← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.4 Rolnummer: C.09.0363.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-07-02 17:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wetgever die in de wet van 7 november 1988 de bedrijfszekerheid van de pachter heeft willen verhogen door de aanpassing van de bestaande wettelijke regeling, heeft er niet voor geopteerd de minimumduur van de pachtovereenkomsten dwingend te verlengen, maar hij heeft integendeel, naast het bestaande pachtcontract dat dwingend toepasselijk is, de partijen de mogelijkheid geboden vrijwillig gebruik te maken van twee nieuwsoortige contracten, die de pachter het voordeel bieden van de lange duur en de verpachter de garantie bieden dat hij deze contracten na verloop van tijd makkelijker kan beëindigen. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid om een bestaande pachtovereenkomst om te zetten in een pachtcontract zoals bedoeld in artikel 8, §2 van de Pachtwet, zoals ingevoegd door artikel 6 van de wet van 7 november 1988 en de wetgever heeft ook niet de bedoeling gehad de bedrijfszekerheid van de pachter die reeds voor het inwerkingtreden van de wet van 7 november 1988 een pacht van ten minste zevenentwintig jaar had bedongen, te verminderen door aan de verpachter een extra reden van opzegging te geven. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Opzegging Vrije woorden: Artikel 8, § 2 Pachtwet - Pacht van minstens 27 jaar - Finaliteit - Opzeggingsmogelijkheden voor de verpachter Wettelijke bepalingen: Wet - 07-11-1988 - Art. 8, § 2 van de Pachtwet Tekst van de beslissing Nr. C.09.0363.N

  1. C.R.,
  2. C.A., eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen
  3. J.R.,
  4. L.E., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 19 maart 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 april 2010 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 8, §2, van de Pachtwet van 7 november 1988; - artikel 44 van de Pachtwet van 7 november
  5. Aangevochten beslissing Het appelgerecht verklaart de door de verweerders ingestelde vordering tot ongeldigverklaring van de opzeg gegrond, op grond van de volgende overwegingen (p. 4 t.e.m. 7 bestreden vonnis): "Bij artikel 44 van de wet van 7 november 1998 werd gesteld dat de in die wet vervatte regels van toepassing zijn op alle pachten die bij haar inwerkingtreding lopen of verlengd zijn, onder voorbehoud van een viertal elementen, onder andere het feit dat de lopende pachtovereenkomsten in onderlinge overeenstemming kunnen omgezet worden in loopbaanpachten overeenkomstig artikel 14 van de afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II BW. Voormelde bepaling verwijst naar de loopbaanpacht, zijnde een in artikel 8, §3, van de pachtwet voorziene uitzondering op artikel 4, waarbij de pacht wordt afgesloten voor een vaste duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter 65 jaar zal zijn en de leeftijd van de pachter, hetgeen minstens 27 jaar moet omvatten. Loopbaanpacht is, naast het pachtcontract van ten minste 27 jaar, twee nieuwe variaties die in de Pachtwet van 1988 werden ingevoerd." (...) (randnr. 42.1 bestreden vonnis) "De wetgever heeft aldus twee totaal nieuwe variaties in het leven geroepen, opgenomen in de paragrafen 2 en 3 van artikel 8 van de Pachtwet, zijnde het pachtcontract van ten minste 27 jaar (§2) en de loopbaanpacht (§3), elk met specifieke kenmerken en gevolgen." (...) "Krachtens artikel 44 van de Pachtwet werden alle in die wet vervatte regels van toepassing gesteld op alle pachten, die bij haar inwerkingtreding lopen of verlengd zijn, hetgeen inhoudt dat een afwijking gecreëerd werd van artikel 2 B.W. Wel kan men slechts uit de Pachtwet afleiden dat artikel 8, §2, (net als §3) een nieuw type pacht invoert en creëert (zie hoger). Het oude artikel 8 daarentegen werd opgenomen in het nieuwe artikel 8, §1, van de Pachtwet. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de pachtovereenkomsten die op het ogenblik van de inwerkingstreding van de Pachtwet lopende waren of verlengd waren onder toepassing vallen van artikel 8, §1, van de Pachtwet, vermits de paragrafen 2 en 3 twee totaal nieuwe types met specifieke gevolgen hebben ingevoerd."(...) "Nergens blijkt echter dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om het nieuwe artikel 8, §2, van de Pachtwet toe te passen op de bestaande pachtovereenkomsten van tenminste 27 jaar. De rechtbank verwijst in eerste instantie naar artikel 44, 2°, van de wet van 7 november 1988, waarbij de mogelijkheid werd gegeven om de lopende pachtovereenkomsten in onderlinge overeenstemming om te zetten in loopbaanpachten, en dit overeenkomstig artikel 14 van de Pachtwet. Deze omzetting werd niet uitdrukkelijk voorzien in de overgangsbepalingen voor wat betreft de in artikel 8, §2, van de Pachtwet ingevoerde lange pacht. De rechtbank vindt steun voor haar redenering in het feit dat, indien artikel 8, §2, van de Pachtwet wel van toepassing zou worden verklaard op de lopende pachtovereenkomsten, dit voor de pachter weliswaar het voordeel zou hebben dat de opzeggingstermijn wordt verlengd, maar dit zou tegelijk het nadeel hebben dat de opzeggingsmogelijkheden van de verpachter worden verruimd en dat de mogelijkheden om een bevoorrechte pachtoverdracht te bewerkstelligen, worden beperkt. Uit de voorbereidende werken van de wet van 1988 is duidelijk gebleken dat het doel van de wet, en in het bijzonder van het invoeren van twee nieuwe types pachtovereenkomsten, gelegen is in het meer verlenen van waarborgen aan de landbouwer die geen eigenaar, maar pachter is, inzake de zekerheid van het voortbestaan van zijn bedrijf (voorstel L.R. (stuk 3 (verweerders)). Men wilde dus meer bedrijfszekerheid garanderen. Wanneer men zou geopteerd hebben voor de toepassing van artikel 8, §2, van de Pachtwet op de lopende pachtovereenkomsten van ten minste 27 jaar, zou dit aldus voor gevolg hebben dat, in plaats dat de pachter extra zou beschermd worden, er meer ontnomen wordt dan hij bijwint... De toepassing van artikel 8, §2, van de Pachtwet geeft aan de ene kant een ruimere vrijheid voor de eigenaar en aan de andere kant meer bedrijfszekerheid voor de pachter. Het is dus een contract die door partijen vrij kan worden overeengekomen en die een variatie of een alternatief zijn voor de gewone pacht. Artikel 8, §2, (en ook §3 natuurlijk) van de Pachtwet is dus een afwijking van de gewone pacht met specifieke regelingen en het is van toepassing op voorwaarde dat het afgesloten contract beantwoordt aan de essentiële kenmerken van de loopbaanpacht (§3) of de pacht van minstens 27 jaar (§2)." (randnr. 4.2.2 bestreden vonnis) Het bestreden vonnis beslist vervolgens tot de ongeldigverklaring van de opzeg op volgende gronden: (randnr. 4.2.2 bestreden vonnis slotoverwegingen p. 6): "Bij het aangaan van de oorspronkelijke pachtovereenkomsten van meer dan 27 jaar vóór de wet van 7 november 1988 hadden partijen derhalve nooit die bewuste keuze kunnen maken om de eenvoudige reden dat de gevolgen van die keuze pas ingevoerd werden bij wet van 7 november
  6. Een pacht van minstens 27 jaar afgesloten vóór de inwerkingtreding van de pachtwet van 7 november 1988 kan dan ook nooit aan(ge)zien worden als een langlopende pacht in de zin van artikel 8, §
  7. De opzeg, gegeven door (eiseressen tot cassatie) bij aangetekende brieven van 22.12.2005 en gebaseerd op artikel 8, §2, van de Pachtwet, kunnen derhalve niet als geldig worden beschouwd." Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek, 8, §2, en 44 van de Pachtwet van 7 november 1988 en van artikel 149 van de Grondwet 1.
  8. Conform artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek heeft de wet geen terugwerkende kracht en regelt zij enkel de toekomstige gevolgen, niet alleen van toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook van onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of zich voortzetten onder toepassing van de nieuwe wet, voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Inzake overeenkomsten geldt specifiek de regel dat de oude wet van toepassing blijft, ook op de toekomstige gevolgen, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten. Krachtens de overgangsbepalingen vervat in artikel 44 (hoofdstuk IV) van de Wet van 7 november 1988 zijn alle in deze wet bepaalde regels betreffende de pacht van toepassing op alle pachten die bij haar inwerkingtreding lopen of verlengd zijn, onder voorbehoud van bepaalde uitzonderingen, die te dezen niet in aanmerking komen. Daaruit volgt dat, hoewel artikel 8, §2, van de Pachtwet niet bestond bij de aanvang van de pachtovereenkomst tussen (de rechtsvoorgangers) van partijen, dat artikel niettemin dient te worden toegepast bij de beoordeling van de geldigheid van de opzegging door eiseressen tot cassatie van de pachtovereenkomsten die nog liepen bij de inwerkingtreding van de Pachtwet van 7 november
  9. 1.
  10. Door te beslissen dat "men slechts uit de Pachtwet (kan) afleiden dat artikel 8, §2, (net als §3) een nieuw type pacht invoert en creëert (...)", dat "hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de pachtovereenkomsten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de Pachtwet lopende waren of verlengd waren onder toepassing vallen van artikel 8, §1, van de Pachtwet, vermits de paragrafen 2 en 3 twee totaal nieuwe types met specifieke gevolgen hebben ingevoerd." (...), en dat "nergens (uit) blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om het nieuwe artikel 8, §2, van de Pachtwet toe te passen op de bestaande pachtovereenkomsten van tenminste 27 jaar" (cf. randnr. 4.2.2, p. 5 van het arrest), miskent het bestreden arrest de draagwijdte van artikel 44 van de Pachtwet van 7 november 1988 en sluit het de toepassing van deze wetsbepaling op de pachtovereenkomsten van minstens 27 jaar die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de in de Pachtwet van 7 november 1988 bepaalde regels niet wettig uit (schending van de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek, en 44 van de Pachtwet van 7 november 1988). Bovendien weigert het vonnis aldus niet wettig artikel 8, §2, van de Pachtwet toe te passen op de betrokken pachtovereenkomsten (schending van artikel 8, §2, van de Pachtwet van 7 november 1988). 1.
  11. Overeenkomstig de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsverplichting mag een rechterlijke beslissing geen tegenstrijdigheid bevatten tussen haar motieven. 1.
  12. Door bovendien tot staving van haar beslissing om artikel 8, §2, van de Pachtwet niet toe te passen op bedoelde pachtovereenkomsten enerzijds te overwegen: "(...) Men wilde dus (voor de pachter) meer bedrijfszekerheid garanderen. Wanneer men zou geopteerd hebben voor de toepassing van artikel 8, §2, van de Pachtwet op de lopende pachtovereenkomsten van ten minste 27 jaar, zou dit aldus voor gevolg hebben dat, in plaats dat de pachter extra zou beschermd worden, er meer ontnomen wordt dan hij bijwint..." en anderzijds vast te stellen: "De toepassing van artikel 8, §2, van de Pachtwet aan de ene kant een ruimere vrijheid (geeft) voor de eigenaar en aan de andere kant meer bedrijfszekerheid voor de pachter" (cf. randnr. 4.4.2, p. 6, derde tot vijfde alinea bestreden vonnis) oordeelt de rechtbank in het vonnis tegelijk dat artikel 8, §2, van de Pachtwet "geen" en "wel" meer "bedrijfszekerheid" biedt aan de pachter. 1.
  13. Door deze tegenstrijdigheid tussen de motieven van het vonnis is de aangevochten beslissing niet regelmatig gemotiveerd, wat een schending oplevert van artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 8, §2, van de Pachtwet van 7 november 1988 2.
  14. Artikel 8, §2, eerste lid, van de Pachtwet bepaalt: "In afwijking van artikel 4 kunnen de partijen een pacht van minstens 27 jaar afsluiten. (...) 2.
  15. Deze wetsbepaling vermeldt geen andere vereisten voor de toepassing van het tweede lid m.b.t. de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden bedoelde pacht te beëindigen. 2.
  16. In zover het appelgerecht oordeelt dat er twee soorten pachtcontracten naast elkaar kunnen bestaan, met name de "gewone" pachtcontracten van minstens 27 jaar ex artikel 8, §1, Pachtwet, en de "afwijkende" pachtcontracten van minstens 27 jaar ex artikel 8, §2, Pachtwet, waarbij "de pachtovereenkomsten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de Pachtwet lopende waren onder toepassing vallen van artikel 8, §1, van de Pachtwet" nu "het oude artikel 8 werd opgenomen in het nieuwe artikel 8, §1, van de Pachtwet" en "vermits de paragrafen 2 en 3 (van artikel 8) twee totaal nieuwe types met specifieke gevolgen hebben ingevoerd" (vonnis, randnr. 4.2.2 p. 5), en uiteindelijk beslist - m.b.t. de pachtovereenkomst bedoeld in artikel 8, §2, - dat het dus "een contract (is) die door partijen vrij kan worden overeengekomen en die een variatie of een alternatief zijn voor de gewone pacht" (p. 6), voegt het appelgerecht aan de bepaling van voormeld artikel 8, §2, een voorwaarde toe die deze bepaling niet vermeldt. 2.
  17. Door vervolgens de opzeg door de eiseressen bij aangetekende brieven van 22 december 2005 ongeldig te verklaren op volgende gronden: "Bij het aangaan van de oorspronkelijke pachtovereenkomsten van meer dan 27 jaar vóór de wet van 7 november 1988 hadden partijen derhalve nooit die bewuste keuze kunnen maken om de eenvoudige reden dat de gevolgen van die keuze pas ingevoerd werden bij wet van 7 november
  18. Een pacht van minstens 27 jaar afgesloten vóór de inwerkingtreding van de Pachtwet van 7 november 1988 kan dan ook nooit aanzien worden als een langlopende pacht in de zin van artikel 8, §2." (vonnis, p. 6 in fine), verantwoordt de rechtbank haar beslissing niet naar recht (schending van artikel 8, §2, van de Pachtwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  19. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 8, §2, van de Pachtwet en 44 van de wet van 7 november 1988 schenden doordat zij de opzegging van pacht, gesteund op dit artikel 8, §2 niet geldig verklaren.
  20. Het bestreden vonnis stelt vast dat de rechtsvoorgangers van de eiseressen met ingang van 31 december 1978 een aantal landgoederen verpacht hebben aan de rechtsvoorgangers van de verweerders voor een termijn van dertig jaar en dat de eiseressen op grond van artikel 8, §2, derde lid, van de Pachtwet opzegging hebben gegeven om hun goederen te vervreemden.
  21. De eiseressen gaan ervan uit dat zij op grond van artikel 8, §2, derde lid, van de Pachtwet opzegging kunnen geven, vermits artikel 44, aanhef, van de wet van 7 november 1988, in afwijking van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de in deze wet vervatte regels van toepassing zijn op alle pachten die bij de inwerkingtreding lopen of verlengd zijn.
  22. De wet van 7 november 1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen, heeft niet alleen de bestaande Pachtwet van 4 november 1969 gewijzigd teneinde de bescherming van de pachter en zijn bedrijfszekerheid te verhogen. Hij heeft eveneens geïnnoveerd door in artikel 8 van de Pachtwet, naast het traditionele pachtcontract dat overeenkomstig artikel 4 in de regel niet korter mag zijn dan negen jaar, twee nieuwe types van pachtcontracten in te voeren die afwijken van de regel van artikel
  23. Waar de Pachtwet van 4 november 1969 voorzag in een verplichte minimumduur, die door de partijen conventioneel kon worden uitgebreid, heeft de wet van 7 november 1988 de verpachter willen stimuleren om de pachter een grotere bedrijfszekerheid te bieden door het toestaan van een pacht van ten minste zevenentwintig jaar of door het toestaan van een loopbaanpacht, die niet korter mag zijn dan zevenentwintig jaar. De wetgever die in de wet van 7 november 1988 de bedrijfszekerheid van de pachter heeft willen verhogen door de aanpassing van de bestaande wettelijke regeling, heeft er niet voor geopteerd de minimumduur van de pachtovereenkomsten dwingend te verlengen. Hij heeft integendeel naast het bestaande pachtcontract dat dwingend toepasselijk is, de partijen de mogelijkheid geboden vrijwillig gebruik te maken van twee nieuwsoortige contracten, die de pachter het voordeel bieden van de lange duur en de verpachter de garantie bieden dat hij deze contracten na verloop van tijd makkelijker kan beëindigen. De wetgever heeft in artikel 44, 2°, van de wet van 7 november 1988 de partijen de mogelijkheid geboden een bestaande pachtovereenkomst om te zetten in een loopbaanpacht zoals geregeld door artikel 6 van de wet en ingevoegd in artikel 8, §3, van de Pachtwet. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid om een bestaande pachtovereenkomst om te zetten in een pachtcontract zoals bedoeld in artikel 8, §2, van de Pachtwet, zoals deze paragraaf is ingevoegd door artikel 6 van de wet van 7 november
  24. De wetgever heeft ook niet de bedoeling gehad de bedrijfszekerheid van de pachter die reeds voor het inwerkingtreden van de wet van 7 november 1988 een pacht van ten minste zevenentwintig jaar had bedongen, te verminderen door aan de verpachter een extra reden van opzegging te geven.
  25. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de opzeggingsmogelijkheid bedoeld in artikel 8, §2, derde lid, van de Pachtwet, zoals dit is ingevoegd door de wet van 7 november 1988, ook van toepassing is als het pachtcontract voorheen is gesloten en voorziet in een minimumduur van ten minste zevenentwintig jaar, faalt in zoverre naar recht.
  26. Het Hof ontwaart de aangevoerde tegenstrijdigheid niet, zodat het onderdeel in zoverre het schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, feitelijke grondslag mist. Tweede onderdeel
  27. Het onderdeel gaat uit van de stelling dat artikel 8, §2, van. de Pachtwet niet alleen van toepassing is op de pachtcontracten gesloten na het inwerkingtreden van de wet van 7 november 1988, maar ook op de voorheen gesloten pacht-contracten van ten minste zevenentwintig jaar. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel tevergeefs aangevoerde grief. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 530,93 euro jegens de eisende partijen en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 17 mei 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.