id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.10 Rolnummer: F.09.0076.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-06-09 Raadplegingen: 526 - laatst gezien 2026-07-02 17:33 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.10 Fiche 1 Door de invoering van artikel 35 K.B./W.I.B.
(1992)heeft de Koning, op grond van de hem door artikel 59 W.I.B.
(1992)verleende machtiging, voor de aftrekbaarheid van de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood een onderscheid gemaakt tussen de jaren gepresteerd in en deze buiten de onderneming, en hiermee een voorwaarde voor de aftrekbaarheid bepaald binnen de aan de Koning verleende bevoegdheid
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Aftrekbare bestedingen - Algemeen Vrije woorden: Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood - Wettelijk stelsel uitgewerkt bij Koninklijk Besluit - Verenigbaarheid met artikel 59 W.I.B.
(1992)en artikel 108 van de Grondwet Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 59 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art. 35 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 108 Fiche 2 De verschillende behandeling van de aftrekbaarheid van werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood voor prestaties buiten de onderneming ten opzichte van deze binnen de onderneming die de bijdragen heeft gestort ten behoeve van zijn werknemers, is objectief en redelijk verantwoord; er bestaat immers in de context van artikel 49 W.I.B.
(1992)een objectief en redelijk verband tussen, eendeels, de graad van aftrekbaarheid van de werkgeversbijdrage, en, anderdeels, het aantal jaren beroepswerkzaamheid bij de onderneming: de vereiste band met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid is niet aanwezig voor de periode waarin de betrokken werknemer een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend bij andere ondernemingen dan degene die aanspraak maakt op het recht op aftrek
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Aftrekbare bestedingen - Algemeen Vrije woorden: Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood - Wettelijk stelsel uitgewerkt bij Koninklijk Besluit - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art. 35 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Aftrekbare bestedingen - Algemeen Vrije woorden: Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood - Wettelijk stelsel uitgewerkt bij Koninklijk Besluit - Verenigbaarheid met artikel 59 W.I.B.
(1992)en artikel 108 van de Grondwet Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood - Wettelijk stelsel uitgewerkt bij Koninklijk Besluit - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. F.09.0076.N AERTS TRUCKS, naamloze vennootschap, met zetel te 2880 Bornem, Doregem 90, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Mechelen-Lier, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 35, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 december 2007 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 59 WIB92, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2001, worden de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als beroepskosten aangemerkt op voorwaarde dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in renten, niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale bruto-jaarbezoldiging, en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Dezelfde wetsbepaling verleent aan de Koning de bevoegdheid om de voorwaarden en de wijze van toepassing van dit artikel te bepalen. Krachtens artikel 35 KB WIB92 zijn de voormelde werkgeversbijdragen aftrekbaar inzoverre ze toekenningen vestigen die gelijk staan met een jaarrente waarvan het bedrag, aangevuld met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 pct. van de normale bruto jaarbezoldiging van de werknemers tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid. Deze grens geldt niet voor bijdragen die gestort zijn om werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, een pensioen toe te kennen berekend in verhouding tot een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat die bijdragen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger wettelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid niet overtreft.
- Door de invoering van voormeld artikel 35 KB WIB92 heeft de Koning, op grond van de hem door artikel 59 WIB92 verleende machtiging, voor de aftrekbaarheid van de werkgeversbijdragen een onderscheid gemaakt tussen de jaren gepresteerd in en deze buiten de onderneming, en hiermee een voorwaarde voor de aftrekbaarheid bepaald binnen de aan de Koning verleende bevoegdheid.
- De Koning heeft aldus door de invoering van voormeld artikel 35 de hem door artikel 59 WIB92 toegekende bevoegdheid niet overschreden. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Krachtens artikel 35 KB WIB92 is de aftrekbaarheid van de werkgeversbijdragen beperkt op grond van het aantal dienstjaren gepresteerd bij de onderneming, waarbij de jaren gepresteerd buiten de onderneming beperkt zijn tot maximaal 10 jaar.
- De verschillende behandeling van de aftrekbaarheid voor prestaties buiten de onderneming ten opzichte van deze binnen de onderneming die de bijdragen heeft gestort ten behoeve van zijn werknemers, is objectief en redelijk verantwoord. Er bestaat immers in de context van artikel 49 WIB92 een objectief en redelijk verband tussen, eensdeels, de graad van aftrekbaarheid van de werkgeversbijdrage voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood, en, anderdeels, het aantal jaren beroepswerkzaamheid bij de onderneming. De vereiste band met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid is niet aanwezig voor de periode waarin de betrokken werknemer een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend bij andere ondernemingen dan degene die aanspraak maakt op het recht op aftrek. Gelet op de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarde waarin artikel 49 WIB92 voorziet, heeft de Koning wettig de aftrek van werkgeversbijdragen kunnen berekenen op grond van het aantal dienstjaren gepresteerd buiten de onderneming. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 298,75 euro jegens de eisende partij en op de som van 83,05 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 20 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140220.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170324.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div