id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.5 Rolnummer: S.09.0031.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-06-04 Raadplegingen: 478 - laatst gezien 2026-07-02 17:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verplichting voor de sociale verzekeringskassen om alvorens tot gerechtelijke invordering van bijdragen over te gaan, de onderworpene een laatste herinnering bij ter post aangetekend schrijven toe te sturen, is er op gericht een gerechtelijke invordering en de daarmee gepaard gaande kosten te vermijden. Deze bepaling, waarop door de wet geen specifieke sanctie is gesteld, houdt voor de sociale verzekeringskas een zorgvuldigheidsverplichting in ten aanzien van de onderworpene, waarvan de niet-naleving door de rechter kan worden gesanctioneerd, maar belet niet dat de sociale verzekeringskas tot de gerechtelijke invordering van de verschuldigde bijdragen kan overgaan. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ZELFSTANDIGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Rechtspleging Vrije woorden: Rechtspleging - Sociale verzekeringskas - Invordering van bijdragen - Gebrek aan laatste herinnering Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - Art. 46 Tekst van de beslissing Nr. S.09.0031.N GROEP S SOCIALE VERZEKERINGSKAS VOOR ZELFSTANDIGEN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1060 Brussel, Fonsnylaan 40, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. R.K.A., 2. R.S., 3. R.M., verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweersters woonplaats kiezen. 4. HENDRICKX RADIATOREN, naamloze vennootschap, met zetel te 2200 Herentals, Herentalseweg 210, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder Ann Van Den Daele, met kantoor te 1000 Brussel, Grotehertstraat 2, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 oktober 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 4 oktober 2005; - de artikelen 12, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiseres tot veroordeling van de verweersters tot betaling van socialezekerheids-bijdragen in het sociaal statuut van de zelfstandigen, het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof beslist dat de vordering van de eiseres niet toelaatbaar is, noch t.a.v. J.R. (thans zijn erfgenamen, de eerste, tweede en derde verweerster), noch t.a.v. de vierde verweerster. Het neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende: "De regel van artikel 46 van het ARS besluit (het koninklijk besluit van 19 december 1967, houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen). De (eerste, tweede en derde verweerster) beroepen zich op het voorschrift van artikel 46 van het ARS besluit om de vordering van de (eiseres) als onontvankelijk te horen afwijzen. Het bedoelde artikel bepaalt: ‘Alvorens tot de gerechtelijke invordering over te gaan, moeten de sociale verzekeringskassen, in ieder geval, de onderworpene een laatste herinnering bij ter post aangetekend schrijven toesturen met vermelding van de bedragen waarop de invordering zal slaan ...' Deze bepaling houdt in dat zonder deze laatste herinnering elke gerechtelijke invordering niet toelaatbaar zal zijn. Conclusie Het hof stelt vast dat de (eiseres) in gebreke blijft om de laatste herinnering voor te leggen in de zin van artikel 46 van het ARS-besluit, die noodzakelijkerwijze aan J.R. én aan de (vierde verweerster) moest worden toegestuurd alvorens tot gerechtelijke invordering kon worden overgegaan. Bij gebreke hieraan is de vordering van de (eiseres) niet toelaatbaar, niet lastens J.R. , thans zijn erfgenamen (de eerste, tweede en derde verweerster) en niet lastens de (vierde verweerster). Het hoofdberoep is ongegrond." (blz. 9 t.e.m. blz. 11, eerste alinea, van het bestreden arrest) Grieven 1.1. Overeenkomstig artikel 12 van het Gerechtelijk Wetboek opent de inleidende vordering het rechtsgeding. Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Krachtens artikel 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. De toelaatbaarheid van de vordering kan bovendien afhangen van de naleving van in andere regelgevende bepalingen voorkomende voorwaarden, indien uit die bepalingen blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarde de niet-toelaatbaarheid van de vordering tot gevolg heeft. Overeenkomstig artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hieronder afgekort als het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen, in de versie aangeduid in de aanhef van het middel, moeten de socialeverzekeringskassen, alvorens tot de gerechtelijke invordering over te gaan, in ieder geval, de onderworpene een laatste herinnering bij ter post aangetekend schrijven toesturen met vermelding van de bedragen waarop de invordering zal slaan, en kan deze herinnering gebeuren door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder. Het toesturen van een laatste herinnering vooraleer tot gerechtelijke invordering kan worden overgegaan, is in artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal statuut Zelfstandigen aldus niet voorgeschreven op straffe van niet-toelaatbaarheid van de door de socialeverzekeringskas ingestelde vordering. De verplichting voor de socialeverzekeringskas de onderworpene een laatste herinnering toe te sturen alvorens tot gerechtelijke invordering over te gaan, maakt slechts een verplichting van behoorlijk handelen uit. Het niet toesturen van een laatste herinnering in de zin van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal statuut Zelfstandigen alvorens tot gerechtelijke invordering over te gaan, kan dus niet leiden tot de niet-toelaatbaarheid van de door de sociale verzekeringskas ingestelde vordering. 1.2. Uit de vaststellingen van het arbeidshof en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres, een socialeverzekeringskas voor zelfstandigen, tegen (de rechtsvoorganger van) de eerste, tweede en derde verweerster, en tegen de vierde verweerster een vordering instelde tot betaling van socialezekerheidsbijdragen in het sociaal statuut van de zelfstandigen, vermeerderd met de aanhorigheden (zie o.m. vierde volledige t.e.m. achtste volledige alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen inhoudt dat zonder deze laatste herinnering elke gerechtelijke invordering niet toelaatbaar zal zijn (blz. 9, vierde alinea, van het bestreden arrest). Het beslist dat bij gebreke van een laatste herinnering in de zin van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen de vordering van de eiseres niet toelaatbaar is, noch t.a.v. J.R., thans zijn erfgenamen (dit zijn de eerste, tweede en derde verweerster), noch t.a.v. de vierde verweerster (blz. 10, laatste alinea, en blz. 11, midden, van het beschikkend gedeelte, van het bestreden arrest). Aangezien, zoals hierboven uiteengezet werd onder nummer 1.1., de ontstentenis van een laatste herinnering in de zin van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen niet leidt tot de niet-toelaatbaarheid van de door de sociale verzekeringskas ingestelde vordering, verklaart het arbeidshof niet wettig de vordering van de eiseres (zowel t.a.v. de (rechtsvoorganger van
- de)eerste, tweede en derde verweerster, als t.a.v. de vierde verweerster) niet toelaatbaar wegens miskenning van het voorschrift van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal statuut Zelfstandigen. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de vordering van de eiseres (zowel t.a.v. de (rechtsvoorganger van
- de)eerste, tweede en derde verweerster, als t.a.v. de vierde verweerster) niet toelaatbaar is wegens miskenning van het voorschrift van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen (schending van de artikelen 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in de versie toepasselijk vóór de wijziging ervan door het koninklijk besluit van 4 oktober 2005, 12, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 4 oktober 2005; - de artikelen 2, 3, §1, eerste lid, 6 en 15, §1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; - de artikelen 12, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de door de eiseres tegen de vierde verweerster gestelde vordering tot betaling van socialezekerheids-bijdragen in het sociaal statuut van de zelfstandigen (en aanhorigheden), het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof beslist dat de door de eiseres tegen de vierde verweerster gestelde vordering niet toelaatbaar is. Het neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende: "De regel van artikel 46 van het ARS besluit (het koninklijk besluit van 19 december 1967, houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) De (eerste, tweede en derde verweerster) beroepen zich op het voorschrift van artikel 46 van het ARS besluit om de vordering van de (eiseres) als onontvankelijk te horen afwijzen. Het bedoelde artikel bepaalt: ‘Alvorens tot de gerechtelijke invordering over te gaan, moeten de sociale verzekeringskassen, in ieder geval, de onderworpene een laatste herinnering bij ter post aangetekend schrijven toesturen met vermelding van de bedragen waarop de invordering zal slaan ...'. Deze bepaling houdt in dat zonder deze laatste herinnering elke gerechtelijke invordering niet toelaatbaar zal zijn. Het komt de (eiseres) toe deze laatste herinnering in de geijkte vorm voor te leggen zowel naar J.R. toe als naar de (vierde verweerster). Inderdaad in dit stadium van de beoordeling is het hof geconfronteerd met twee dagvaardingen, die geacht moeten worden van rechtsgeldig te zijn betekend. De hoedanigheid van hoofdelijke schuldenaar, in dewelke de (vierde verweerster) werd aangesproken, brengt mee dat de vordering afzonderlijk tegen haar kan worden gericht. De schuldeiser heeft immers de keuze om hetzij de hoofdschuldenaar aan te spreken, hetzij de hoofdelijke schuldenaar, hetzij allebei. Dit maakt, in de laatste hypothese, dat de toelaatbaarheid van de vordering moet worden beoordeeld zowel gericht tegen de hoofdschuldenaar als tegen de hoofdelijke schuldenaar. Wat de toepassing van artikel 46 van het ARS-besluit betreft, brengt dit mee dat de (eiseres) een laatste herinnering had moeten sturen zowel aan de hoofdschuldenaar (Jef Roef) als aan de hoofdelijke schuldenaar (de (vierde verweerster)) in de mate dat zij lastens beide tot een gerechtelijke invordering wou overgaan. Conclusie Het hof stelt vast dat de (eiseres) in gebreke blijft om de laatste herinnering voor te leggen in de zin van artikel 46 van het ARS-besluit, die noodzakelijkerwijze aan J.R. én aan de (vierde verweerster) moest worden toegestuurd alvorens tot gerechtelijke invordering kon worden overgegaan. Bij gebreke hieraan is de vordering van de (eiseres) niet toelaatbaar, niet lastens J.R., thans zijn erfgenamen ((de eerste, tweede en derde verweerster)) en niet lastens de (vierde verweerster). Het hoofdberoep is ongegrond" (blz. 9 t.e.m. blz. 11, eerste alinea, van het bestreden arrest). Grieven 2.1. Krachtens artikel 15, §1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hieronder afgekort als Sociaal Statuut der Zelfstandigen, is de rechtspersoon hoofdelijk gehouden tot betaling van de bijdragen verschuldigd door haar mandatarissen. Uit de vaststellingen van het arbeidshof en de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt dat de vierde verweerster door de eiseres als hoofdelijke schuldenaar (op grond van artikel 15, §1, derde lid, van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen) werd aangesproken tot betaling van de door de rechtsvoorganger van de eerste, tweede en derde verweerster (blijkens de vaststellingen van het arbeidshof bestuurder en dus mandataris van de vierde verweerster) verschuldigde socialezekerheidsbijdragen in het sociaal statuut van de zelfstandigen (en de aanhorigheden) (zie o.m. blz. 4, zevende volledige alinea, en blz. 9, zevende en negende alinea, van het bestreden arrest). 2.2. Overeenkomstig artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hieronder afgekort als het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen, in de versie aangeduid in de aanhef van het middel, moeten de socialeverzekeringskassen, alvorens tot de gerechtelijke invordering over te gaan, in ieder geval, de onderworpene een laatste herinnering bij ter post aangetekend schrijven toesturen met vermelding van de bedragen waarop de invordering zal slaan, en kan deze herinnering gebeuren door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder. Artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen verplicht aldus enkel de socialeverzekeringskas, alvorens tot de gerechtelijke invordering over te gaan, "de onderworpene" een laatste herinnering toe te sturen. De "onderworpene" is degene die (krachtens de "wet") onder het toepassingsgebied van het sociaal statuut van de zelfstandigen valt. Krachtens artikel 2 van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen zijn de zelfstandigen en de helpers aan dit besluit onderworpen en, in die hoedanigheid, gehouden tot het nakomen van de verplichtingen die het oplegt. Overeen¬komstig artikel 3, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 is een zelfstandige ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst of een statuut. Overeenkomstig artikel 6 van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen is een helper ieder persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden. De rechtspersoon die op grond van artikel 15, §1, derde lid, van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen hoofdelijk gehouden is tot betaling van de bijdragen verschuldigd door haar mandatarissen, is geen "onderworpene" in de zin van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen. Zij is immers enkel hoofdelijk gehouden tot betaling van de bijdragen verschuldigd door haar mandatarissen en is dus niet onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Aangezien artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen de sociale verzekeringskas enkel verplicht, alvorens tot de gerechtelijke invordering over te gaan, de onderworpene een laatste herinnering toe te sturen en de rechtspersoon die op grond van artikel 15, §1, derde lid, van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen hoofdelijk gehouden is tot betaling van de bijdragen verschuldigd door haar mandatarissen, niet kan worden beschouwd als onderworpene, is de socialeverzekeringskas, alvorens tot gerechtelijke invordering bij de hoofdelijk gehouden rechtspersoon over te gaan, niet verplicht aan die hoofdelijke medeschuldenaar een laatste herinnering toe te sturen. 2.3. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat: - "het de (eiseres) toekomt deze laatste herinnering in de geijkte vorm voor te leggen zowel naar J.R. toe als naar de (vierde verweerster)" (blz. 9, vijfde alinea, van het bestreden arrest); - "wat de toepassing van artikel 46 van het ARS-besluit betreft, dit meebrengt dat de (eiseres) een laatste herinnering had moeten sturen zoveel aan de hoofdschuldenaar (J.R.) als aan de hoofdelijke schuldenaar (de (vierde verweerster)) in de mate dat zij lastens beide tot een gerechtelijke invordering wou overgaan" (blz. 9, negende alinea, van het bestreden arrest); en stelt in het bestreden arrest vast dat "de (eiseres) in gebreke blijft om de laatste herinnering voor te leggen in de zin van artikel 46 van het ARS-besluit, die noodzakelijkerwijze aan J.R. én aan de (vierde verweerster) moest worden toegestuurd alvorens rechtsgeldig tot gerechtelijke invordering kon worden overgegaan" (blz. 10, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Uit die overwegingen en die vaststelling van het arbeidshof blijkt dat het arbeidshof van oordeel is dat de socialeverzekeringskas (de eiseres), alvorens tot gerechtelijke invordering bij de hoofdelijke medeschuldenaar (de vierde verweerster) over te gaan, verplicht is de hoofdelijke medeschuldenaar (de vierde verweerster) een laatste herinnering toe te sturen. Zoals hierboven uiteengezet werd onder nummer 2.2., verplicht artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen de socialeverzekeringskas die wenst over te gaan tot gerechtelijke invordering bij de hoofdelijke medeschuldenaar, niet tot het toesturen van een laatste herinnering aan die hoofdelijke medeschuldenaar. Het arbeidshof gaat er derhalve niet wettig van uit dat de eiseres (de socialeverzekeringskas) ook verplicht was aan de vierde verweerster (de hoofdelijke medeschuldenaar) een laatste herinnering toe te sturen, en verklaart dan ook niet wettig de door de eiseres tegen de vierde verweerster (hoofdelijke medeschuldenaar) gestelde vordering niet toelaatbaar om reden dat de vierde verweerster (hoofdelijke medeschuldenaar) geen laatste herinnering werd toegestuurd. Conclusie Door ervan uit te gaan dat artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 4 oktober 2005, de eiseres (socialeverzekeringskas) verplicht, alvorens tot gerechtelijke invordering over te gaan, de vierde verweerster (hoofdelijke medeschuldenaar) een laatste herinnering toe te sturen, schendt het arbeidshof dat artikel, evenals de artikelen 2, 3, §1, eerste lid, 6 en 15, §1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Het arbeidshof verklaart dan ook niet wettig de door de eiseres tegen de vierde verweerster (hoofdelijke medeschuldenaar) gestelde vordering niet toelaatbaar (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid 1. De eerste, tweede en derde verweersters voeren aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, vermits de beslissing dat de vordering van de eiseres niet toelaatbaar is, verantwoord blijft door de andere vaststellingen van het arrest. 2. In zoverre wordt aangevoerd dat de eiseres niet de vereiste hoedanigheid had om tot invordering over te gaan, blijkt dit niet uit de vaststellingen van het arrest. 3. In zoverre wordt aangevoerd dat de vordering verjaard is, verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten. 4. De gronden van niet ontvankelijkheid van het middel kunnen niet worden aangenomen. Middel zelf 5. Artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de sociale verzekeringskassen alvorens tot de gerechtelijke invordering van bijdragen over te gaan, in ieder geval, de onderworpene een laatste herinnering bij ter post aangetekend schrijven moeten toesturen met vermelding van de bedragen waarop de invordering zal slaan. 6. Deze verplichting, waarop door de wet geen specifieke sanctie is gesteld, is er op gericht een gerechtelijke invordering en de daarmee gepaard gaande kosten te vermijden. Deze bepaling houdt voor de sociale verzekeringskas een zorgvuldigheids-verplichting in ten aanzien van de onderworpene, waarvan de niet-naleving door de rechter kan worden gesanctioneerd. Zij belet niet dat de sociale verzekerings-kas tot de gerechtelijke invordering van de verschuldigde bijdragen kan overgaan. 7. De appelrechters konden dan ook niet, zonder schending van artikel 46 van het Algemeen Reglement Sociaal Statuut Zelfstandigen, oordelen dat de vordering van de eiseres niet toelaatbaar was. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 mei 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110311.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div