← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.6 Rolnummer: S.09.0038.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-02 17:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter mag het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten niet toepassen wanneer die toepassing onverenigbaar is met de ondubbelzinnige wil van de wetgever, tenzij door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld dat de bedoelde wetsbepaling de Grondwet schendt. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten - Toepassing - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten - Toepassing - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Algemeen rechtsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. S.09.0038.N

  1. M.J.,
  2. M.D., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 januari 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet, zoals dat bevestiging vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - voor zoveel als nodig de artikelen 60 (vóór zijn wijziging bij wet van 31 juli 1984), 61 (vóór zijn vervanging bij wet van 31 juli 1984), 62 (vóór en na zijn wijziging bij wet van 7 november 1987 en vóór zijn wijziging bij wet van 30 december 1988), 64, 65, 67, 68, 71 en 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen; - en voor zoveel als nodig de artikelen 4 en 6 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen. Bestreden beslissing De zevende kamer van het arbeidshof te Brussel verklaart in het thans bestreden arrest van 15 januari 2009 het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter. Het incidenteel hoger beroep wordt gegrond verklaard. De eiser wordt veroordeeld tot betaling van

(1)het bedrag van 11.518,22 euro als bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid voor het jaar 1982, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten aan een intrestvoet van 1,25 pct. per maand vanaf 1 december 1982 tot en met 31 januari 1988, en aan een intrestvoet van 0,8 pct. per maand vanaf 1 februari 1988 tot en met de maand van de volledige betaling en van
(2)het bedrag van 4.458,81 euro als bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid voor het jaar 1983, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten aan een intrestvoet van 1,25 pct. per maand vanaf 1 december 1983 tot en met 31 januari 1988, en aan een intrestvoet van 0,8 pct. per maand vanaf 1 februari 1988 tot en met de maand van de volledige betaling. De eiseres wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 22,46 euro als bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid voor het jaar 1982, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten aan een intrestvoet van 1,25 pct. per maand vanaf 1 december 1982 tot en met 31 januari 1988, en aan een intrestvoet van 0,8 pct. per maand vanaf 1 februari 1988 tot en met de maand van de volledige betaling. De eisers worden tevens veroordeeld tot de kosten in beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer gegrond op volgende gronden (arrest vanaf p. 5): "
  1. (De eisers) houden voor dat het opleggen, door een wet van 28 december 1983 van een bijdrage voor de aanslagjaren 1983 en 1984 strijdig is met het grondwettelijk beginsel van de niet retroactiviteit van de wet. Zij stellen daarbij dat de ingestelde bijdrage in feite een fiscale heffing is, waarvan de niet-retroactiviteit uitdrukkelijk voorzien wordt door artikel 171 van de Grondwet. In ondergeschikte orde stellen (de eisers) dat de wet van 28 december 1983 in ieder geval de intresten niet kon laten lopen vanaf 1 december van het jaar waarop de bijdragen betrekking hadden, omdat zij niet in gebreke konden zijn een bijdrage te betalen waarvan de wettelijke basis slechts werd vastgelegd op 28 december
  2. In nog meer ondergeschikte orde stellen (de eisers) dat het bedrag van de intresten in ieder geval moet herleid worden wegens het gebrek aan diligentie dat (de verweerder) aan de dag zou gelegd hebben voor het instellen en de verdere behandeling van de vordering.
  3. Met de eerste rechter dient vastgesteld te worden dat het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet enkel is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en niet als dusdanig in de Grondwet. De wetgever heeft aldus, onder voorbehoud van hetgeen verder gesteld wordt met betrekking tot het respect van het gelijkheidsbeginsel, steeds de mogelijkheid af te wijken van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet. De rechter moet de nieuwe wet op het verleden toepassen indien zulks de uitdrukkelijke of de stilzwijgende, maar zekere bedoeling van de wetgever is geweest (...). De bepaling van artikel 171 van de Grondwet, die voorziet dat de belastingen jaarlijks moeten worden gestemd en slechts voor 1 jaar gelden kan, zelfs als ze van toepassing zou zijn op de betwiste bijdrage, geen grondslag bieden voor de niet toepassing van de wet van 28 december
  4. De rechter vermag immers, onder voorbehoud van de bevoegdheden van het Grondwettelijk Hof en de mogelijkheid om een prejudiciële vraag te stellen, de wet niet toetsen aan de Grondwet. Welnu de wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voorziet niet in de mogelijkheid voor het Grondwettelijk Hof om de naleving van artikel 171 van de Grondwet te toetsen. Wel kan er sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel indien, ten gevolge van de terugwerkende kracht van een wet, die een onregelmatigheid herstelt die aangeklaagd was voor de Raad van (...) State, of voor een andere jurisdictie, de Raad van State of de gewone rechter in de onmogelijkheid worden gesteld zich uit te spreken over de eventuele onregelmatigheid van een norm die aan hun beoordeling wordt voorgelegd. Het Grondwettelijk Hof heeft zich echter in zijn arrest nr.
(46)van 15 juni 1993 reeds uitgesproken over deze kwestie met betrekking tot de wet van 28 december
  1. In dit arrest stelde het Grondwettelijk Hof vast dat er weliswaar sprake was van een ongelijke behandeling, doch dat voor dit verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording voorhanden was. De wetgever vermocht, aldus het Grondwettelijk Hof, de aangelegenheid van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid bij wet regelen, ook naar het verleden toe, met het doel zelf de bevoegdheid uit te oefenen, waarvan betwist werd dat hij deze had kunnen delegeren. Het (arbeids)hof sluit zich aan bij dit arrest, dat in de lijn ligt van andere uitspraken van het Grondwettelijk Hof (...).
  2. Eveneens ten onrechte voeren (de eisers) aan dat artikel 62 van de wet van 28 december 1983 hen niet kon verplichten op 1 december van het jaar, waarvoor de bijdrage verschuldigd was, een provisionele betaling te doen op de verschuldigde bijdrage, en de intresten van rechtswege te laten lopen vanaf die datum. De verplichting om een provisionele bijdrage te betalen was opgenomen in de koninklijke besluiten van 16 juli 1982 en 30 december
  3. De wet van 28 december 1983 heeft in zijn artikel 71 deze koninklijke besluiten weliswaar ingetrokken, maar heeft de inhoud daarvan hersteld door diezelfde bepalingen, enigszins aangepast, met retroactieve kracht in werking te stellen op de data waarop de oorspronkelijke koninklijke besluiten uitwerking hadden. De verplichting om een provisionele betaling te doen op 1 december van het jaar waarvoor de bijdrage verschuldigd was, heeft bijgevolg ononderbroken bestaan. De wet van 28 december 1983 vermocht, zoals uiteengezet onder 2, met retroactieve werking de inhoud van de koninklijke besluiten van 16 juli 1982 en 30 december 1982 over te nemen. (De eisers) zijn daarbij niet, zoals zij stellen, in een onoverwinnelijke dwaling gebracht. Zij hadden, zoals iedere burger kennis, of dienden die te hebben , van de verplichting een (provisionele) bijdrage te betalen vermits op het ogenblik dat deze bijdragen verschuldigd werden, de koninklijke besluiten van 16 juni 1982 en 30 december 1982 van toepassing waren. Indien zij erop gespeculeerd hebben dat deze koninklijke besluiten zouden nietig verklaard worden, moeten zij het risico dragen van hun handelswijze.
  4. De door artikel 62 van de wet van 28 december 1983 voorziene nalatigheidsintresten zijn intresten die, volgens de bepalingen van de wet van rechtswege verschuldigd zijn op de datum waarop de provisionele storting had dienen verricht te zijn. De vertraging bij de vaststelling van het bedrag van de definitieve bijdrage heeft daarop geen invloed. De (eisers) hadden in ieder geval de betaling van hoge intresten kunnen vermijden indien zij na de uitvaardiging van de wet van 28 december 1983 onmiddellijk tot de betaling van de provisionele bijdragen zouden zijn overgegaan." In zoverre het arbeidshof door de overweging dat "met de eerste rechter dient vastgesteld te worden dat het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet enkel is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en niet als dusdanig in de Grondwet" (arrest p. 5, III,1., 2.), ook de motieven van de eerste rechter overneemt, steunt het arrest dan ook op de volgende consideransen van de eerste rechter (vonnis p. 6, eerste twee alinea's): ‘Ten aanzien van de door (de eisers) voorgehouden retroactiviteit dient vooraf gesteld dat het artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen voor de toekomst geldt en zij geen terugwerkende kracht heeft. Deze regel is echter geen grondwettelijk beginsel en evenmin een algemeen rechtsbeginsel hetgeen betekent dat de wetgever steeds terugwerkende kracht kan verlenen zo hij dit nodig acht (...). In casu heeft de wetgever dit gedaan door in artikel 73 van de wet te bepalen dat de artikelen 69 en 71 van de wet uitwerking hebben met ingang van 4 augustus 1982." Grieven
  5. Naar luid van artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, dat voorschriften inhoudt inzake de publicatie van wetten (eerste lid) en hun verbindendverklaring in het gehele Rijk (tweede lid), zijn de wetten verbindend in het gehele Rijk de tiende dag na die van hun bekendmaking tenzij de wet een andere termijn heeft bepaald. Artikel 6, eerste lid, van dezelfde wet bevat een zelfde regeling inzake de koninklijke en ministeriële besluiten.
  6. Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 55 van 16 juli 1982 tot instelling van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid zijn de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op tenminste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de voor het aanslagjaar 1983 gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt, gehouden tot betaling van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid. Deze bijdrage moest, overeenkomstig artikel 3 van hetzelfde besluit, het voorwerp uitmaken van een provisionele storting, te verrichten vóór 1 december
  7. Dit koninklijk besluit, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 1982 (p. 8470 e.v.), trad, overeenkomstig de artikelen 4 of 6 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, in werking op 3 augustus
  8. Luidens artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 124 van 30 december 1982 tot instelling voor 1983 van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid wordt een zelfde regeling als in het hiervoor genoemde koninklijk besluit nr. 55 voorzien voor de gezamenlijk belastbare inkomsten van het aanslagjaar 1984, met dien verstande dat de provisionele storting moest geschieden vóór 1 december
  9. Dit koninklijk besluit, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 1983 (p. 363 e.v.), trad, overeenkomstig de artikelen 4 of 6 van de genoemde wet van 31 mei 1961, in werking op 22 januari
  10. Artikel 71 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, trekt het koninklijk besluit nr. 55 van 16 juli 1982 tot instelling van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid (gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 125 van 30 december 1982) en het koninklijk besluit nr. 124 van 30 december 1982 tot instelling voor 1983 van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid, in. Luidens artikel 73 van dezelfde wet van 28 december 1983 heeft artikel 71 van deze wet uitwerking met ingang van 4 augustus
  11. Aldus moesten de hogergenoemde koninklijke besluiten nrs. 55 van 16 juli 1982 en 124 van 30 december 1982 geacht worden nooit in werking te zijn getreden. De artikelen 60, 61, 62, 64, 65, 67, 68 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen voeren, voor de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto-bedrag van de gezamenlijke belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt, de verplichting in tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983 tot 1985, later tot 1989, waarbij onder meer ook (in artikel 62) werd opgelegd een provisionele storting te doen vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Deze wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1983 (p. 16505) en zou in beginsel, overeenkomstig artikel 4 van de genoemde wet van 31 mei 1961 in werking treden op 9 januari
  12. Overeenkomstig artikel 73 van de genoemde wet van 28 december 1983 traden de artikelen 60 tot 69 en 71 van deze wet echter in werking op 4 augustus
  13. Aldus dient te worden vastgesteld dat de regeling inzake de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, zoals ingevoerd door de genoemde wet van 28 december 1983, meer bepaald wat de aanslagjaren 1983 en 1984 betreft, met terugwerkende kracht in werking trad.
  14. Luidens een algemeen rechtsbeginsel, dat onder meer bevestiging vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, beschikt de wet in beginsel alleen voor het toekomende en kan zij dus geen terugwerkende kracht bezitten. De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat eenieder in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht van wetsbepalingen, die van die aard is dat zij rechtsonzekerheid in het leven kan roepen, kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. Wanneer bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht van de wetskrachtige norm tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.
  15. De eisers voerden deze beginselen uitdrukkelijk in conclusie aan (zie de aanvullende en syntheseberoepsbesluiten p. 6, tweede helft) waar zij stelden dat luidens een algemeen rechtsbeginsel dat één van de hoekstenen van de rechtstaat vormt, een wet slechts voor het toekomende geldt en dat luidens de rechtspraak van het toenmalig Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, de retroactiviteit van wetsbepalingen enkel kan verantwoord worden op grond van bijzondere omstandigheden, inzonderheid wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst.
  16. De rechter is gehouden, overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en artikel 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek te antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, in het licht van zijn beslissing pertinente grieven en middelen van verweer. Het hierboven vermeld verweermiddel van de eisers was pertinent en regelmatig aangevoerd. Het arbeidshof was dus gehouden erop te antwoorden.
  17. In zoverre het arbeidshof door overname van het betreffende motief van de eerste rechter zou geoordeeld hebben dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat, onder meer bevestigd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, luidens hetwelk de wet in beginsel niet met terugwerkende kracht kan gelden, is het arrest niet wettig gerechtvaardigd, nu er wel degelijk een algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk de wet in beginsel alleen voor het toekomende beschikt en zij dus geen terugwerkende kracht kan bezitten (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet, zoals dat bevestiging vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek).
  18. Het arbeidshof oordeelt tevens dat de genoemde wet van 28 december 1983 een retroactieve werking kon genieten omdat
(1)het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet enkel is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en niet als dusdanig in de Grondwet,
(2)de wetgever, onder voorbehoud van de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel, steeds kan afwijken van het beginsel van de niet-retroactiviteit,
(3)de rechter de nieuwe wet op het verleden moet toepassen indien dit de zekere bedoeling van de wetgever is geweest, en
(4)er voor de ongelijke behandeling die ontstond door de wet van 28 december 1983 (doordat de Raad van State in de onmogelijkheid gesteld werd zich uit te spreken over de eventuele onregelmatigheid van een norm die aan zijn beoordeling was voorgelegd, te weten de koninklijke besluiten nrs. 55 en 124) een objectieve en redelijke verantwoording voorhanden was. Het arbeidshof stelde aldus, samengevat, dat de rechter de wet retroactief moet toepassen wanneer dit de bedoeling van de wetgever was en dit geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Door deze motieven antwoordt het arbeidshof niet op eisers' aanvoering in voornoemde besluiten, dat een retroactieve werking van de wet slechts mogelijk is wanneer bijzondere omstandigheden voorhanden zijn, inzonderheid wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst, of wanneer dwingende motieven van algemeen belang voorliggen. Het arbeidshof miskent bijgevolg artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Ook de verwijzing naar de beslissing van het Arbitragehof van 15 juni 1993, die het Arbeidshof bijtreedt, vormt geen regelmatig antwoord op het genoemde verweermiddel, nu in dit arrest, dat uitspraak moest doen over een eventuele miskenning van het gelijkheidsbeginsel, slechts wordt gesteld dat voor het vermelde verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording voorhanden was. Minstens kunnen de bovengenoemde motieven van het arbeidshof, voor zover zij een regelmatig antwoord op bovengenoemd verweermiddel van eisers zouden uitmaken, de beslissing niet wettig rechtvaardigen. De vaststelling dat het de bedoeling van de wetgever was om de wet van 28 december 1983 een retroactieve werking te verlenen en dat dit geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel vormt, houdt niet in dat bijzondere omstandigheden voorhanden waren die de retroactieve werking van de wet rechtvaardigden, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst of dat er sprake was van dwingende motieven van algemeen belang. Het arbeidshof schendt derhalve alleszins artikel 2 van het Burgerlijk wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet, zoals dat bevestiging vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, ook de artikelen 60 (vóór zijn wijziging bij wet van 31 juli 1984), 61 (vóór zijn vervanging bij wet van 31 juli 1984), 62 (vóór en na zijn wijziging bij wet van 7 november 1987 en vóór zijn wijziging bij wet van 30 december 1988), 64, 65, 67, 68, 71 en 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, en de artikelen 4 en 6 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  1. Het arrest sluit zich alleen aan bij de redenen van de eerste rechters in zoverre deze vaststelden dat het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten enkel is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en geen grondwettelijke grondslag heeft. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest, met overname van de redenen van de eerste rechters, oordeelt dat de in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde regel dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft, geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  2. De appelrechters overwegen dat de wetgever steeds de mogelijkheid heeft af te wijken van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, onder voorbehoud dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Zij stellen vast dat het Grondwettelijk Hof in een arrest van 15 juni 1993 heeft geoordeeld dat de wet van 28 december 1983 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre hij retroactief uitwerking heeft en sluiten zich bij dit oordeel aan.
  3. Aldus geven de appelrechters de feitelijke gegevens aan waarop zij hun beslissing steunen en verwerpen en beantwoorden zij het door de eisers gevoerde verweer dat ertoe strekte artikel 73 van de wet van 28 december 1983 buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, mist het eveneens feitelijke grondslag.
  4. De rechter mag het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten niet toepassen wanneer die toepassing onverenigbaar is met de ondubbelzinnige wil van de wetgever, tenzij door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld dat de bedoelde wetsbepaling de Grondwet schendt.
  5. Het middel dat voor het overige geheel ervan uitgaat dat de rechter een wet, die uitdrukkelijk afwijkt van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, buiten toepassing vermag te laten op grond van de enkele eigen vaststelling dat er geen bijzondere omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang zouden zijn die de retroactieve werking van die wet rechtvaardigen, faalt in zoverre naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 263,61 euro jegens de eisende partijen en op de som van 251,11 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 17 mei 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100517.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.