← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:A

§4

, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals van toepassing tijdens de aanslagjaren 1999, 2000, 2001 en 2003, artikel 126, zowel voor als na zijn wijziging bij wet van 10 augustus 2001, artikel 394 zowel vóór als na zijn wijziging bij wetten van 4 mei 1999 en 10 augustus 2001, doch vóór zijn wijziging bij wet van 10 augustus 2005; - de artikelen 16, 82, in het bijzonder het tweede lid, 96 en 98 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, artikel 82 zoals gewijzigd bij wet van 2 februari 2005, vóór zijn wijziging bij wet van 20 juli 2005; - de artikelen 1405, eerste lid, 1408, derde lid, en 1414 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet van 16 december

  1. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest doet de bestreden beschikking teniet en opnieuw wijzende, verklaart het de oorspronkelijke vordering van de verweerster gedeeltelijk gegrond. Het bestreden arrest zegt voor recht dat de verweerster - behoudens voor wat betreft twee twaalfden van het bedrag van 654,13 euro, meer intresten (kohierartikel 745452286 aanslagjaar 2003) en voor wat betreft de in het dwangbevel vermelde kosten - vanaf 2 februari 2005 is bevrijd van het alsdan bestaand saldo van de schuldvordering in hoofdsom, intresten en kosten ten aanzien van eiser, waartoe met het dwangbevel van 7 januari 2005 bevel tot betaling werd gegeven. Het bestreden arrest oordeelt dat het eigen vermogen van verweerster, op grond van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet, bevrijd is van de betaling van de belastingen verschuldigd op haar eigen inkomsten: "De inkomsten uit beroepsbezigheden van de beide (echtgenoten) zijn, bij toepassing van artikel 1405, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, gemeenschappelijk. De op deze inkomsten verschuldigde belastingen zijn, bij toepassing van artikel 1408, derde alinea, van het Burgerlijk Wetboek, gemeenschappelijke schulden, die krachtens artikel 1414 van het Burgerlijk Wetboek, door de schuldeisers kunnen verhaald worden op het eigen vermogen van elk der echtgenoten en op het gemeenschappelijk vermogen. Daarbij zij voor zo veel als nodig vastgesteld dat belastingschulden, zelfs al betreffen ze beroepsinkomsten, niet noodzakelijk en niet op grond van deze vaststelling alleen, als beroepsschulden, in de zin van artikel 1414, tweede lid, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden beschouwd en dat ze als gemeenschappelijke schulden in beginsel verhaald kunnen worden op de drie vermogens (...). Bij toepassing van artikel 126, §1, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, wordt met betrekking tot de voornoemde inkomsten een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Dit belet echter, overeenkomstig dezelfde bepaling, niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot - zoals ten deze is gebeurd - afzonderlijk wordt vastgesteld, wat evenwel het gemeenschappelijk karakter van deze schuld niet pareert. Naar luid van artikel 393, eerste lid, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen kan de belasting ingekohierd op naam van meerdere personen slechts ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun eigen inkomsten. Bij toepassing van het tweede lid van deze bepaling is het kohier evenwel uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag te hunnen laste kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, terwijl de belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing - ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel - op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van de beide echtgenoten kan worden verhaald, bij toepassing van artikel 394 van hetzelfde wetboek. Uit hetgeen voorafgaat, komt vast te staan dat alle op het moment van het faillissement verschuldigde inkomstenbelastingen zowel met betrekking tot de inkomsten van de gefailleerde, als met betrekking tot de inkomsten van diens echtgenoot, schulden in de massa van het faillissement uitmaken én dus in de samenloop komen en dat deze schulden in principe in aanmerking komen voor de uitkering van een dividend van de door de liquidatie van de goederen gegenereerde gelden. Tot deze goederen behoren de hierna sub 11.1.3 beschreven goederen. 1.
  2. Bij toepassing van artikel 96 van de faillissementswet, kunnen de curatoren de roerende en de onroerende goederen uit het eigen vermogen van een gefailleerde echtgenoot, zowel als uit hun gemeenschappelijk vermogen, verkopen zonder de voorafgaande toestemming van de andere echtgenoot of de rechterlijke machtiging voorgeschreven bij de artikelen 215, §1, 1418 en 1420 van het Burgerlijk Wetboek. De gemeenschappelijke goederen van (de echtegenoten) konden dus door de curator te gelde worden gemaakt. De litigieuze belastingsschulden ressorteren, gezien hetgeen voorgaand werd uiteengezet, niet onder de bepalingen van artikel 98 van de Faillissementswet.
  3. Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, in de zin van artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet betekent dit dat hij niet meer kan worden vervolgd voor de interestschulden. Het huidig artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet bepaalt dat de verschoonbaar verklaarde gefailleerde niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers. Op grond van dit artikel kan niet worden besloten dat de schuld zelf teniet is gegaan, doch enkel dat op grond van deze bepaling ten aanzien van hem geen vervolgingen meer kunnen worden ingesteld. Hoewel het voormalig - met de wet van 4 september 2002 ingevoerd - artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet letterlijk bepaalde dat de schulden van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde teniet gaan, kan deze toenmalige bepaling, mede gelet op de parlementaire voorbereiding en de logische samenhang van de met deze wet ingevoerde nieuwe bepalingen, enkel in dezelfde voorzegde zin worden begrepen (zie: M., VANMEENEN en M., DE THEYE, ‘Roeien met de gegeven riemen: een praktische benadering van de verschoonbaarheid', R.W., 2003-04, 1552). De voornoemde restschulden hebben enkel en alleen betrekking op de schuldvorderingen in de massa van het faillissement, die dus bestonden op het ogenblik van het faillissementsvonnis en die in de samenloop kwamen. De restschuld van dergelijke - al dan niet in het faillissement ingediende - vordering is dus het gedeelte van deze vordering dat na de faillissementsverrichtingen van vereffening en bij afsluiting van het faillissement niet werd voldaan. Wanneer de echtgenote wordt bevrijd, in de zin van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet, dan heeft die bevrijding betrekking op dezelfde schulden.
  4. Uit hetgeen voorgaand sub 11.

2 werd overwogen, dient derhalve te worden besloten dat de verschoonbaarheid in hoofde van de gefailleerde, op grond van artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet, voor gevolg heeft dat hij niet meer kan worden aangesproken of vervolgd voor de voornoemde in de samenloop komende belastingsschulden uit hoofde van inkomstenbelastingen, verschuldigd op de inkomsten van hemzelf én van diens echtgenoot. De voornoemde en hierna verder besproken bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde, op grond van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet, heeft betrekking op dezelfde belastingsschulden, die als gemeenschappelijke schulden kunnen worden ingevorderd op de drie vermogens en die ab initio een schuld van (de verweerster) én haar echtgenoot uitmaken. De vraag of de belasting verschuldigd is door het inkomen van (de verweerster), dan wel door het inkomen van haar echtgenoot, is niet dienend. De schuldsplitsing doet daaraan geen afbreuk. Hoe dan ook is de belastingsschuld een gemeenschappelijke schuld én dus een schuld van (de verweerster) en haar echtgenoot. Deze schuld valt derhalve onder het toepassingsgebied van het bij wet van 2 februari 2005 ingevoerde tweede lid van artikel 82 van de Faillissementswet, ook al is het inderdaad zo dat het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde door de toepassing van dit standpunt nimmer kan worden aangesproken voor een gemeenschappelijke schuld en dat artikel 394 van het Wetboek van Inkomstenbelasting buiten werking wordt gesteld. Het betreft immers een weliswaar gemeenschappelijke - schuld van de gefailleerde, waarvoor de echtgenote persoonlijk aansprakelijk is. Er anders over oordelen zou voor gevolg hebben dat het gemeenschappelijk vermogen - en dus ook het vermogen van de gefailleerde - voor een restschuld van het faillissement zou kunnen worden uitgewonnen, wat haaks op de bedoeling van de Wetgever zou staan. Er anders over oordelen zou tevens voor het gevolg hebben dat met betrekking tot deze schuld een discriminatie blijft bestaan tussen de gefailleerde en diens echtgenoot, aangezien eerste genoemde volledig bevrijd is van deze schuld en laatst genoemde verder kan worden vervolgd voor dezelfde schuld. De echtgenoot zal weliswaar niet op zijn eigen vermogen kunnen worden uitgewonnen, maar het gemeenschappelijk vermogen, waarin zij deelgerechtigd is, wordt wel uitgewonnen door het faillissement". (arrest, p. 5-8). Grieven 1. De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen, aldus het eerste lid van artikel 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997. Volgens het tweede lid van diezelfde bepaling wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. De regeling inzake de verschoonbaarheid ex artikel 82 van de Faillissementswet heeft enkel betrekking op de schulden van de gefailleerde en viseert niet de eigen schulden van de echtgenoot. 2. De eigen fiscale schulden van de gefailleerde zijn die belastingschulden waarvoor het belastbare feit in hoofde van de gefailleerde is ontstaan. Wanneer de gefailleerde is gehuwd, zijn de belastingen verschuldigd op de inkomsten van beide echtgenoten, op grond van artikel 1408 van het Burgerlijk Wetboek gemeenschappelijke schulden. Bij toepassing van artikel 126, §1, WIB92 wordt met betrekking tot de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten een gemeenschappelijke aanslag op naam van beide echtgenoten gevestigd, waarbij, met het oog op de invordering van de belasting, het gedeelte wordt bepaald van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke belastingplichtige echtgenoot (artikel 394, §

§4, WIB92).

Overeenkomstig artikel 394, §1, WIB92, mogen de belasting of het gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten alsook de voorheffing ingekohierd op naam van één van hen, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel, worden verhaald op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten. Ingevolge die bepaling, die de omvang van het verhaalsrecht van eiser regelt, kan de belasting worden ingevorderd ten laste van de andere echtgenoot dan diegene op wiens naam de belasting is vastgesteld voor zover evenwel de belasting betrekking heeft op de inkomsten verworven tijdens het huwelijk. Enkel de eigen goederen waarvan de echtgenoot kan aantonen dat ze van onverdachte oorsprong zijn, kunnen worden onttrokken aan de invordering van de belasting die is vastgesteld in verband met de eigen inkomsten van de andere echtgenoot (zie artikel 394, §2, WIB92).

  1. Waar de verschoonbaarverklaring betrekking heeft op de schulden van de gefailleerde, gaat het gedeelte van de belasting in verband met de eigen inkomsten van de gefailleerde onherroepelijk teniet door de verschoonbaarverklaring en kunnen deze belastingen niet meer, overeenkomstig artikel 394, §1, WIB92, worden verhaald op het eigen en gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. Het gedeelte van de aanslag in verband met het belastbare inkomen van de niet-gefailleerde echtgenoot vormt geen eigen schuld van de gefailleerde, maar is krachtens artikel 394, §1, WIB92 wel verhaalbaar op het eigen vermogen van de gefailleerde, evenals op het gemeenschappelijk vermogen. Ingevolge de verschoonbaarverklaring, op grond van artikel 82, eerste lid, Faillissementswet, kunnen de belastingen op de eigen inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot niet meer op het eigen vermogen van de gefailleerde worden uitgewonnen, noch op het gemeenschappelijk vermogen, in zoverre beide vermogens tot de failliete boedel behoren. De belastingen vastgesteld op naam van de niet-gefailleerde echtgenoot kunnen daarentegen wel nog worden verhaald op het eigen vermogen van deze echtgenoot. Het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot behoort immers niet tot de failliete boedel zodat het volledig ontsnapt aan de invloed van de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde echtgenoot. Het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot behoort niet tot de failliete boedel, in zoverre artikel 16 van de Faillissementswet bepaalt dat de boedel wordt gevormd door de goederen van de gefailleerde. Ook uit artikel 96 van diezelfde wet, dat bepaalt dat de curator, zonder de toestemming van de echtgenoot van de gefailleerde, de roerende en onroerende goederen uit het eigen vermogen van de gefailleerde, evenals uit het gemeenschappelijk vermogen, mag verkopen, volgt dat de goederen uit het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot buiten de boedel blijven, terwijl ook in artikel 98, specifiek voor de gemeenschappelijke schulden die de gefailleerde bij de uitoefening van zijn beroep heeft gemaakt en die niet voldaan zijn door de vereffening van het faillissement, wordt bepaald dat deze schulden niet kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde. Het feit dat de belastingschulden van de gefailleerde, overeenkomstig artikel 394, WIB92, ook op het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot kunnen worden verhaald, heeft niet tot gevolg dat het eigen vermogen van die echtgenoot als dusdanig deel zal uitmaken van de failliete boedel.
  2. De bevrijding op grond van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet, van de echtgenoot van de gefailleerde, die krachtens een fiscale bepaling persoonlijk gehouden is tot voldoening van de belastingschulden van haar gefailleerde echtgenoot (artikel 394 WIB92), kan bijgevolg geen betrekking hebben op het gedeelte van de personenbelasting in verband met de eigen inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot in zoverre deze belastingen steeds verhaalbaar blijven op haar eigen vermogen, dat geheel buiten de boedel is gebleven. Het feit dat een belastingschuld, spijts de schuldsplitsing voorzien in artikel 394, §

§4

, WIB92, steeds als een gemeenschappelijke schuld kan worden verhaald op de drie vermogens (definitief passief) en bijgevolg, ab initio, een schuld uitmaakt waarvoor de beide echtgenoten persoonlijk aansprakelijk zijn, kan geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor eiser om, ingeval van verschoonbaarverklaring van de gefailleerde echtgenoot, het gedeelte van de personenbelasting in verband met de eigen inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot te verhalen op het eigen vermogen van deze echtgenoot (voorlopig passief). Anders dan het bestreden arrest aanvoert (p. 8, derde alinea), wordt aldus, noch het gemeenschappelijk vermogen, noch het vermogen van de gefailleerde echtgenoot, aangesproken voor een restschuld van het faillissement, maar wordt enkel het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde door eiser uitgewonnen. Er kan evenmin sprake zijn van een discriminatie tussen de gefailleerde, die volledig is bevrijd, en diens echtgenote, die verder op haar eigen vermogen kan worden uitgewonnen, in zoverre deze laatste niet zelf werd failliet verklaard zodat haar eigen vermogen, overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet, tot onderpand blijft strekken van haar persoonlijke schuldeisers.

  1. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat elke belastingschuld die gevestigd is op naam van beide echtgenoten, omwille van het gemeenschappelijk karakter van die schuld waarvoor elke echtgenoot persoonlijk moet instaan, valt onder het toepassingsgebied van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet, noch wettig, op grond van diezelfde bepaling, heeft beslist dat het eigen vermogen van de verweerster volledig was bevrijd van de betaling van de belastingen die verband hielden met haar eigen inkomsten ingevolge de verschoonbaarverklaring van haar echtgenoot (schending van de artikelen 126, 394, in het bijzonder §1, WIB92, 16, 82, 96 en 98 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 1405, eerste lid, 1408, derde lid, en 1414 van het Burgerlijk Wetboek, 7 en 8 van de Hypotheekwet). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Volgens artikel 394, §1, WIB92, mogen de belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning wordt geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten worden verhaald. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, bepaalt de Koning de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke belastingplichtige wordt vastgesteld. Krachtens die bepaling, die de omvang van het verhaalsrecht van de fiscus bepaalt, kan de belasting worden ingevorderd ten laste van de andere echtgenoot dan diegene op wiens naam de belasting is vastgesteld voor zover evenwel de belasting betrekking heeft op inkomsten verworven tijdens het huwelijk.
  3. Luidens artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet, in zijn toepasselijke versie, kan de gefailleerde die verschoonbaar wordt verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. Volgens het tweede lid van die wetsbepaling wordt de echtgenoot van de gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. De verschoonbaarverklaring heeft wat de fiscale schulden betreft enkel uitwerking op de eigen fiscale schulden van de gefailleerde.
  4. Het gedeelte van de aanslag dat betrekking heeft op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige echtgenoot van de gefailleerde is geen eigen fiscale schuld van de gefailleerde, waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde aansprakelijk is maar is een schuld waarvoor de niet-gefailleerde persoonlijk moet instaan, ook al kon deze schuld krachtens artikel 394, §1, WIB92, vóór de verschoonbaarverklaring, worden verhaald op zowel het gemeenschappelijk vermogen als op de eigen goederen van de beide echtgenoten. Hieruit volgt dat de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet tot gevolg heeft dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de belastingplichtige echtgenoot.
  5. De appelrechter geeft aan de bepaling van artikel 394 WIB92 een onjuiste draagwijdte en breidt de gevolgen van verschoonbaarverklaring uit tot gevallen die door de wet niet bedoeld zijn. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 20 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110224.9 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150508.2 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.049 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.