id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.5 Rolnummer: C.09.0616.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-02 17:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gerechtelijk stadionverbod, zoals bedoeld in artikel 41 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, is een straf waarop het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. Dit stadionverbod onderscheidt zich dan ook van het administratief stadionverbod, bedoeld in artikel 24 van voormelde wet, zijnde een administratieve sanctie die op grond van een administratieve procedure wordt opgelegd. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Sport - Sporttakken - Voetbal Vrije woorden: Voetbalwet - Gerechtelijk stadionverbod - Administratieve sanctie - Onderscheid Wettelijke bepalingen: Wet - 21-12-1998 - Art. 41 Fiche 2 Een op tegenspraak gewezen arrest van een hof van beroep waarbij wegens een in een voetbalstadion begaan misdrijf een strafrechtelijke veroordeling met een gerechtelijk stadionverbod wordt uitgesproken, verkrijgt kracht van gewijsde en is uitvoerbaar na het verstrijken van de termijn van 15 vrije dagen vanaf de uitspraak, op voorwaarde dat tegen dit arrest binnen deze termijn geen cassatieberoep wordt aangetekend overeenkomstig artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie moet zorgen voor de tenuitvoerlegging van de beslissing van de strafrechter over de strafvordering, waartoe de beslissing omtrent het gerechtelijk stadionverbod behoort. De omstandigheid dat het openbaar ministerie hiervoor overeenkomstig artikel 45 van de wet van 21 december 1998 een beroep doet op de Directie Veiligheids- en Preventiebeleid- Voetbalcel, doet hieraan geen afbreuk. De omstandigheid dat het begin en einde van het uitgesproken stadionverbod aan deze directie ter kennis wordt gebracht en deze mededeling volgens de strafrechtspleging niet aan de betrokkene wordt gedaan, is het normaal gevolg van het feit dat de bedoelde directie geen partij was in de strafprocedure en de betrokkene wel. Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Sport - Sporttakken - Voetbal Vrije woorden: Strafuitvoering - Gerechtelijk stadionverbod - Openbaar ministerie - Kennisgeving van begin en einde van het stadionverbod - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 21-12-1998 - Artt. 41 en 45 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0616.N BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, voor wie optreedt de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, met kantoor van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, Voetbalcel, te 1000 Brussel, Waterloolaan 76, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen P.L. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 9 februari 2009 in laatste aanleg gewezen door de politierechtbank te Tongeren. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 april 2010 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift tot cassatie een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.