← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.4 Rolnummer: S.09.0058.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-06-04 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-07-02 17:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 6, eerste lid van de wet van 3 april 1995 onder meer tot doel heeft te verhinderen dat een loutere wijziging van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping recht geeft op het voordeel van de in artikel 2, § 1 van die wet bepaalde maatregel. Waar met overdracht van personeel dan ook elke feitelijke overgang van personeel tussen werkgevers wordt geviseerd, is de werkgever gehouden tot terugbetaling van het geheel of het gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen, indien de netto-aangroei van het aantal werknemers ingevolge die feitelijke overgang van personeel correspondeert met de vermindering van het arbeidsvolume bij de vorige werkgever, ook al heeft die vermindering een andere juridische oorzaak. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen Vrije woorden: Werkgever - Bijdragevermindering - Werkgelegenheidsschepping - Overdracht van personeel Wettelijke bepalingen: Wet - 03-04-1995 - Art. 6, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. S.09.0058.N DEWIDAK, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9620 Zottegem, Rodestraat 120, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 16 januari 2009 gewezen door het arbeidshof te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2, §1, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 13 februari 1998, en 6, in de versie van toepassing met ingang van 1 januari 1995 als gevolg van een wijziging bij een wet van 13 februari 1998, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling; - de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, §1, en 22, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 27 december 2004, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 23 en 38, in de versies van toepassing na de wijziging van dat artikel bij een wet van 30 maart 1994 en vóór de wijziging ervan bij een koninklijk besluit van 8 augustus 1997, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt het arbeidshof het vonnis van 2 oktober

  1. Na de zaak tot zich te hebben getrokken, verklaart het arbeidshof de vordering van de verweerder gegrond en veroordeelt het de eiseres dienvolgens tot betaling van 57.018,33 euro aan bijdragevermindering voor het vierde kwartaal 1995 tot en met het eerste kwartaal 1996, vermeerderd met de bijdrageopslagen en de interest tot 29 oktober 2007, verhoogd met de van rechtswege verschuldigde interest aan de wettelijke interestvoet op 30.951,94 euro vanaf 29 oktober
  2. Het arbeidshof neemt die beslissingen op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunen en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende: "4.
  3. Toepassing in voorliggend geval Uit de gegevens van het dossier blijkt duidelijk dat minstens in feite de (negen) werk-nemers van de bvba E.D.W. (die de eiseres aanwierf na 31 december 1994 en waarvoor de vermindering van socialezekerheidsbijdragen werd toegepast waarin wordt voorzien door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling) werden overgedragen aan (de eiseres), precies omdat (de eiseres) de activiteit van de bvba E.D.W. vanaf dat ogenblik verder of opnieuw exploiteerde, ingevolgde de overname van het handelsfonds. Het kan niet duidelijker zijn. De wijze waarop de overdracht is gebeurd en de door de curator uitgevoerde beëindiging van de arbeidsovereenkomsten doet daar niets aan af. Terecht merkt het openbaar ministerie op dat in 1995 en 1996 (de eiseres) de bijdrage-verminderingen (die afhankelijk waren van het aantal werknemers die ervoor in aanmerking kwamen) zelf diende te berekenen. Dit had tot gevolg dat zij op die momenten de oude versie van artikel 6 van de Wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling diende toe te passen. Artikel 6 luidde toen als volgt: "Indien wordt vastgesteld dat akkoorden gesloten met toepassing van deze Titel niet zijn nagekomen of indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van transfers binnen ondernemingen die behoren tot dezelfde groep of dezelfde economische entiteit, zal de werkgever tot terugbetaling gehouden zijn van het geheel of gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels overeenkomstig welke de terugbetaling van ten onrechte ontvangen voordelen dient te geschieden. Hij bepaalt tevens wat dient te worden verstaan onder ondernemingen die behoren tot dezelfde groep of dezelfde economische entiteit." Deze omschrijving in een koninklijk besluit is er nooit gekomen. Dit laatste neemt evenwel niet weg dat de netto-aangroei van het aantal werknemers bij (de eiseres) ten dele het gevolg was van transfers binnen ondernemingen die behoorden tot dezelfde economische groep of dezelfde economische entiteit. Immers, de negen werknemers waren vóór het faillissement werkzaam bij de bvba E.D.W., met als zaakvoerder E.D.W. en als "ingeschreven" bediende A.D.V. , zijn echtgenote, en traden na een korte "omweg" in de werkloosheid collectief in dienst van (de eiseres), waarvan de eigendom grotendeels in handen was van diezelfde A.D.V. en waar E.D.W. als bediende (werfleider) ingeschreven was. De gelijkenissen gingen dus verder dan het gegeven dat beide bedrijven in dezelfde economische sector actief waren. De wet vereiste niet dat de overdracht van het personeel gebeurde in uitvoering van een overeenkomst tussen de oude en de nieuwe werkgever. Het was dan ook best mogelijk dat (de eiseres) overeenkomstig de ten tijde van de aangiften toepasselijke, oude versie van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 zichzelf ten onrechte een deel van deze bijdrageverminderingen heeft toegekend en de corresponderende socialezekerheidsbijdragen niet heeft betaald. Het bepaalde van artikel 6 nieuwe versie wet 3 april 1995, vereist helemaal geen welbepaalde contractuele wijze van overdracht, noch enige overdracht van anciënniteit. Het is duidelijk dat het personeel werd overgedragen (of "overgeheveld" zoals het wordt geformuleerd in de voorbereidende werken) van de bvba E.D.W. naar (de eiseres), weliswaar na de overdracht van het handelsfonds en de activiteit. De wijziging van artikel 6, heeft betrekking op de gevolgen voor de verminderingen van de netto-aangroei van het aantal werknemers in hoofde van de werkgever wanneer deze voortvloeit uit fusie, absorptie of overdracht van personeel (...) en om de ongeoorloofde toekenning te voorkomen van bijdrageverminderingen waartoe werd besloten in het kader van tewerkstellingsakkoorden, ingeval ondernemingen fuseren of worden opgeslorpt, of ingeval werknemers worden overgeheveld, met een vermindering van het arbeidsvolume als gevolg (...). Het blijkt duidelijk dat deze "overdracht" voor wat betreft de bvba E.D.W. aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat, wat eigenlijk ook niet wordt betwist. Want de opzeg van de betrokken werknemers was gerelateerd aan de bvba E.D.W. in faling (zelfde sociaal economische entiteit). Bijgevolg is (de eiseres) gehouden tot terugbetaling van het geheel of gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen" (blz. 7, onderaan, tot 9, bovenaan, van het bestreden arrest). Grieven 1.
  4. Uit de artikelen 1, 14, §1, en 22 van de wet van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-Wet, en de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, hieronder afgekort als Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, volgt dat de verweerder, in geval van onjuiste of onvolledige aangifte, het verschuldigde bedrag aan socialezekerheidsbijdragen, die worden berekend op grond van het loon van de werknemers, ambtshalve moet vaststellen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens, of na alle daartoe nuttige inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken. Van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt de werkgever bij aangetekende brief kennis gegeven. 1.
  5. Op grond van artikel 2, §1, in de versie die in deze zaak van toepassing is, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, hieronder afgekort als wet van 3 april 1995, hebben de werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een nettoaangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, voor elk nieuw aangeworven werknemer aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van 37.500 Belgische frank per trimester, of indien de vermindering van 37.500 BEF hoger is dan het bedrag van de werkge¬versbijdragen voor de sociale zekerheid, een bedrag dat overeenstemt met een volledige vrijstelling van de voornoemde werkgeversbijdragen verschuldigd voor die werknemer. De vermindering van de werkgeversbijdragen wordt toegekend voor zover het bewijs wordt geleverd, volgens de modaliteiten vastgesteld door de Koning, dat de werkgever en de werknemer voldoen aan de vastgestelde toekenningsvoorwaarden, aldus artikel 2, §1, laatste lid, van de wet van 3 april
  6. Dat voordeel kan enkel worden toegekend tijdens de geldigheidsduur van het tewerkstellingsakkoord en uiterlijk tot 31 december
  7. Luidens artikel 6, eerste lid, van de wet van 3 april 1995, zoals met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 1995 vervangen door artikel 28 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, zal, indien wordt vastgesteld dat akkoorden gesloten met toepassing van Titel I ("Tewerkstellings-akkoorden") van die wet niet zijn nagekomen of indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van de opslorping of de fusie van één of meerdere werkgevers of van de overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat, de werkgever tot terugbetaling gehouden zijn van het geheel of gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen. Wanneer tot de uitsluiting van het voordeel van de in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 bedoelde vermindering van werkgeversbijdragen wordt beslist op grond van het feit dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van de overdracht van personeel die voor de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat, is vereist dat die vermindering van het arbeidsvolume bij de overdragende werkgever het gevolg is van de netto-aangroei van het personeel bij de werkgever die het hiervoor bedoelde voordeel geniet.
  8. In regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusies voerde de eiseres aan dat uitsluiting van het voordeel van de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 op grond van een overdracht van personeel, vereist dat een dubbele beweging wordt vastgesteld, nl. enerzijds de vermeerdering van het arbeidsvolume bij de overnemer, en anderzijds en daarmee rechtstreeks in verband staande, de vermindering van het arbeidsvolume bij de overdrager. De vermindering van het arbeidsvolume bij de bvba E.D.W. werd veroorzaakt door het faillissement van die vennootschap, en niet door de overname van de werknemers door de eiseres, zo voerde de eiseres aan (blz. 8, tiende en elfde alinea, en blz. 9, derde alinea, blz. 11, achtste alinea, van de "Besluiten" van de eiseres neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 4 juli 2008). Uit de feitelijke vaststellingen en overwegingen van het arbeidshof volgt dat negen werknemers waarvoor de eiseres het voordeel bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 genoot, vóór diens faillissement werkzaam waren bij de bvba Eric De Winter, en dat zij, weze het korte tijd, werkloos waren (blz. 8, tweede alinea, van het bestreden arrest), alsook dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van die werknemers en derhalve de vermindering van het arbeidsvolume bij de bvba E.D.W. gerelateerd waren aan het faillissement van die bvba (blz. 9, eerste en tweede alinea, van het bestreden arrest). Hoewel het arbeidshof aldus in feite vaststelt dat de vermindering van het arbeidsvolume bij de bvba E.D.W. het gevolg is van haar faillissement en derhalve ook dat die vermindering niet het gevolg is van de netto-aangroei van het personeel bij de eiseres, beslist het arbeidshof dat toch sprake is van een overdracht van personeel, dat de door de curator uitgevoerde beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met de bvba E.D.W. daaraan niets afdoet (blz. 7, derde laatste en voorlaatste alinea, van het bestreden arrest) en dat de overdracht wat betreft de bvba E.D.W. aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume, zodat de eiseres gehouden is tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen voordelen (blz. 9, eerste en derde alinea, van het bestreden arrest). Daardoor schendt het arbeidshof de artikelen 1, 2, §1, en 6 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling. Door vervolgens de vordering van de verweerder gegrond te verklaren en de eiseres te veroordelen tot betaling van 57.018,33 euro aan bijdragevermindering voor het vierde kwartaal 1995 tot en met het eerste kwartaal 1996, vermeerderd met de bijdrageopslagen en de interest tot 29 oktober 2007, meer de interest op 30.951,94 euro vanaf 29 oktober 2007, miskent het arbeidshof tevens de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, §1, en 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 23 en 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Conclusie Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond en verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerder niet wettig gegrond. Dienvolgens veroordeelt het arbeidshof de eiseres niet wettig tot betaling van 57.018,33 euro verhoogd met de van rechtswege verschuldigde interest aan de wettelijke interestvoet op 30.951,94 euro vanaf 29 oktober 2007 (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  9. Krachtens artikel 2, §1, eerste lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, hebben de werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de CAO nr. 60, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume kunnen aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van 37.500 frank per trimester.
  10. Krachtens artikel 6, eerste lid, van de voormelde wet van 3 april 1995, zoals gewijzigd bij wet van 13 februari 1998 met uitwerking vanaf 1 januari 1995, zal de werkgever tot terugbetaling van het geheel of het gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen gehouden zijn, indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van een overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat.
  11. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling onder meer tot doel heeft te verhinderen dat een loutere wijziging van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 bepaalde maatregel. Waar met overdracht van personeel dan ook elke feitelijke overgang van personeel tussen werkgevers wordt geviseerd, is de werkgever gehouden tot terugbetaling van het geheel of het gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen, indien de netto-aangroei van het aantal werknemers ingevolge die feitelijke overgang van personeel correspondeert met de vermindering van het arbeidsvolume bij de vorige werkgever, ook al heeft die vermindering een andere juridische oorzaak.
  12. Het middel dat ervan uitgaat dat er geen aanleiding is tot terugbetaling van de bijdrageverminderingen, omdat de vermindering van het arbeidsvolume bij de vorige werkgever niet het rechtstreeks gevolg is van de overdracht van personeel, maar van het faillissement van deze laatste, kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 160,87 euro jegens de eisende partij en op de som van 292,99 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 mei 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.