← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8 Rolnummer: F.09.0055.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-06-09 Raadplegingen: 671 - laatst gezien 2026-07-02 17:33 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.8 Fiche 1 Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Nieuwe wet Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Fiche 2 Wetten die nieuwe procesrechtelijke regels invoeren hebben in beginsel onmiddellijke werking; daden van tenuitvoerlegging zijn geregeld door procesrechtelijke bepalingen en vallen bijgevolg onder de vigeur van de wet die van toepassing is op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Wetten die procesrechterlijke regels invoeren - Daden van tenuitvoerlegging - Toepasselijke wet Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Fiche 3 Door de wet van 30 juni 2000, die de in artikel 313, § 5, A.W.D.A. voorziene vervaltermijn van drie jaar voor de dadelijke uitwinning door middel van een dwangbevel ophief, van bij haar inwerkingtreding toe te passen op belastingschulden waarvoor het recht van dadelijke uitwinning op grond van de opgeheven bepaling was ingetreden, maar die op dat ogenblik nog niet waren verjaard en dus nog konden worden ingevorderd middels een gerechtelijke procedure, wordt geen afbreuk gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten nu het op grond van dat artikel ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning niet raakt aan het bestaan en de opeisbaarheid van de onderliggende belastingschuld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Dwangbevel - Invordering - Recht van parate executie - Vervaltermijn van drie jaar - Opheffing van de vervaltermijn - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt. 313, § 5, en 314 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262bis, § 1, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Nieuwe wet Werking in de tijd - Wetten die procesrechterlijke regels invoeren - Daden van tenuitvoerlegging - Toepasselijke wet Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Dwangbevel - Invordering - Recht van parate executie - Vervaltermijn van drie jaar - Opheffing van de vervaltermijn - Werking in de tijd Tekst van de beslissing Nr. F.09.0055.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  1. DE BIE LOUIS, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 64, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest,
  2. F.C., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 oktober 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet, volgens hetwelk een nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten, afgeleid uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat inzake belastingen de materiële rechtsregels van kracht op het ogenblik dat de belasting moet worden gevestigd, steeds toepasselijk blijven en dat een nieuwe procedureregel, hoewel in beginsel van toepassing op de hangende rechtsgedingen vanaf haar inwerkingtreding, geacht wordt niet te gelden met betrekking tot vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities, afgeleid uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 2, 2262 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 2262 vóór zijn wijziging bij wet van 10 juni 1998; - de artikelen 3 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 313 en 314 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (Algemene Wet Douane en Accijnzen, verder afgekort: AWDA), bekrachtigd bij wet van 6 juli 1978, zowel voor als na hun wijziging bij wet van 30 juni 2000; - artikel 3 van de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van de AWDA en het WIB92; - artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk, doch ongegrond en beslist dat het dwangbevel van 17 december 2001 nietig is. Het bestreden vonnis bevestigt vervolgens het bestreden vonnis, zij het op andere, navolgende gronden: "(De verweerders) voeren aan dat het dwangbevel uitgevaardigd op 17 december 2001 nietig is omdat het betekend werd buiten de termijn van drie jaar vanaf de dag dat de schuld opvorderbaar werd en dit op grond van artikel 313 AWDA, dat werd gewijzigd bij de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen en het WIB
  3. (De eiser) werpt hiertegen op dat door de inwerkingtreding van de wet van 30 juni 2000 waarin paragraaf 5 van artikel 313 AWDA werd opgeheven het dwangbevel kon worden uitgevaardigd zolang de invorderingsmogelijkheid van de verschuldigde rechten niet verjaard is. De wet van 30 juni 2000 trad in werking op 12 augustus
  4. In artikel 3 van deze wet werd paragraaf 5 van artikel 313 AWDA opgeheven. Paragraaf 5 bepaalde het volgende: ‘Het recht van dadelijke uitwinning (dwangbevel) mag tegen de borgen en belastingplichtigen uitgevoerd worden en houdt op ten opzichte de enen en anderen na 3 jaar vanaf de dag dat de schuld opeisbaar is geworden'. Paragraaf 5 bepaalde aldus een vervaltermijn waarbinnen het recht van dadelijke uitwinning moest worden uitgevoerd. Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende (kracht) heeft, tenzij de wetgever anders heeft beslist. Bij gebrek aan andersluidende wettelijke bepaling heeft artikel 3 van de wet van 30 juni 2000 geen terugwerkende kracht en heeft het onmiddellijke werking vanaf de inwerkingtreding ervan, namelijk vanaf 12 augustus
  5. De onmiddellijke werking houdt in dat de wet niet alleen van toepassing is op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan definitief verworven rechten. Het nieuwe artikel 313 AWDA kan bijgevolg een eerder ingetreden verval van recht niet verhinderen. Aangezien niet betwist is dat de termijn van drie jaar bepaald in het oude artikel 313 AWDA in deze zaak verstreken was op het ogenblik dat de wet van 30 juni 2000 in werking trad, kunnen (de verweerders) zich tegenover het haar op 22 januari 2002 aangezegd dwangbevel beroepen op definitief verworven rechten, met name het verval van het recht in hoofde van (de eiser) per 6 juni 1992 om tot dadelijk uitwinning over te gaan. Bijgevolg is het dwangbevel van 17 december 2001 nietig". (arrest, p. 6, punt 2.3 - p. 8, punt 2.8). Grieven Eerste onderdeel
  6. Krachtens artikel 313, §1, AWDA, hebben de ontvangers, namens de eiser, het recht van dadelijke uitwinning. Dadelijke uitwinning geschiedt door middel van een dwangbevel, uitgevaardigd door de met de invordering belaste ontvanger. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur der douane en accijnzen of door de door hem aangewezen ambtenaar (artikel 314, §1, AWDA).
  7. Artikel 313, §5, AWDA, luidde, voor zijn opheffing door artikel 3 van de wet van 30 juni 2000, als volgt: "Het recht van dadelijke uitwinning mag tegen de borgen en belastingplichtigen uitgevoerd worden en houdt op ten opzichte de enen en de anderen na 3 jaar vanaf de dag dat de schuld opeisbaar is geworden". Ingevolge de opheffing van voormelde paragraaf 5, bij wet van 30 juni 2000, is de mogelijkheid voor dadelijke uitwinning bij dwangbevel niet meer onderworpen aan een vervaltermijn van 3 jaar na het invorderbaar worden van een belastingschuld en kan het recht van dadelijke uitwinning bijgevolg worden uitgeoefend zolang de belastingschuld niet is verjaard overeenkomstig artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek
  8. Luidens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, geldt de nieuwe wet, in beginsel, alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van een wet, is de nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Zo worden nieuwe procedureregels geacht van toepassing te zijn vanaf hun inwerkingtreding op de hangende rechtsgedingen, tenzij zij betrekking hebben op voor de inwerkingtreding ervan definitief verworven rechtsposities (het algemeen rechtsbeginsel dat in zake belastingen de materiële rechtsregels van kracht op het ogenblik dat de belasting moet worden gevestigd, steeds toepasselijk blijven en dat een nieuwe procedureregel, hoewel in beginsel van toepassing op de hangende rechtsgedingen vanaf haar inwerkingtreding, geacht wordt niet te gelden met betrekking tot voor de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities, afgeleid uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek).
  9. In het licht van voormelde beginselen is de wetswijziging van 30 juni 2000, waarbij artikel 313, §5, AWDA, met ingang van 12 augustus 2000, wordt opgeheven, van toepassing op alle opeisbare belastingschulden waarvan de invorderbaarheid op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan nog niet door verjaring is vervallen, ongeacht het feit dat het recht op dadelijke uitwinning reeds was vervallen onder vigeur van de opgeheven wetsbepaling. Door het recht van dadelijke uitwinning te doen herleven voor belastingschulden die sedert meer dan drie jaar opeisbaar zijn geworden en waarvoor het verval van het recht van dadelijke uitwinning, overeenkomstig artikel 313, §5, AWDA, was ingetreden, wordt geen afbreuk gedaan aan definitief verworven rechtsposities in zoverre het verstrijken van die vervaltermijn onder vigeur van de opgeheven wetsbepaling niet verhinderde dat de belastingschuld door middel van een gerechtelijke procedure kon worden ingevorderd. Het ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning onder de toepassing van artikel 313, §5, AWDA, raakte m.a.w. niet aan het bestaan en de opeisbaarheid van de onderliggende belastingschuld, maar sloot enkel de invorderbaarheid bij dwangbevel uit.
  10. De belastingschulden die aan de grondslag lagen van het dwangbevel van 17 december 2001 hadden betrekking op invoeren van 4 en 24 april 1989 en 6 juni 1989 en waren onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar zoals bepaald in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek. Na de wijziging van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek en de invoeging van artikel 2262bis bij wet van 10 juni 1998 werd de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvordering op 10 jaar gebracht. Krachtens de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998 begon de nieuwe verjaringstermijn van 10 jaar waarin deze wet voorziet, voor rechtsvorderingen ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet, slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding. Op het ogenblik dat de wet van 30 juni 2000 op 12 augustus 2000 in werking trad en het recht van dadelijke uitwinning herleefde, was de rechtsvordering van eiser overeenkomstig artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg nog niet verjaard en was de belastingschuld dus nog steeds opeisbaar. Op grond van het dwangbevel van 7 december 2001, aangezegd lastens de verweerster op 22 januari 2002, heeft de eiser derhalve wettig kunnen overgaan tot dadelijke uitwinning van de verschuldigde invoerrechten.
  11. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat het nieuwe artikel 313 AWDA een eerder ingetreden verval van recht niet kan verhinderen en dat de verweerster zich tegenover het haar op 22 januari 2002 aangezegde dwangbevel kan beroepen op definitief verworven rechten, met name het verval van het recht in hoofde van de eiser om bij dwangbevel tot dadelijk uitwinning over te gaan, dienvolgens op die gronden niet wettig heeft beslist dat het dwangbevel van 17 december 2001 nietig was (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet, volgens hetwelk een nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten, afgeleid uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel dat in zake belastingen de materiële rechtsregels van kracht op het ogenblik dat de belasting moet worden gevestigd, steeds toepasselijk blijven en dat een nieuwe procedureregel, hoewel in beginsel van toepassing op de hangende rechtsgedingen vanaf haar inwerkingtreding, geacht wordt niet te gelden met betrekking tot voor de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities, afgeleid uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 313, 314 AWDA, artikel 3 van de wet van 30 juni 2000, de artikelen 2, 2262 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 10 van de wet van 10 juni 1998). Tweede onderdeel
  12. De eiser had voor de eerste rechter een tussenvordering ingesteld, die een tegenvordering tot voorwerp had, waarbij hij de rechter had verzocht, voor het geval deze, om welke reden ook, het dwangbevel nietig zou verklaren, de verweerster te veroordelen tot de betaling van de verschuldigde belastingen. Ook in het beschikkend gedeelte van zijn syntheseberoepsbesluiten (p. 24) verzocht de eiser het hof van beroep om zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en verweerders solidair te veroordelen tot de betaling van de verschuldigde rechten ten bedrage van 10.233,66 euro, te verhogen met de nalatigheidsintresten. De eiser had zodoende in de verzetsprocedure tegen het dwangbevel, langs gerechtelijke weg, een (tussen)vordering geformuleerd strekkende tot de veroordeling van verweerders tot betaling van de verschuldigde rechten, welke vordering aldus niet het dwangbevel van 17 december 2001 tot grondslag had.
  13. Zoals in het eerste onderdeel werd aangetoond, verhindert, noch het onder vigeur van artikel 313, §5, AWDA ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning, noch de nietigheid van het dwangbevel, dat de belastingschuld langs gerechtelijke weg kan worden ingevorderd, zolang de verjaring van die belastingschuld niet is ingetreden.
  14. Het bestreden arrest oordeelt dat het recht van dadelijke uitwinning was vervallen en dat het dwangbevel van 17 december 2001 nietig was en verklaart vervolgens het hoger beroep van de eiser ongegrond, zonder zich evenwel uit te spreken over de tussenvordering van de eiser. De rechter verantwoordt zijn beslissing niet naar recht wanneer hij nalaat uitspraak te doen over één van de punten van de vordering, noch motiveert hij zijn beslissing regelmatig met redenen wanneer hij niet aangeeft waarom die vordering niet kan worden aangenomen.
  15. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door geen uitspraak te doen over de (tussen)vordering van de eiser, het hoger beroep van de eiser niet wettig als ongegrond heeft kunnen afwijzen (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek), noch deze beslissing regelmatig met redenen heeft omkleed door niet te motiveren waarom het die vordering heeft afgewezen (schending van artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  16. Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  17. Luidens artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek zijn wetten die betrekking hebben op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging, van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald. Wetten die nieuwe procesrechtelijke regels invoeren, hebben bijgevolg, in beginsel onmiddellijke werking. Daden van tenuitvoerlegging zijn geregeld door procesrechtelijke bepalingen en vallen bijgevolg onder de vigeur van de wet die van toepassing is op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt.
  18. Luidens artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar.
  19. Krachtens artikel 314 van de algemene wet douane en accijnzen, hierna AWDA, vindt de invordering plaats door dadelijke uitwinning door middel van een dwangbevel, uitgevaardigd door de met de invordering belaste ontvanger.
  20. Luidens artikel 313, §5, AWDA, vóór de wijziging ervan door de wet van 30 juni 2000, eindigt dit recht van parate executie met het verlopen van de termijn van drie jaar nadat de schuld invorderbaar is geworden.
  21. Het op grond van artikel 313, §5, AWDA ingetreden verval van het recht van dadelijke uitwinning raakt niet aan het bestaan en de opeisbaarheid van de onderliggende belastingschuld. Door de wet van 30 juni 2000, die de vervaltermijn ex-artikel 313, §5, AWDA, ophief, van bij haar inwerkingtreding toe te passen op belastingschulden waarvoor het recht van dadelijke uitwinning op grond van de opgeheven bepaling was ingetreden, maar die op dat ogenblik nog niet waren verjaard en dus nog konden worden ingevorderd middels een gerechtelijke procedure, wordt geen afbreuk gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  22. De appelrechters stellen vast dat: - de invordering door de eiser gebeurde bij dwangbevel van 17 december 2001 dat uitvoerbaar werd verklaard op 3 januari 2002 en aan de verweerster werd aangezegd op 22 januari 2002; - op 12 augustus 2000 de termijn van drie jaar bedoeld in het oude artikel 313, §5, AWDA verstreken was; - de belastingschuld zelf niet verjaard is. Zij oordelen dat aangezien dat de opheffing van artikel 313, §5, AWDA met ingang van 12 augustus 2000 onmiddellijke werking heeft en de in deze bepaling bedoelde verjaring op dat tijdstip was ingetreden, de verweerster over een verworven recht beschikt dat eraan in de weg staat dat de eiseres haar recht van dadelijke uitwinning nog zou uitoefenen voor een niet-verjaarde belastingschuld. Op deze gronden besluiten zij tot de nietigheid van het dwangbevel van 17 december
  23. Door aldus te oordelen is hun beslissing niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 20 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130315.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.4 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110316.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.