id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100527.17 Rolnummer: C.09.0103.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 722 - laatst gezien 2026-07-02 17:27 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Hoewel de wettelijke bepaling die voorziet dat de stuiting van de verjaring voor niet bestaande wordt gehouden indien de eis wordt afgewezen, geen onderscheid maakt naar gelang de gronden waarop de afwijzing gebeurt, dient de rechter de draagwijdte na te gaan van de beslissing die de eis heeft afgewezen door de werkelijke gedachte te bepalen van de rechter die ze heeft uitgesproken; hij dient aldus na te gaan of de rechter de eis definitief heeft willen afwijzen, dan wel te kennen heeft gegeven dat het de afgewezen eiser vrijstond in een later stadium en onder bepaalde omstandigheden dezelfde eis opnieuw voor te brengen
(1).
(1)Zie Cass., 23 mei 1969, A.C., 1969, 936. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Einde - Afwijzing van de eis - Begrip - Opdracht van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2244 en 2247 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Verjaring - Burgerlijke zaken - Stuiting - Einde - Afwijzing van de eis - Begrip - Opdracht van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2244 en 2247 Fiches 3 - 4 De voor de strafrechter ingestelde burgerlijke vordering is een accessorium van de strafvordering
(1).
(1)Zie Cass, 4 juni 1996, AR P.95.0066.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960604.8, A.C., 1996, nr. 206. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Ingesteld voor de strafrechter - Aard Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Ingesteld voor de strafrechter - Aard Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 6 Wanneer de strafrechter de burgerlijke vordering afwijst op grond dat aan de beklaagde ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn of nog bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de bewezen bevonden feiten en de door de burgerlijke partij geleden schade, dan wijst hij de op het bestaan van een misdrijf gesteunde vordering van de burgerlijke partij definitief af; de omstandigheid dat de afgewezen burgerlijke partij alsdan de mogelijkheid behoudt voor de burgerlijke rechter vergoeding te vorderen voor de door haar geleden schade op grond van een eventuele andere door de vrijgesproken beklaagde begane fout die geen misdrijf uitmaakt, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie noot E.K. onder Cass., 25 mei 1973, A.C., 1973,
- Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Afwijzing door de strafrechter - Begrip - Draagwijdte - Feiten niet bewezen - Feiten bewezen - Geen oorzakelijk verband tussen feiten en schade Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Afwijzing door de strafrechter - Begrip - Draagwijdte - Feiten niet bewezen - Feiten bewezen - Geen oorzakelijk verband tussen feiten en schade Fiche 7 De door de verzekeraar aan de strafrechter overgelegde schriftelijke conclusie, waarvan niet wordt betwist dat die aan de benadeelde, die de verzekeraar in het geding betrok, werd medegedeeld en waaruit blijkt dat de verzekeraar weigert tot de vergoeding van de benadeelde over te gaan, kan gelden als kennisgeving van die weigering, die de stuiting van de verjaring van de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde heeft tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar, beëindigt. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting Vrije woorden: Aansprakelijkheidsverzekering - Benadeelde - Eigen recht tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar - Vordering - Verjaring - Stuiting - Einde - Verzekeraar - Weigering tot vergoeding - Kennisgeving - Begrip - Schriftelijke conclusie voor de strafrechter Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 34, § 2, 35, § 4, en 86 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0103.N
- L.M. ,
- L.M. en,
- L.G.,
- L.D. eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1100 Brussel, Vorstlaan 25,
- FIDEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14,
- VIVIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1210 Brussel, Koningsstraat 153, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen, en in aanwezigheid van GEMEENTE LEDEGEM, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 8880 Ledegem, Rollegemstraat 132, opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 september 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2244 en 2247 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 34, §2 en 35, §4, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst; - de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters beslissen dat de vorderingen van de eisers ontvankelijk maar ongegrond zijn, op de volgende gronden: "De vorderingen van (de eisers) betreffen rechtstreekse vorderingen in de zin van artikel 86, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, ingesteld tegen, enerzijds, nv Wintherthur Verzekeringen, thans (de eerste verweerster), verzekeraar B.A. uitbating van de nv Maro en anderzijds de (de tweede verweerster) en (de derde verweerster), verzekeraars brand van de nv Maro. Overeenkomstig artikel 34, §2, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst verjaart de rechtstreekse vordering van de benadeelde door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit werd gepleegd. De brand dateert van 29 juni
- (De eisers) zijn in de huidige zaak tot dagvaarding van de verzekeraars overgegaan op 30 januari 2003, hetzij na het verstrijken van de termijn van vijf jaar. Op grond van artikel 34, §2, tweede lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst loopt de verjaring van de rechtstreekse vordering pas vanaf het ogenblik dat de benadeelde kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar wanneer deze kennisname zich pas op een later tijdstip heeft voorgedaan. (De eerste eiseres) heeft de verzekeraars aangetekend aangeschreven met de brieven van 24 augustus 1994 (stukken V.1 eisers). In elk geval hadden (de eisers) op dat ogenblik dan ook reeds kennis van hun recht tegen de verzekeraars en liep de verjaring van hun rechtstreekse vordering vanaf dan. Ook in dit geval was de looptijd van vijf jaar bijgevolg verstreken vóór 30 juni (lees: januari)
- Dat door het hof (van beroep) in de strafprocedure een college van deskundigen werd aangesteld heeft geen uitstaans met de verjaring, nu (de eisers) reeds kennis hadden van hun recht tegen de verzekeraars, en de mogelijkheid om de verzekeraars in rechte aan te spreken geenszins afhankelijk was van de bevindingen van dit college. (De eisers) beroepen zich op diverse gronden van stuiting van de verjaring. Zij verwijzen vooreerst naar de dagvaarding van 14 april 1995 waarmee de verzekeraars in de procedure voor de strafrechter werden betrokken. Deze dagvaarding uitgestuurd door de (de eisers) behoudens (de vierde eiser), had op grond van 2244 van het Burgerlijk Wetboek stuitende werking. Evenwel werden bij het arrest van 7 juni 2002 van dit hof (van beroep) de vorderingen afgewezen, waarna de voorziening tegen dit arrest werd verworpen door het arrest van 7 januari 2003 van het hof van cassatie. Op grond van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek dient de stuiting voor niet bestaande gehouden te worden indien de eis wordt afgewezen, wat ten deze het geval is. De vorderingen van (de eisers) hebben in de huidige zaak dezelfde draagwijdte als hun vorderingen ingesteld voor de strafrechter, nu de vorderingen in beide procedures ertoe strekken dezelfde schade vergoed te zien ingevolge fouten die tot de brand van 29 juni 1994 hebben geleid. Hierbij weze aangestipt dat artikel 519 van het Strafwetboek waarvoor B. vervolgd werd, alle feiten bestraft van verspreiding van vuur door onvoorzichtigheid. (De vierde eiser) die niet tot dagvaarding van de verzekeraars is overgegaan op 14 april 1995, heeft zich burgerlijke partij gesteld op de zitting van 29 november
- Waar (de vierde eiser) met deze burgerlijke partijstelling zijn vordering in rechte heeft ingesteld, geldt ten aanzien van hem hetzelfde als wat betreft de overige (de eisers). Ook de stuiting door de burgerlijke partijstelling dient voor niet bestaande gehouden te worden gelet op de afwijzing van zijn vordering door de strafrechter. Ook de dagvaarding in kortgeding kan hierin geen verandering brengen, evenmin als het bewarend derdenbeslag van (de eisers) in handen van de verzekeraars. Een dagvaarding in kortgeding tot aanstelling van een deskundige kan niet gelijkgesteld worden met het instellen van een vordering ten gronde. Het bewarend beslag werd gelegd op 28 en 29 september 1994, waarna een nieuwe termijn van vijf jaar is beginnen te lopen. Deze termijn verstreek voor het instellen van de vordering met de dagvaarding van 30 januari
- De geldigheidsduur van het bewarend beslag is ter zake niet relevant. (De eisers) beroepen zich eveneens op de stuiting voorzien in artikel 35, §4, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst volgens welke de vordering van de benadeelde gestuit is zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen van de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering. Door de dagvaarding van 14 april 1995 hebben (de eisers) ongetwijfeld aan de verzekeraars kennis gegeven dat zij wensten vergoed te worden. Evenwel hebben de verzekeraars van meet af aan elke tussenkomst geweigerd en bleek dit onder meer uit hun besluiten genomen in de procedure voor de strafrechter, hetgeen kan beschouwd worden als een schriftelijke kennisgeving van hun weigering gericht aan (de eisers). De verzekeraars waren niet gehouden om, naast deze duidelijke stellingname in de procedure, (de eisers) in een afzonderlijke brief hun weigering mede te delen. (De eisers) kunnen niet gevolgd worden waar zij voorhouden dat zij door hun besluiten voor de strafrechter telkens opnieuw hun wil hebben geuit om vergoeding te bekomen en de verzekeraars hierdoor telkens opnieuw hun weigering dienden mede te delen. De stuiting van artikel 35, §4, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst geldt bijgevolg niet gedurende de loop van de strafprocedure, zoals (de eisers) onterecht voorhouden. Hierbij kan er nog worden op gewezen dat (de tweede verweerster) reeds voor de dagvaarding van 14 april 1995 bij niet-vertrouwelijke brief van haar raadsman had laten weten dat er geen dekking was. Aldus dient besloten te worden tot de verjaring van de vorderingen van (de eisers). Het bestreden vonnis waarbij de vorderingen van (de eisers) onontvankelijk werden verklaard, dient bevestigd te worden, zij het op andere gronden". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 34, §2, eerste lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst verjaart de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit, of indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit werd gepleegd. Artikel 34, §2, tweede lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst voegt er aan toe dat als de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis krijgt van zijn recht tegen de verzekeraar, de termijn pas begint te lopen vanaf dat tijdstip. De termijn verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit, of indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Terzake stellen de appelrechters vast dat deze termijnen in het voorliggende geval waren verstreken, nu er meer dat vijf jaar is verstreken tussen de kennisname van de benadeelden van hun eigen recht en de dagvaarding. Evenwel hebben de eisers aangevoerd dat de verjaring gestuit was. Krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. De verweerders werden op 14 april 1995 rechtstreeks gedagvaard op verzoek van de eisers, waardoor de verweerders werden betrokken in de strafprocedure. Deze dagvaarding had stuitende werking, zoals de appelrechters bevestigen. Artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek preciseert dat de stuiting voor niet-bestaande wordt gehouden wanneer de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm, indien de eiser afstand doet van zijn eis of indien zijn eis wordt afgewezen. De tweede en de derde verweerder hebben opgeworpen dat overeenkomstig artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek de stuiting van de verjaring als niet-bestaande moet worden beschouwd, omdat de tiende kamer van het hof van beroep te Gent in het arrest van 7 juni 2002 de eis van de eisers heeft afgewezen. De afwijzing van de eis in de zin van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat de eis definitief werd afgewezen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de draagwijdte van het gezag van rechterlijk gewijsde in de zin van de artikelen 23-28 van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van strafrechtelijk gezag van gewijsde. Het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak strekt zich niet verder uit dan tot datgene dat daadwerkelijk werd beslist. In zijn arrest van 23 mei 1969 besliste het Hof van Cassatie in dit verband dat, hoewel artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek geen onderscheid maakt naargelang de gronden waarop de afwijzing gebeurt, de rechter nochtans verplicht is om de draagwijdte van het arrest na te gaan door de werkelijke gedachte te bepalen van de rechter die ze heeft uitgesproken. Het Hof voegde er aan toe dat als de feitenrechter de mogelijkheid laat om de eis opnieuw voor te brengen, de verjaring geldig werd gestuit) (Cass. 23 mei 1969, Arr.Cass. 1969, 936). De tiende kamer van het hof van beroep te Gent oordeelde in het arrest van 7 juni 2002 als volgt: "Over de vraag of sprake is van fouten in hoofde van de beklaagde of de nv Maro die niet te kwalificeren zijn als oorzaken van de brand in de zin van artikel 519 van het Strafwetboek en eventuele gevolgen ervan op burgerrechtelijk gebied, dient het hof (van beroep) zich als strafrechter niet uit te spreken". (...) De appelrechters oordelen op pagina 4 van het bestreden arrest als volgt: "Op grond van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek dient de stuiting voor niet-bestaande te worden gehouden indien de eis wordt afgewezen, wat ten deze het geval is. De vorderingen van de (eisers) hebben in de huidige zaak dezelfde draagwijdte als hun vorderingen ingesteld voor de strafrechter, nu de vorderingen in beide procedures ertoe strekken dezelfde schade vergoed te zien ingevolge fouten die tot de brand van 29 juni 1994 hebben geleid". Door aan het arrest van de tiende kamer van het hof van beroep te Gent van 7 juni 2002 een interpretatie te geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, schenden de appelrechters de bewijskracht van dit arrest. De appelrechters schenden bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322, van het Burgerlijk Wetboek. Door te beslissen dat de eis in dit geval werd afgewezen door de strafrechter, schenden de appelrechters voorts artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens dat artikel kan de stuiting enkel voor niet-bestaande worden gehouden wanneer de eis werd afgewezen, terwijl de tiende kamer van het hof van beroep te Gent van 7 juni 2002 de eis van de eisers niet definitief heeft afgewezen. De strafrechter heeft geen uitspraak gedaan over de vraag of er door de beklaagde of de nv Maro fouten werden begaan die niet te kwalificeren zijn als oorzaken van de brand in de zin van artikel 519 van het Strafwetboek en de eventuele gevolgen ervan op burgerrechtelijk gebied. De strafrechter heeft zich hierover niet uitgesproken, wat niet kan worden gelijkgesteld met de afwijzing ervan. Het arrest van de tiende kamer van het hof van beroep te Gent van 7 juni 2002 heeft geen gezag van gewijsde met betrekking tot de gegrondheid van die vordering. Door er anders over te oordelen schenden de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel en het gezag van het strafrechtelijk gewijsde en voor zoveel als nodig de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Artikel 35, §4, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verjaring zoals bedoeld in artikel 35, §2, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering. De wilsuiting van de benadeelden is aan geen vormvereisten verbonden, zoals het Hof in zijn arrest van 6 april 2006 heeft beslist. (Cass. 6 april 2006, C.05.00400.N, www.cass.be) De appelrechters beslissen dat de verjaring werd gestuit op 14 april 1995, omdat de eisers op die dag een dagvaarding hebben laten betekenen aan de verweerder. De beëindiging van de stuiting vereist een schriftelijke kennisgeving van de verzekeraar aan de benadeelden. Door te beslissen dat de stuiting van de verjaring werd beëindigd door de enkele neerlegging van besluiten voor de strafrechter door de verweerders, schenden de appelrechters artikel 35, §4, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Krachtens artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden indien de eis wordt afgewezen.
- Hoewel voormeld artikel 2247 geen onderscheid maakt naar gelang de gronden waarop de afwijzing gebeurt, dient de rechter de draagwijdte na te gaan van de beslissing die de eis heeft afgewezen door de werkelijke gedachte te bepalen van de rechter die ze heeft uitgesproken. Hij dient aldus na te gaan of de rechter de eis definitief heeft willen afwijzen, dan wel te kennen heeft gegeven dat het de afgewezen eiser vrijstond in een later stadium en onder bepaalde omstandigheden dezelfde eis opnieuw voor te brengen.
- De voor de strafrechter ingestelde burgerlijke vordering is een accessorium van de strafvordering. Wanneer de strafrechter de burgerlijke vordering afwijst op grond dat de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn of nog bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de bewezen bevonden feiten en de door de burgerlijke partij geleden schade, dan wijst hij de op het bestaan van een misdrijf gesteunde vordering van de burgerlijke partij definitief af. De omstandigheid dat de afgewezen burgerlijke partij alsdan de mogelijkheid behoudt voor de burgerlijke rechter vergoeding te vorderen voor de door haar geleden schade op grond van een eventuele andere door de vrijgesproken beklaagde begane fout die geen misdrijf uitmaakt, doet hieraan geen afbreuk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het hof van beroep te Gent bij arrest van 7 juni 2002 geoordeeld heeft dat: - de tenlasteleggingen A, te weten de feiten van brandstichting in de zin van het artikel 519 van het Strafwetboek, en B niet bewezen voorkomen; - de tenlasteleggingen C en D wel bewezen voorkomen; - gelet op de vrijspraak voor de tenlasteleggingen A en B, de vorderingen van de eisers tegen de beklaagde niet gegrond voorkomen in zoverre gesteund op deze tenlasteleggingen; - de vorderingen van de eisers tegen de beklaagde eveneens ongegrond voorkomen in zoverre gesteund op de bewezen bevonden tenlasteleggingen C en D, bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de schade; - gezien de eisers over geen schuldvordering gesteund op de aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijven beschikken, hun vorderingen tegen de verweerders, die noodzakelijkerwijze eveneens gesteund zijn op de aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijven, niet gegrond zijn; - het hof van beroep zich als strafrechter niet heeft uit te spreken over de vraag of sprake is van fouten in hoofde van de beklaagde, die niet te kwalificeren zijn als oorzaken van de brand in de zin van het artikel 519 van het Strafwetboek, noch over de eventuele gevolgen ervan op burgerrechtelijk gebied. Door aldus te oordelen heeft het hof van beroep de vordering van de eisers als burgerlijke partijen, gesteund op de aan de beklaagde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, afgewezen in de zin van het artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, zodat de stuiting van de verjaring voor niet-bestaande dient te worden gehouden, ook al sluit het hof van beroep niet uit dat op grond van een andere fout, die geen misdrijf oplevert, voor de burgerlijke rechter een vordering zou kunnen worden ingesteld tegen dezelfde partijen en uit hoofde van zelfde schade.
- Het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat het hof van beroep te Gent bij arrest van 7 juni 2002 de vordering van de eisers niet definitief heeft afgewezen in de zin van het artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 35, §4, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, wordt de verjaring van de vordering bedoeld in artikel 34, §2, gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. Krachtens hetzelfde artikel, eindigt de stuiting op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering. De door de verzekeraar aan de strafrechter overgelegde schriftelijke conclusie, waarvan niet wordt betwist dat die aan de benadeelde, die de verzekeraar in het strafgeding betrok, werd medegedeeld en waaruit blijkt dat de verzekeraar weigert tot de vergoeding van de benadeelde over te gaan, kan gelden als kennisgeving van die weigering. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 1234,16 euro jegens de eisende partijen en op de som van 172,36 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Filip Van Volsem, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100527.17 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060406.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110922.8 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130308.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960604.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div