit de toelichting bij het amendement, dat geleid heeft tot de tekst van artikel 43ter van de wet van 6 augustus 1990, zoals het geciteerd is in het tussenarrest, blijkt volgens het (arbeids)hof dat de essentiële bekommernis van de indiener van het amendement was iedere verwarring in hoofde van de consument te vermijden tussen enerzijds landsbonden en ziekenfondsen, (die een niet-commerciële activiteit vervullen) en anderzijds de verzekeringsmaatschappijen en bankinstellingen, dit omwille van de essentieel verschillende doelstellingen tussen beide instellingen. Daaraan wordt toegevoegd dat ‘overigens' het samen of tegelijkertijd uitoefenen van de twee taken het risico inhoudt van een informatiedoorstroming en een schending van de privacy van de sociale verzekerden. In het licht van deze doelstelling dient artikel 43ter zo geïnterpreteerd te worden dat er in de regel een overtreding is van het wettelijk verbod van zodra vastgesteld wordt dat een persoon, die zich inlaat met de promotie van ziekenfondsactiviteiten, daarnaast een activiteit ontwikkelt in de sector van de verzekeringsbemiddeling of het bankwezen, zonder dat er dient aangetoond te worden dat er een daadwerkelijke vermenging is van beide activiteiten. De loutere omstandigheid dat een zelfde persoon beide producten aanbiedt is voldoende om in hoofde van de consument een verwarring te doen ontstaan. Overigens is het weinig realistisch ervan uit te gaan dat de persoon, die beide activiteiten uitoefent, echt een onderscheid zal nastreven tussen beide activiteiten. De promotie van ziekenfondsactiviteiten zal voor hem essentieel een meerwaarde betekenen wanneer hij deze kan aanbevelen aan het vast cliën¬teel dat hij heeft als verzekeringsbemiddelaar en niet wanneer hij voor deze promotie een afzonderlijke circuit moet organiseren. Het is overigens illusoir ooit een volledige controle te kunnen organiseren op de naleving van het verbod wanneer, zoals vaak het geval is, de verzekeringsagent de cliënt niet enkel in zijn kantoor ontmoet, maar ook bij gelegenheid van huisbezoeken. In dit verband wordt door de Controledienst ook terecht verwezen naar de procedure die de Landsbond heeft ingesteld voor het Grondwettelijk Hof tegen het nieuwe artikel 43ter. Uit de lezing van dit arrest, meer bepaald p. 5 in fine blijkt immers dat de Landsbond, en de in de procedure betrokken ziekenfondsen, aanklaagden dat zij in de nieuwe regeling gediscrimineerd werden ten aanzien van de andere ziekenfondsen ‘doordat zij een specifiek netwerk georganiseerd hadden waarin afgevaardigden tegelijkertijd verzekeringsbemiddelaars of bankagenten zijn zodat een algehele dienst wordt geleverd die dicht bij de leden staat'. 3. De toepassing van de sancties. 3.1. De bewijslast van de inbreuk. Het komt aan de Controledienst toe, die een sanctie oplegt, aan tonen dat er een overtreding van de wet gebeurd is. Daarbij mag er echter in de regel van uitgegaan worden dat, indien aangetoond wordt dat een persoon, die promotie maakt voor ziekenfondsdiensten, tegelijkertijd overeenkomstig artikel 5 van de wet van 27 maart 1995 is ingeschreven (als) verzekeringstussenpersoon, hij dit beroep ook effectief uitoefent. Een dergelijke inschrijving, en het behoud ervan, is immers overeenkomstig artikel 10 van de wet, aan een aantal voorwaarden verbonden die het onaannemelijk maken dat een persoon een inschrijving zou behouden, indien hij niet daadwerkelijk een activiteit als verzekeringstussenpersoon opneemt. Hij is immers verplicht een jaarlijks inschrijvingsrecht te betalen en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering aan te gaan. Deze laatste moet bovendien verplicht de clausule inhouden dat, bij de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst de verzekeraar daarvan rechtstreeks de Commissie voor Bank- Financie- en Assurantiewezen (verder genoemd in afkorting CBFA) moet verwittigen. Zulks houdt niet in dat uit de inschrijving als verzekeringsagent een onweerlegbaar vermoeden zou volgen van een effectieve uitoefening van de functie. Een dergelijk vermoeden is door de wet niet voorzien. De Landsbond blijft uiteraard vrij aan te tonen dat in werkelijkheid de persoon met wie een overeenkomst voor promotie van (ziekenfonds)-activiteiten werd afgesloten, niet of niet meer actief was als verzekerings-tussenpersoon. 3.2. Het dossier van het Centeakantoor te Hove. Over dit dossier heeft het (arbeids)hof in zijn tussenarrest bijkomende inlichtingen gevraagd vermits de Landsbond erop gewezen had dat in dit dossier, dat volgens haar gelijkaardig was aan deze die thans voorliggen, de Controledienst geoordeeld had dat er geen inbreuk was op artikel 43ter van de wet. Uit het verslag van het controlebezoek, dat voorgelegd wordt blijkt dat de persoon die verantwoordelijk was voor de ziekenfondsactiviteiten in dit kantoor, niet dezelfde was als degene die het bankkantoor uitbaatte. Tussen beide bestond ook geen juridische band. Verder werd vastgesteld dat organisatorisch en materieel het bankkantoor en het ziekenfondskantoor volledig van elkaar gescheiden waren met onder meer aparte telefoonnummers. In deze zaak waren er aldus geen elementen die toelieten om te besluiten dat eenzelfde persoon een ziekenfondsactiviteit en een bankactiviteit uitvoerde. Aan de beslissing in dit dossier kan aldus geen ‘precedentwaarde' toegekend worden. Overigens is het (arbeids)hof ertoe gehouden ieder individueel dossier te onderzoeken in functie van de toepasselijke wetgeving, en is het niet gehouden door het feit dat de Controledienst in een ander dossier een afwijkende houding zou aangenomen hebben. 3.3. De individuele sanctiedossiers. 3.3.1 De NV Assist. Uit het door de Controledienst voorgelegde dossier blijkt dat de NV Assist op 16 juli 2003 een zogenaamde mandaatovereenkomst heeft afgesloten met de Landsbond. Volgens art. 1 van de overeenkomst heeft deze tot doel de rechten en plichten te regelen tussen het ziekenfonds en de mandataris, wanneer deze, voor rekening van het ziekenfonds, ofwel een individuele mutatie realiseert, een aansluiting bij de dienst Hospitalia tot stand brengt, een brievenbusfunctie vervult, inlichtingen verschaft met betrekking tot de aanvullende en verplichte ziekteverzekering of gezondheidszorgen terugbetaalt voor rekening van het ziekenfonds. In bijlage 2 bij de overeenkomst wordt een opsomming gegeven van de verschillende modules van de overeenkomst en de overeenstemmende vergoedingen, waarbij blijkt dat per nieuwe titularis voor de verzekering die aangebracht wordt of zelfs voor een tip, die aanleiding geeft tot de realisatie van een aansluiting van de titularis, een forfaitaire vergoeding betaald wordt. Uit de overeenkomst blijkt derhalve duidelijk dat het gaat om een overeenkomst die tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst ingericht door de landsbond of een ziekenfonds, in de zin van artikel 43ter van de wet. Anderzijds blijkt uit het proces-verbaal van 30 september 2003 dat de NV Assist een erkenning had als verzekeringstussenpersoon onder het nummer 48.713. Al(
- s)verweer voert de Landsbond aan dat de ziekenfondsactiviteiten en de verzekeringsactiviteiten niet gebeurden op dezelfde plaats. Zij verwijst daarbij naar het PV van de inspecteur waarin een ander adres vermeld wordt voor de verkrijger van de inkomsten uit de activiteit van ziekenfondspromotie en het adres bekend aan de CBFA. Dit verweer is onvoldoende. De verschillende adressen kunnen hun oorsprong vinden in een wijziging van de maatschappelijke zetel die zich in deze periode heeft voorgedaan en die nog niet doorgegeven was aan de CBFA, op het moment dat de gegevens daarvan geconsulteerd werden door de Controledienst. Het was voor de Landsbond eenvoudig geweest om, als het inderdaad om twee vestigingsplaatsen ging - wat nog niet noodzakelijk uitsluit dat er geen inbreuk is - dit aan te tonen. De Controledienst, die als bevoegdheid heeft om controle uit te oefenen op de ziekenfondsen en zich met dit doel door het ziekenfonds alle nuttige bescheiden kan doen afleveren (art. 52 en 58 van de Ziekenfondswet) heeft niet de mogelijkheid om een onderzoek ter plaatse bij de betrokken personen of vennootschappen in te stellen. De sanctie werd dan ook terecht opgelegd. 3.3.2. De heer C. . ln artikel 4 van de overeenkomst die hij op 1 januari 1997 afsloot met het ziekenfonds verbindt de heer C. er zich onder meer toe ‘samen te werken met alle diensten van het ziekenfonds door zijn diensten aan te bieden aan het cliënteel voor alle activiteiten die door het ziekenfonds worden georganiseerd'. Volgens de bijlage bij de overeenkomst ontving hij daarvoor een maandelijkse forfaitaire vergoeding van 118,99 euro (4.800,00 BEF). Volgens de Landsbond zou het enkel gaan om de terbeschikkingstelling van een postbus. Dit verweer is niet in overeenstemming met de inhoud van de overeenkomst, terwijl de Landsbond nalaat concrete elementen tot ondersteuning van haar verweer aan te voeren. Verder blijkt uit het door de Controledienst neergelegde dossier dat voor het jaar 2001 aan de heer C. een vergoeding werd uitgekeerd van 3.450,72 euro die niet overeenstemt met het bedrag dat in de individuele overeenkomst wordt vermeld. Bovendien wordt de vergoeding in het fiscale document 281.50 aangegeven als ‘commissielonen, makelaarslonen, handelaarsristorno's', hetgeen uitsluit dat het om de gewone ‘verhuur' van een postbus zou gaan. De sanctie werd dan ook terecht opgelegd. (...) 3.3.4. De CVBA Archimedex. Op 5 januari 2002 werd een overeenkomst afgesloten tussen het Onafhankelijk Ziekenfonds Antwerpen en de CVBA Archimedex, die zich ertoe verbindt ‘de diensten van het onafhankelijk ziekenfonds bij zijn leden te propageren en hen aan te raden voor wat de ziekteverzekering betreft zich aan te sluiten bij het Onafhankelijk Ziekenfonds. (Omgekeerd verbindt het Onafhankelijk Ziekenfonds er zich toe de diensten van de CVBA Archimedex te propageren bij alle apothekers en hen aan te raden zich voor deze diensten aan te sluiten bij de CVBA). Per aangebracht lid was een forfaitair bedrag voorzien. Uit het dossier blijkt dat in de loop van het jaar 2002 een commissieloon betaald werd van 4.833,92 euro. CVBA Archimedex is een erkende verzekeringsmakelaar. Door de Landsbond worden geen concrete verweermiddelen aangevoerd. De sanctie werd terecht opgelegd. 3.3.5. Het Sociaal Verzekeringsfonds VEV. Uit het proces verbaal van verhoor afgenomen van de heren D. en L. , beide financieel- logistiek manager van het Onafhankelijk Ziekenfonds 501 blijkt dat de vzw Sociaal Verzekeringsfonds V.E.V. jaarlijks een bedrag aanrekent van 75.000 euro aan het ziekenfonds 501 bedoeld ‘als vergoeding voor de werkingskosten (personeelskosten, bureelkosten,...) die de vzw sociaal verzekeringsfonds heeft gedragen ingevolge het verrichten van het uitvoerend werk in het kader van ziekenfondsactiviteit ten aanzien van de leden van het ziekenfonds (loket betalingen, advies...) en de commerciële taken die hiermee gepaard gaan'. Uit de aan het proces verbaal gehechte stukken blijkt dat het sociaal verzekeringsfonds jaarlijks een afrekening opmaakt met vermelding ‘deelname in de personeelskosten van de commerciële dienst'. Weliswaar worden in een later verhoor gesteld dat met ‘commerciële activiteiten' in feite bedoeld worden loketverrichtingen en adviezen doch deze precisering is, in het licht van de oorspronkelijke verklaring en de vermeldingen op de afrekening opgemaakt door het sociaal verzekeringsfonds, ongeloofwaardig. Uit de stukken blijkt dat het sociaal verzekeringsfonds VEV een erkenning heeft als verzekeringsmakelaar. De sanctie werd terecht opgelegd. (...) 3.3.8. De heer S. . Het Onafhankelijk Ziekenfonds heeft op 1 april 2002 met de heer S. een overeenkomst van zelfstandig afgevaardigde afgesloten. Volgens artikel 4 van deze overeenkomst verbond de heer S. er zich toe ‘samen te werken met alle diensten van het ziekenfonds door zijn diensten aan te bieden aan het cliënteel voor alle activiteiten die door het ziekenfonds worden georganiseerd'. Uit de bijlage bij de overeenkomst blijkt dat de heer S. een bedrag bekwam van 50,00 euro voor de mutatie van een lid en 5,00 euro voor een aansluiting Hospitalia. Het betreft een overeenkomst zoals bedoeld artikel 43ter van de wet van 6 augustus 1990. Het wordt niet betwist dat de heer Simons eveneens een activiteit had als verzekerings-tussenpersoon en er worden verder geen specifieke verweermiddelen aangevoerd. De sanctie werd terecht opgelegd. 3.3.9. De heer C. . Volgens de overeenkomst, die op 4 november 2002 werd afgesloten tussen het Onafhankelijk Ziekenfonds en de heer C. ontvangt deze laatste een vergoeding ingeval van individuele mutatie, aansluiting of een aansluiting bij de dienst Hospitalia of Hospitalia +. Het betreft opnieuw een overeenkomst die bedoeld wordt in artikel 43ter van de wet en waarvoor in de loop van het jaar 2003 een bedrag van 865,00 euro werd uitbetaald. Het wordt niet betwist dat de heer C. tegelijkertijd ingeschreven was als verzekeringstussenpersoon en er worden verder geen specifieke verweermiddelen aangevoerd. De sanctie werd terecht opgelegd. (...) 3.3.11. Mevrouw D.V. . Volgens de overeenkomst die op 6 maart 2003 werd afgesloten met mevrouw D.V. , wonende te Oedelgem, ontving deze laatste een vergoeding ingeval van individuele mutatie, aansluiting of een aansluiting bij de dienst der Hospitalia of Hospitalia + . Een vergoeding werd betaald van 285 euro voor het jaar 2003. Het betreft een overeenkomst die bedoeld wordt door artikel 43ter van de wet van 6 augustus 1990. Mevrouw D.V. had daarnaast een activiteit als verzekeringstussenpersoon. De Landsbond voert echter aan dat uit het PV van vaststelling blijkt dat de activiteit als verzekeringstussenpersoon in Brussel gebeurde (adres van de inschrijving bij de C.B.F.A.), zodat het onmogelijk was dat de beide activiteiten met elkaar vermengd waren. Uit de door de Controledienst voorgelegde documenten, en met name uit een uittreksel uit de telefoongids, blijkt echter dat mevrouw D.V. ook op het adres van haar woonplaats te Oedelem een activiteit uitoefende als verzekeringsmakelaar. In het licht van dit element is er wel degelijk sprake van een overeenkomst die in strijd is met artikel 43ter van de wet van 6 augustus 1990. De sanctie werd terecht opgelegd. 4. De omvang van de sanctie. De Landsbond houdt voor dat de Controledienst een discriminerende houding aanneemt in de mate dat hij een individuele sanctie oplegt ten haren laste, terwijl niet betwist wordt dat de andere mutualiteiten dezelfde praktijken ontwikkelen. Dit verweer wordt door geen enkel feitelijk gegeven onderbouwd en wordt aldus afgewezen. De Landsbond houdt verder voor dat de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn doordat 11 individuele procedures opgestart werden voor de 11 vastgestelde inbreuken, terwijl, omdat het ging om inbreuken van dezelfde aard, de Controledienst, één enkele procedure had kunnen opstarten en aldus één enkele sanctie had kunnen uitspreken. Uit artikel 60bis van de wet van 6 augustus 1990 blijkt dat een sanctie kan opgelegd worden per inbreuk. Zelfs indien één enkele procedure zou opgestart zijn had de Controledienst het recht gehad een sanctie op te leggen per inbreuk. De omstandigheid dat, onafhankelijk van elkaar, met 8 verschillende personen een door de wet verboden overeenkomst werd opgesteld, verantwoordt in redelijkheid dat per verboden overeenkomst één sanctie wordt uitgesproken. De Landsbond vraagt tenslotte, in besluiten na tussenarrest, dat in ieder dossier slechts de minimumsanctie wordt opgelegd. Gelet op het feit dat de heropening van de debatten bevolen werd (ten)einde "het standpunt van de geïntimeerde te kennen" omtrent het voorstel van het auditoraat-generaal om de geldboete in een aantal gevallen te herleiden, kan aangenomen worden dat de Landsbond, na heropening van de debatten, voor de eerste maal een vraag tot vermindering van de sancties indient. De Controledienst heeft in ieder van de weerhouden gevallen een sanctie opgelegd van 3.000 euro, d.w.z. een sanctie gelijk aan twee keer de minimumsanctie en minder dan de helft van de maximumsanctie. Het arbeidshof ziet geen voldoende gronden om de uitgesproken sancties te herleiden. In de weerhouden gevallen gaat het duidelijk om een wetens en willens miskennen van een wettelijk verbod dat de Landsbond zeer goed moest kennen gelet op het feit dat zij deze verbodsbepaling voor het Grondwettelijk Hof heeft aangevochten. Het betreft verder een sanctie die opgelegd werd aan de landsbond, zodat het zonder belang is of bepaalde medewerkers slechts een beperkt voordeel getrokken hebben uit de samenwerking. Tenslotte kan begrepen worden dat de bepaling van het bedrag van de sanctie ook een preventieve aspect inhoudt dat bij het uitspreken van een minimumsanctie niet of minder voorhanden zou zijn. 5. De terugbetaling van de sancties. De Landsbond had voor de eerste rechter de terugbetaling gevraagd van de sancties die zij inmiddels had dienen te betalen. De eerste rechter is op deze vordering ingegaan. Vermits het (arbeids)hof het hoger beroep van de Controledienst gedeeltelijk gegrond verklaard heeft, dient de terugbetaling van de sancties herleid te worden tot een bedrag van 3 x 3.000,00 euro" (arrest, pp. 3-12). Grieven 1. Artikel 43, §1, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen voorziet dat ziekenfondsen en de landsbonden, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 2, kunnen samenwerken met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen. Luidens artikel 43ter, tweede lid, van deze wet van 6 augustus 1990, is verboden elk akkoord dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald in de artikelen 3 en 7, §4, van deze wet, in het kader van beroepsactiviteiten die geheel of gedeeltelijk vallen binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen of ressorteren onder de activiteiten van de banksector zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Voor elke overtreding op de bepalingen van artikel 43ter van de wet van 6 augustus 1990 kan volgens artikel 60bis van deze wet een administratieve geldboete van 1500 euro tot 7500 euro worden uitgesproken. Tegen de beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd kan de landsbond, die deze beslissing betwist, op grond van artikel 60quinquies, §1, van de wet van 6 augustus 1990, verhaal instellen bij de arbeidsrechtbank. De omstandigheid dat het aan de landsbond toekomt een procedure voor de arbeidsrechtbank in te stellen teneinde de beslissing, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, te horen vernietigen, heeft geen verschuiving van de bewijslast tot gevolg. Zoals het arbeidshof terecht beslist (arrest, p. 5, nr. 3.1), komt het - op grond van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 - aan verweerster, die een administratieve geldboete wegens overtreding van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 heeft opgelegd, toe te bewijzen dat de eiser effectief deze wetsbepaling heeft overtreden. 2. Het arbeidshof beslist in het aangevochten arrest dat een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 is bewezen zodra vaststaat dat een persoon, die zich inlaat met de promotie (of distributie of verkoop) van ziekenfondsproducten, daarnaast een activiteit in de sector van de verzekeringsbemiddeling of het bankwezen ontwikkelt. Een daadwerkelijke vermenging van beide activiteiten dient volgens het arbeidshof niet te worden aangetoond (arrest, pp. 4-5, nr. 2.2). Het arbeidshof beslist tevens dat als regel kan worden gesteld dat de persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon/verzekeringsagent, dit beroep ook effectief uitoefent. Indien met de persoon, ingeschreven als verzekeringstussenpersoon, een overeenkomst voor de promotie van ziekenfondsactiviteiten werd gesloten, staat derhalve een overtreding van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 vast, tenzij door de eiser zou worden aangetoond dat deze persoon in werkelijkheid niet of niet meer actief is als verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 5, nr. 3.1). Op grond van deze twee beslissingen, beslist het arbeidshof vervolgens, met betrekking tot de individuele sanctiedossiers, dat de administratieve sanctie terecht werd opgelegd in de dossiers van de nv Assist, de heer C. , de cvba Archimedex, het sociaal verzekeringsfonds VEV, de heer S. , de heer C. en mevrouw D.V. . 3. Om te besluiten tot het bestaan van een door artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 verboden akkoord, volstaat het evenwel niet dat door de verweerder wordt aangetoond dat - een ziekenfonds met een persoon een akkoord heeft gesloten dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door de landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald in artikelen 3 en 7, §4, van de wet van 6 augustus 1990, en - de medecontractant van het ziekenfonds een activiteit ontwikkelt in de sector van de verzekeringsbemiddeling of het bankwezen. Een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 staat immers slechts vast indien wordt aangetoond dat de promotie, distributie of verkoop van een ‘ziekenfondsdienst' geschiedt "in het kader van beroepsactiviteiten die geheel of gedeeltelijk vallen binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen of ressorteren onder de activiteit van de banksector zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen", m.a.w. in het kader van activiteiten als verzekeringstussenpersoon of in het kader van activiteiten in de banksector. Een inbreuk staat dus slechts vast indien een effectieve vermenging van beide activiteiten (enerzijds, de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst en, anderzijds, de activiteiten als verzekeringstussenpersoon of in de banksector) wordt aangetoond. Het arbeidshof schendt derhalve artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 in zoverre het beslist dat de eiser inbreuken op deze wetsbepaling heeft gepleegd en hem derhalve terecht administratieve geldboeten werden opgelegd, op grond van de loutere vaststelling dat overeenkomsten tot promotie, distributie of verkoop van een "ziekenfondsdienst" werden gesloten met personen die tevens een activiteit als verzekeringstussenpersoon ontplooien, zonder dat moet worden aangetoond dat er een daadwerkelijke vermenging van de beide activiteiten bestaat. 4.1 Indien er zou dienen te worden aangenomen dat het bestaan van een door artikel 43ter, tweede lid van de wet van 6 augustus 1990 verboden akkoord vaststaat van zodra wordt aangetoond dat de persoon met wie het ziekenfonds een akkoord heeft gesloten met betrekking tot de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst, een activiteit als verzekeringstussenpersoon ontwikkelt - quod non - dient de verweerder, die wegens overtreding van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 een administratieve geldboete oplegt, alleszins te bewijzen dat de medecontractant van het ziekenfonds daadwerkelijk een beroepsactiviteit als verzekeringstussenpersoon (m.b. een beroepsactiviteit binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen) uitoefent. Het arbeidshof - dat er terecht van uitgaat dat het aan de verweerder, die de sanctie oplegt, toekomt aan te tonen dat er een overtreding van de wet is gebeurd - beslist dat er "in de regel" mag worden van uitgegaan dat de persoon, die promotie maakt voor ziekenfondsdiensten, die tegelijkertijd als verzekeringstussenpersoon is ingeschreven, dit beroep van verzekeringstussenpersoon ook effectief uitoefent. Dit volgt, aldus het arbeidshof, uit het feit dat de inschrijving als verzekeringstussenpersoon, en het behoud ervan, overeenkomstig artikel 10 van de wet (van 27 maart 1995) verbonden is aan een aantal voorwaarden, die het onaannemelijk maken dat een persoon een inschrijving zou behouden indien hij niet daadwerkelijk een activiteit als verzekeringstussenpersoon opneemt : - hij is immers verplicht jaarlijks een inschrijvingsrecht te betalen en een beroeps-aansprakelijkheidsverzekering aan te gaan, en - de beroepsaansprakelijkheidsverzekering moet verplicht een clausule inhouden dat, bij de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst, de verzekeraar daarvan rechtstreeks de CBFA moet verwittigen. De inschrijving als verzekeringsagent is volgens het (...) (arbeidshof) evenwel geen wettelijk onweerlegbaar vermoeden. De eiser blijft vrij aan te tonen dat de persoon met wie een overeenkomst voor promotie van ziekenfondsactiviteiten werd gesloten, niet of niet meer actief was als verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 5, nr. 3.1). Het arbeidshof stelt aldus als regel dat de persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon vermoed wordt ook effectief een activiteit als verzekeringstussenpersoon uit te oefenen, tenzij het tegendeel zou worden aangetoond. 4.2 Naar luid van artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek, zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter uit een bekend feit afleidt om te besluiten tot een onbekend feit. Een wettelijk vermoeden is volgens artikel 1350 van het Burgerlijk Wetboek het vermoeden dat door een bijzondere wetsbepaling met zekere handelingen of zekere feiten verbonden is. Krachtens artikel 1352 van het Burgerlijk Wetboek, ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs. Overeenkomstig artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek, worden vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld (de zogenaamde feitelijke vermoedens) overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen. Feitelijke vermoedens hebben geen algemene draagwijdte, zij gelden niet als regel. De rechter moet integendeel in elk concreet geval afzonderlijk beoordelen of een feitelijk vermoeden bestaat. Het bestaan van een feitelijk vermoeden is dus afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak. Een wettelijk vermoeden geldt daarentegen wel als regel. De wet leidt uit een bekend feit een onbekend feit af en de rechter dient deze regel toe te passen, zonder dat hij in elk concreet geval afzonderlijk dient te onderzoeken of er naar zijn oordeel sprake zou kunnen zijn van een vermoeden. 4.3 In casu stelt het arbeidshof als regel, los van de concrete omstandigheden van de elf zaken die hem werden voorgelegd, dat uit het feit dat een persoon (met wie het ziekenfonds een akkoord sloot) ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon volgt dat deze ook daadwerkelijk een activiteit als verzekeringstussenpersoon uitoefent, behoudens het door het ziekenfonds te leveren tegenbewijs. Aldus stoelt het arbeidshof zijn beslissing op een vermoeden dat als regel geldt, dat echter niet in de wet (noch in de bepalingen van de wet van 27 maart 1995, noch in enige andere wetsbepaling) is voorzien. Het bestreden arrest schendt derhalve de artikelen 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Alleszins kon het arbeidshof zodoende zijn beslissing niet wettig stoelen op een feitelijk vermoeden, nu het niet in concreto onderzoekt of uit de feitelijke gegevens van elke zaak afzonderlijk blijkt dat er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn, doch integendeel uit de wettelijke bepalingen volgens welke de persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon jaarlijks een inschrijvingsrecht moet betalen (artikel 10, 7°, van de wet van 27 maart 1995) en een beroepsaansprakelijk-heidsverzekering moet aangaan (artikel 10, 4°, van de wet van 27 maart 1995, zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007) en dat deze verzekering een clausule moet inhouden dat, bij de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst, de verzekeraar daarvan rechtstreeks de CBFA moet verwittigen (artikel 10, 4°, van de wet van 27 maart 1995, zoals van kracht na wijziging bij wet van 1 maart 2007), als regel afleidt dat de persoon die als verzekerings-tussenpersoon is ingeschreven vermoed wordt, behoudens tegenbewijs, daadwerkelijk een activiteit als verzekeringstussenpersoon uit te oefenen. Het bestreden arrest schendt aldus de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. 4.4 Hoe dan ook kon het arbeidshof in onderhavige zaak, die betrekking heeft op beweerde overtredingen van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990, gepleegd in de periode voorafgaand aan de bestreden administratieve beslissingen van de verweerder, waarvan de laatste dateert van 21 juni 2004 (vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 28 oktober 2005, p. 4, voorlaatste alinea) niet als regel aannemen dat, indien wordt aangetoond dat een persoon, die promotie maakt voor ziekenfondsdiensten, tegelijkertijd overeenkomstig artikel 5 van de wet van 27 maart 1995 is ingeschreven als verzekeringstussenpersoon, deze dit beroep ook effectief uitoefent, op grond van de vaststelling dat de aansprakelijkheidsverzekering die de ingeschreven persoon moet aangaan, een clausule dient in te houden dat, bij de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst de verzekeraar daarvan rechtstreeks de CBFA moet verwittigen (arrest, p. 5, nr. 3.1). De regel, volgens welke de verzekeringsovereenkomst een bepaling bevat die de verzekeringsonderneming bij beëindiging van de overeenkomst de verplichting oplegt de CBFA hiervan in kennis te stellen, werd in artikel 10, 4°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, slechts ingevoerd bij wet van 1 maart 2007, die op 24 maart 2007 in werking is getreden. Deze wetsbepaling is derhalve op onderhavige zaak niet toepasselijk nu de wet, volgens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het bestreden arrest schendt aldus artikel 10, 4°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007, evenals artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. 5.1 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van de nv Assist terecht werd opgelegd nu - met de nv Assist een overeenkomst tot promotie, distributie of verkoop van een dienst ingericht door een landsbond of een ziekenfonds werd gesloten, - de nv Assist een erkenning als verzekeringstussenpersoon had onder nummer 48.713, - de eiser niet aantoont dat de ziekenfonds- en verzekeringsactiviteiten niet op dezelfde plaats gebeurden, hetgeen overigens niet noodzakelijk een inbreuk uitsluit (arrest, p. 6, nr. 3.3.1). Het arbeidshof stelt derhalve vast dat de nv Assist een erkenning als verzekeringstussenpersoon had en een overeenkomst met de eiser sloot met als voorwerp de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst, en dat door de eiser niet wordt aangetoond dat de ziekenfonds- en verzekeringsactiviteiten op verschillende plaatsen gevestigd waren, welk gegeven overigens een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid van de wet van 6 augustus 1990 niet zou uitsluiten, doch stelt niet vast dat de nv Assist daadwerkelijk het beroep van verzekeringstussenpersoon uitoefent en stelt evenmin vast dat de promotie, distributie of verkoop van ziekenfondsdiensten op grond van het litigieuze akkoord geschiedde in het kader van de beroepsactiviteiten in de verzekeringssector. Door aldus, enerzijds, als regel te stellen dat diegene die als verzekeringstussenpersoon is ingeschreven dat beroep ook effectief uitoefent, behoudens tegenbewijs te leveren door de eiser (arrest, p. 5, nr. 3.1 en p. 6, nr. 3.3.1), welk tegenbewijs in casu niet werd geleverd, en door, anderzijds, de overtreding van artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 in het dossier van de nv Assist aan te nemen om reden dat een overtreding van het in deze wetsbepaling voorziene verbod vaststaat zodra wordt vastgesteld dat een persoon die zich inlaat met de promotie, distributie of verkoop van de ziekenfondsactiviteiten, daarnaast een activiteit ontwikkelt in de sector van verzekeringsbemiddeling, zonder dat dient te worden aangetoond dat er een daadwerkelijke vermenging van beide activiteiten is (arrest, p. 4, in fine en p. 6, nr. 3.3.1) schendt het bestreden arrest, enerzijds, de artikelen 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 5 - zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 februari 2006 -, 10, 4°, - zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007 - en 10, 7°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, waarvan het opschrift bij wet van 22 februari 2006 gewijzigd werd in: "wet betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen", en, anderzijds, de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. 5.2 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van de heer C. terecht werd opgelegd nu - een overeenkomst met het ziekenfonds werd gesloten waarbij de heer C. zich ertoe verbindt samen te werken met alle diensten van het ziekenfonds door zijn diensten aan te bieden aan het cliënteel voor alle activiteiten die door het ziekenfonds worden georganiseerd, - de vergoeding in het fiscale document 281.50 wordt aangegeven als "commissielonen, makelaarslonen, handelaarsristorno's" (arrest, p. 7, nr. 3.3.2). Door aldus een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 bewezen te verklaren, nu een akkoord werd gesloten met het ziekenfonds, zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat de ziekenfondsactiviteiten, die voorwerp van die overeenkomst zijn, uitgeoefend worden in het kader van de activiteiten van verzekeringsbemiddeling (arrest, p. 4, in fine en p.7, nr. 3.3.2), schendt het bestreden arrest, de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. 5.3 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van de cvba Archimedex terecht werd opgelegd, nu - een overeenkomst tussen het Onafhankelijk Ziekenfonds Antwerpen en de cvba Archimedex werd gesloten, waarbij laatstgenoemde zich ertoe verbindt de diensten van het Onafhankelijk Ziekenfonds bij zijn leden te propageren en hen aan te raden voor wat de ziekteverzekering betreft zich aan te sluiten bij het Onafhankelijk Ziekenfonds, - de cvba Archimedex een erkend verzekeringsmakelaar is, - de eiser geen concrete verweermiddelen aanvoert (arrest, p. 8, nr. 3.3.4). Door aldus een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 bewezen te verklaren nu, enerzijds, de cvba Archimedex een erkende verzekerings-makelaar is en als regel geldt dat diegene die als verzekeringstussenpersoon is ingeschreven dat beroep ook daadwerkelijk uitoefent, behoudens tegenbewijs dat in casu door de eiser niet wordt geleverd (arrest, p. 5, nr. 3.1 en p. 8, nr. 3.3.4), en nu, anderzijds, een akkoord werd gesloten met het Onafhankelijk Ziekenfonds, zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat de ziekenfondsactiviteiten, die voorwerp van die overeenkomst zijn, uitgeoefend worden in het kader van de activiteiten van verzekeringsbemiddeling (arrest, p. 4, in fine en p. 8, nr. 3.3.4), schendt het bestreden arrest, enerzijds, de artikelen 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 5 - zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 februari 2006 -, 10, 4°, - zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007 - en 10, 7°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, waarvan het opschrift bij wet van 22 februari 2006 gewijzigd werd in: "wet betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen", en, anderzijds, de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60 bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. 5.4 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van het sociaal verzekeringsfonds VEV terecht werd opgelegd, nu - de vzw sociaal verzekeringsfonds VEV jaarlijks een bedrag aan het Onafhankelijk Ziekenfonds 501 aanrekent als vergoeding voor werkingskosten die het gedragen heeft ingevolge het verrichten van het uitvoerend werk in het kader van ziekenfondsactiviteiten ten aanzien van de leden van het ziekenfonds en de commerciële activiteiten die hiermee gepaard gaan, - uit de stukken blijkt dat het sociaal verzekeringsfonds VEV een erkenning als verzekeringsmakelaar heeft (arrest, p. 8, nr. 3.3.5). Door aldus een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 bewezen te verklaren nu, enerzijds het sociaal verzekeringsfonds VEV een erkenning als verzekeringsmakelaar heeft en als regel geldt dat diegene die als verzekerings-tussenpersoon is ingeschreven dat beroep ook daadwerkelijk uitoefent, behoudens tegenbewijs (arrest, p. 5, nr. 3.1 en p. 8, nr. 3.3.5), en nu, anderzijds, het sociaal verzekeringsfonds aan het Onafhankelijk Ziekenfonds 501 kosten aanrekent voor het verrichten van uitvoerend werk in het kader van ziekenfondsactiviteiten ten aanzien van de leden van het ziekenfonds, zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat de ziekenfondsactiviteiten van het sociaal verzekeringsfonds uitgeoefend worden in het kader van de activiteiten van verzekeringsmakelaar, schendt het bestreden arrest, enerzijds, de artikelen 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 5 - zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 februari 2006 -, 10,4° - zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007 - en 10,7° van de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, waarvan het opschrift bij wet van 22 februari 2006 gewijzigd werd in : "wet betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen", en, anderzijds, de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. 5.5 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van de heer S. terecht werd opgelegd nu - het Onafhankelijk Ziekenfonds met de heer S. een overeenkomst sloot, waarbij laatstgenoemde er zich toe verbond samen te werken met alle diensten van het ziekenfonds door zijn diensten aan te bieden aan het cliënteel voor alle activiteiten die door het ziekenfonds worden georganiseerd, - niet betwist wordt dat de heer S. eveneens een activiteit had als verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 9, nr. 3.3.8). Door aldus een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 bewezen te verklaren nu de heer S. , die een activiteit als verzekeringstussenpersoon had, een overeenkomst met het Onaf¬hankelijk Ziekenfonds heeft gesloten, waarbij hij zich ertoe verbindt samen te werken met de diensten van het ziekenfonds, zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat de ziekenfondsactiviteiten van de heer S. uitgeoefend worden in het kader van zijn activiteiten van verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 4, in fine en p. 9, nr. 3.3.8), schendt het bestreden arrest de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. 5.6 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van de heer C. terecht werd opgelegd nu - volgens de overeenkomst tussen het Onafhankelijk Ziekenfonds en de heer C. laatstgenoemde een vergoeding ontvangt ingeval van individuele mutatie, aansluiting of een aansluiting bij de dienst Hospitalia of Hospitalia +, - de heer C. ingeschreven was als verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 10, nr. 3.3.9). Door aldus een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 bewezen te verklaren nu, enerzijds de heer C. ingeschreven was als verzekerings-tussenpersoon en als regel geldt dat diegene die als verzekeringstussenpersoon is ingeschreven dat beroep ook daadwerkelijk uitoefent, behoudens tegenbewijs (arrest, p. 5, nr. 3.1 en p. 10, nr. 3.3.9), en nu, anderzijds, een overeenkomst werd gesloten met het Onafhankelijk Ziekenfonds, zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat de ziekenfonds-activiteiten die voorwerp van die overeenkomst zijn uitgeoefend worden in het kader van de activiteiten van verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 4, in fine en p. 10, nr. 3.3.9), schendt het bestreden arrest, enerzijds, de artikelen 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 5 - zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 februari 2006 - 10, 4°, - zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 22 februari 2006 en 1 maart 2007 - en 10, 7° van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, waarvan het opschrift bij wet van 22 februari 2006 gewijzigd werd in : "wet betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen", en, anderzijds, de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. 5.7 Het arbeidshof beslist dat de administratieve sanctie in het dossier van mevrouw D.V. terecht werd opgelegd nu - een overeenkomst met mevrouw D.V. werd gesloten volgens welke zij een vergoeding ontving ingeval van individuele mutatie, aansluiting of een aansluiting bij de dienst Hospitalia of Hospitalia +, - mevrouw D.V. daarnaast een activiteit als verzekeringstussenpersoon had, die zij ook op het adres van haar woonplaats uitoefende (arrest, pp. 10-11, nr. 3.3.11). Door aldus een inbreuk op artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 bewezen te verklaren nu mevrouw D.V. , die een activiteit als verzekerings-tussenpersoon had, een overeenkomst met het ziekenfonds heeft gesloten zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat de ziekenfondsactiviteiten van mevrouw D.V. uitgeoefend worden in het kader van haar activiteiten van verzekeringstussenpersoon (arrest, p. 4, in fine en pp. 10-11, nr. 3.3.11), schendt het bestreden arrest de artikelen 43, §1, 43ter, tweede lid, en 60 bis, vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 43ter, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, hierna Ziekenfondswet genoemd, bepaalt dat verboden is, elk akkoord dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald in de artikelen 3 en 7, §4, van onderhavige wet, in het kader van beroepsactiviteiten die geheel of gedeeltelijk vallen binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings-bemiddeling en de distributie van verzekeringen of ressorteren onder de activiteiten van de banksector, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Krachtens artikel 43ter, derde lid, van de Ziekenfondswet, worden de promotie, distributie of de verkoop van de producten of diensten, bedoeld in het eerste en het tweede lid, op onweerlegbare wijze vermoed het gevolg te zijn van een geschreven of een stilzwijgend akkoord. 2. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen, die artikel 43ter heeft ingevoegd in de Ziekenfondswet, is deze bepaling verantwoord door de noodzaak, in het belang van de bescherming van de consument, om het onderscheid tussen de ziekenfondssector en de commerciële sector van de banken of de verzekeringsmaatschappijen te versterken en elke verwarring tussen de beide sectoren te vermijden, alsmede door de bekommernis om het privé-leven van de sociaal verzekerden beter te beschermen tegen elke overdracht van persoonlijke informatie van de verplichte en aanvullende verzekering naar de commerciële verzekering. Zij verbiedt ieder akkoord met als voorwerp de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst, door een persoon die een activiteit van verzekeringsbemiddeling of een bankactiviteit uitoefent, zonder dat moet worden aangetoond dat er een effectieve vermenging is van de beide activiteiten. 3. In zoverre het middel aanvoert dat een inbreuk op het in artikel 43ter, tweede lid, van de Ziekenfondswet bepaalde verbod slechts vaststaat indien een effectieve vermenging wordt aangetoond tussen, enerzijds, de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst en, anderzijds, de activiteiten als verzekeringstussenpersoon of in de banksector, faalt het naar recht. 4. Het arrest oordeelt dat in de regel er van mag worden uitgegaan dat indien aangetoond wordt dat een persoon overeenkomstig artikel 5 van de wet van 27 maart 1995 is ingeschreven als verzekeringstussenpersoon, hij dit beroep ook effectief uitoefent, vermits een dergelijke inschrijving en het behoud ervan aan een aantal voorwaarden is verbonden die het onaannemelijk maken dat een persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon niet daadwerkelijk een activiteit als verzekeringstussenpersoon zou uitoefenen, maar dat de eiser vrij blijft aan te tonen dat de persoon met wie een overeenkomst voor promotie van ziekenfondsdiensten werd afgesloten en die ingeschreven was als verzekeringstussenpersoon, in werkelijkheid niet of niet meer actief was in die hoedanigheid. Aldus oordeelt het arrest dat volgens de gewone gang van zaken aangenomen mag worden dat een persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon, daadwerkelijk activiteiten van verzekeringsbemiddeling uitoefent en steunt het zijn beslissing zodoende op een feitelijk vermoeden van overeenstemming met de gewone gang van zaken, waarbij degene die zich op een afwijking van de gewone gang van zaken beroept, het bewijs daarvan dient te leveren. In zoverre het middel aan het arrest verwijt zijn beslissing te steunen op een onbestaand wettelijk vermoeden, mist het feitelijke grondslag. 5. Hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijk vermoeden dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen, niet miskennen of denatureren. Hij mag met name aan de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen verbinden die daarmee in geen enkel verband staan of die, op grond van die feiten, onmogelijk kunnen worden verantwoord. 6. Uit de vaststelling in een aantal van de aan het arbeidshof voorgelegde dossiers dat bepaalde personen met wie de eiser een akkoord had aangegaan voor de promotie, distributie of verkoop van een ziekenfondsdienst, ingeschreven zijn als verzekeringstussenpersoon, hetgeen meebrengt dat zij een jaarlijks inschrijvingsgeld moeten betalen en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering moeten aangaan, kon het arrest, zonder schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, afleiden dat de bedoelde personen dit beroep effectief uitoefenen. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest zijn beslissing niet wettig stoelt op een feitelijk vermoeden, kan het niet worden aangenomen. 7. In zoverre het middel opkomt tegen de reden van het arrest dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering die een persoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon moet aangaan, bovendien een clausule dient in te houden dat bij de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst, de verzekeraar daarvan rechtstreeks de Commissie voor Bank- Financie- en Assurantiewezen moet verwittigen, is het gericht tegen een ten overvloede gegeven reden. In zoverre is het middel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 145,64 euro jegens de eisende partij en op de som van 264,02 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 mei 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.2 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100503.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div