id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.1 Rolnummer: C.08.0552.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-30 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-02 17:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de overeenkomsten gesloten voordat 31 dagen zijn verlopen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister, houdt de verplichting om in de akten, overeenkomsten en publiciteit, in geval van vermelding van benamingen, deze vermeld in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen te gebruiken, de verplichting niet in om in die akten, overeenkomsten of publiciteit te vermelden of er voor het onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning is uitgereikt en de meest recente stedenbouwkundige bestemming van het goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister over te nemen; wat deze overeenkomsten betreft dienen aldus de benamingen gebruikt in de genoemde plannen niet verplicht te worden vermeld. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Informatieplicht ruimtelijke ordening Vrije woorden: Akten, overeenkomsten en publiciteit - Vermeldingen - Stedenbouwkundige bestemming - Benamingen in de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen - Gebruik - Verplichting - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 141, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 199, § 2, eerste, tweede en vierde lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0552.N
- B.A., en,
- P.I., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- P.W.,
- D.M., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 mei 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 141, eerste lid, 146, eerste lid, 4°, 162 en 199, §2, van het Decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest verklaart het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van de verweerders tegen het vonnis van 22 maart 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, waarbij de tegenvordering van de eisers werd gegrond verklaard, de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 ten nadele van de verweerders werden ontbonden en verweerders werden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 10.625,00 euro, gegrond, zegt voor recht dat de overeenkomsten tussen partijen van 4 en 16 november 2005 nietig zijn, verklaart de vordering van de verweerders tot terugbetaling van het voorschot van 10.625,00 euro ontvankelijk en gegrond, veroordeelt de eisers tot terugbetaling van dit voorschot, meer verwijlinteresten en gerechtelijke interesten, wijst hen hiervan af en wijst het meer en of anders gevorderde af en verklaart de tegenvordering van de eisers ongegrond en wijst hen hiervan af. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende gronden: "2.
- Bij het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt voorgeschreven, in afdeling 5 (informatieplicht met betrekking tot overeenkomsten), artikel 141: ‘Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van een vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning is uitgereikt en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overne¬men. De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akte opmaken moeten artikel 99 van dit decreet integraal overnemen in de akte". Artikel 146, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet voorziet in strafsancties voor zij die een inbreuk plegen ‘op de informatieplicht, bedoeld in artikelen 137 tot en met 142'. Bij artikel 199, §2, van steeds hetzelfde decreet wordt verder bepaald: ‘De bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals voorzien in de artikelen 137, 141 en 142, zijn slechts van toepassing ten vroegste 31 dagen nadat in het Belgisch Staatsblad gepubli¬ceerd is dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten en op openbare verkoopverrichtingen die zijn aangevat vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip. Het bewijs hiervan kan met alle middelen worden geleverd. De lijst van de gemeenten, die beschikken over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister, wordt driemaandelijks opgemaakt en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, vanaf de inwerkingtreding van dit decreet en tot alle gemeenten op deze lijst zijn opgenomen. Zolang deze publicatie niet is gebeurd, zijn de benamingen die moeten worden gebruikt in de akten, overeenkomsten en publiciteit de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen (...)'. (De eisers) houden voor dat deze bepalingen niet toepasselijk zijn omdat nog geen publicatie in het Belgisch Staatsblad is geschied dat de gemeente Lille over een vergunningenregister en goedgekeurd plannenregister beschikt. Nochtans bepaalt artikel 199, laatste lid, zoals hiervoor aangehaald, dat zolang de publicatie niet is geschied, de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen moeten worden gebruikt. De benamingen gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn deze bedoeld bij het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp - gewestplannen en gewestplannen (BS 10 februari 1973). Uit stuk 4 van het bundel van (de verweerders) blijkt dat het perceel volgens het gewestplan Turnhout van 30 september 1977 gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie. Concreet betekent dit hier dat in hoofde van de verkopers (de eisers) de wettelijke verplichting bestond (artikel 141 van het decreet: ‘Iedereen die een onderhandse akte van verkoop') om de benaming ‘recreatiezone' uitdrukkelijk te vermelden in de overeenkomst. Het is niet voor betwisting vatbaar dat dit hier niet is geschied. Noch in de voorlopige overeenkomst van 4 november 2005, noch in de overeenkomst van 16 november 2005, staat zulks vermeld. Het feitelijk gegeven dat de overeenkomst van 16 november 2005 werd opgesteld op briefhoofding van notaris N. , kan de wettelijke informatieverplichting die in hoofde van (de eisers) bestaat, niet wegnemen. Het feitelijk gegeven dat (de eisers) (zoals trouwens ook de verweerders) leken zijn en zich hebben gewend tot een notaris, kan evenmin de wettelijke verplichtingen ongedaan maken. (...) (De eisers) werpen op dat de miskenning van artikel 141 van voornoemd decreet niet noodzakelijk tot de vernietiging van de overeenkomst moet leiden. Artikel 162 van het decreet zou - volgens (de eisers) - de rechtbank de mogelijkheid geven de titel te vernietigen; doch enkel met goederen die het voorwerp zijn van de artikelen 146 tot en met 151 bedoelde vordering. De bepalingen van de stedenbouwwetgeving zijn van openbare orde (vgl. Cass. 31 mei 1990, Arr. Cass. 1989-1990,1250). In de hierboven beschreven omstandigheden staat vast dat de overeenkomsten van 4 november 2005 en 16 november 2005 werden aangegaan in strijd met de bepaling van openbare orde van artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Om die reden zijn de overeenkomsten nietig. Dat er hier geen strafvordering aanhangig is, doet aan voorgaande geen afbreuk. (...) 2.
- Het hoger beroep van (de verweerders) is gegrond. De vordering tot nietigverklaring van de overeenkomsten van 4 november 2005 en die van 16 november 2005 wordt gegrond verklaard. Voormelde overeenkomsten zijn nietig. (De eisers) worden veroordeeld tot terugbetaling van het (door) de verweerders betaalde voorschot van 10.625,00 euro, vermeerderd met de verwijlinterest vanaf de creditering van de rekening van (de verweerders) met voormeld bedrag alsook de gerechtelijke interest tot aan de gehele betaling. (...) De oorspronkelijke tegeneis van (de eisers) (in ontbinding van de overeenkomst) wordt bijgevolg afgewezen als ongegrond. (De eisers) worden veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen". Grieven Eerste onderdeel Naar luid van artikel 141, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening moet iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, vermelden of er voor het onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning is uitgereikt en de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. Het artikel 146, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 mei 1999 voorziet in strafsancties bij inbreuk op de informatieplicht, bedoeld in de artikelen 137 tot en met 142 van het voornoemd decreet. Luidens artikel 162, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 kan de rechtbank, op vordering van de kopers of de huurders van het goed, voorwerp van de in de artikelen 146 tot en met 151 bedoelde vordering, naar gelang van het geval, hun titel van eigendomsverkrijging of van huur op kosten van de veroordeelde vernietigen, onverminderd het recht om vergoeding van de schade te eisen van de schuldige. Overeenkomstig artikel 199, §2, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 zijn de bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals voorzien in voormeld artikel 141, slechts van toepassing ten vroegste 31 dagen nadat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister. Het tweede lid van voornoemde wetsbepaling voorziet dat de bepalingen met betrekking tot de informatieverplichting niet van toepassing zijn op de overeenkomsten die zijn gesloten vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip. Zolang de publicatie niet is gebeurd, zijn overeenkomstig artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999, de benamingen die moeten worden gebruikt in de akten, overeenkomsten en publiciteit de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. De eisers stelden in hun appelconclusie dat tot heden niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd dat de gemeente Lille, waar de door hen aan verweerders verkochte onroerende goederen gelegen zijn, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister (appelconclusie van eisers gedateerd op 7 maart 2008, p. 7, nr. 3, tweede lid). Deze aanvoering werd door de appelrechters niet tegengesproken (bestreden arrest p. 6, eerste lid). De appelrechters beslisten echter dat, zolang deze publicatie niet is geschied, ingevolge artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999 de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen moeten worden gebruikt, hetgeen, naar de appelrechters, hier concreet betekent dat in hoofde van eisers op grond van artikel 141 van het voormeld decreet de wettelijke verplichting bestond om de benaming "recreatiezone" uitdrukkelijk te vermelden in de voorlopige overeenkomst van 4 november 2005 en in de overeenkomst van 16 november 2005, wat niet is geschied. De bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals voorzien in voormeld artikel 141, waren evenwel ingevolge artikel 199, §2, eerste en tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999, niet van toepassing op de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005, vermits deze, naar de niet tegengesproken appelconclusie van de eisers, werden gesloten vooraleer in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is dat de gemeente Lille, waar de verkochte onroerende goederen gelegen zijn, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister. Door niettemin te beslissen dat in hoofde van de eisers de wettelijke verplichting bestond, voorzien in voormeld artikel 141, schendt het hof van beroep het eerste lid van dit artikel alsook het artikel 199, §2, eerste en tweede lid, van het decreet van 18 mei
- Het hof van beroep kon de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 bijgevolg evenmin nietig verklaren op grond van artikel 162 van het decreet van 18 mei 1999 vermits de informatieplicht, bedoeld in artikel 141, eerste lid, van het voormeld decreet, niet op die overeenkomsten van toepassing was en de verkochte goederen bijgevolg evenmin het voorwerp waren van een vordering zoals bedoeld in artikel 146, eerste lid, 4°, van voormeld decreet en vermits het niet gebruiken van de bewoordingen uit de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorgeschreven door artikel 199, §2, vierde lid, van voormeld decreet, geen voorwerp is van de in artikelen 146 tot en met 151 van voormeld decreet bedoelde overtredingen en evenmin door die artikelen gesanctioneerd wordt. Door desalniettemin de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 nietig te verklaren met toepassing van artikel 162 van het decreet van 18 mei 1999 omdat die overeenkomsten werden aangegaan in strijd met de bepaling van artikel 199, §2, vierde lid, van het voormeld decreet en zonder dat de verkochte goederen voorwerp waren van de in artikelen 146 tot en met 151 bedoelde overtredingen of vorderingen, heeft het hof van beroep in het bestreden arrest de artikelen 141, eerste lid, 146, eerste lid, 4°, 162, eerste lid en 199, §2, van het decreet van 18 mei 1999 geschonden. In zoverre het bestreden arrest aldus dient te worden gelezen dat de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 niet werden vernietigd met toepassing van voornoemd artikel 162, maar enkel op grond van artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999, heeft het hof van beroep zijn beslissing evenmin wettelijk gerechtvaardigd, nu voormeld artikel 199, §2, vierde lid, het gebruik van de benamingen uit de plannen van aanleg of ruimtelijke ordening niet op straffe van nietigheid heeft voorgeschreven. In deze lezing schendt het bestreden arrest dienvolgens het artikel 199, §2, van het decreet van 18 mei
- Tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek kan aan de wetten, die de openbare orde en de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan. Een wet is alleen van openbare orde wanneer zij de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap betreft of wanneer zij, in het privaat recht, de juridische grondslagen, waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust, bepaalt. Luidens artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek kan een verbintenis, aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg sorteren. Artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de ongeoorloofde oorzaak ondermeer als deze die strijdig is met de openbare orde. Naar luid van artikel 141, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening moet iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, vermelden of er voor het onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning is uitgereikt en de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. Volgens artikel 199, §2, eerste lid, van het voornoemde decreet is deze informatieverplichting slechts van toepassing ten vroegste 31 dagen nadat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister. Het tweede lid van dit artikel voorziet dat de bepalingen met betrekking tot de informatieverplichting niet van toepassing zijn op de overeenkomsten die zijn gesloten vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip. Zolang deze publicatie niet is gebeurd, zijn overeenkomstig artikel 199, §2, vierde lid, van het voornoemde decreet, de benamingen die moeten worden gebruikt in de akten, overeenkomsten en publiciteit de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het gebruik van die benamingen, opgelegd door artikel 199, §2, vierde lid, van het voornoemd decreet, beoogt louter de private belangen van partijen en is bijgevolg niet van openbare orde vermits het niet de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust. Het enkele feit dat de bepalingen van de stedenbouwwetgeving voor het merendeel van openbare orde zijn, sluit trouwens niet uit dat die wet ook bepalingen bevat die louter met private belangen verband houden. Naar het hof van beroep werden de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 aangegaan in strijd met de bepaling van artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei
- Indien het bestreden arrest aldus moet worden gelezen dat het de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 vernietigt omdat het voormeld artikel 199, §2, vierde lid, van openbare orde is, schenden de appelrechters de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, 162 en 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei
- Het artikel 146, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 mei 1999 voorziet bovendien geen strafsanctie bij miskenning van het voormeld artikel 199, §2, vierde lid, zodat hieruit evenmin kan worden afgeleid dat deze verplichting van openbare orde zou zijn. Zelfs indien het gebruik van de benamingen, opgelegd door artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999, strafrechtelijk gesanctioneerd zou zijn - quod non - dan nog impliceert dit niet dat voornoemde verplichting de openbare orde raakt. De straffen, voorzien in artikel 146, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 mei 1999, strekken immers tot naleving van een informatieverplichting die zuiver private belangen betreft, zodat deze informatieverplichting, zelfs indien zij strafrechtelijk gesanctioneerd wordt, niet van openbare orde is. Indien het bestreden arrest aldus dient uitgelegd te worden dat artikel 199, §2, vierde lid, van het voornoemd decreet van openbare orde is omdat het strafrechtelijk gesanctioneerd is en indien het de overeenkomsten van 4 en 16 november 2005 om die reden vernietigde, dan schendt het bestreden arrest alle wettelijke bepalingen waarvan de schending in dit onderdeel werd aangevoerd, zijnde de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 141, eerste lid, 146 eerste lid, 4°, 162 en 199, §2, van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 141, eerste lid, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, moet iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, vermelden of er voor het onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning is uitgereikt en moet hij de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. Krachtens artikel 199, §2, eerste en tweede lid, van het decreet, zijn de bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals voorzien in de artikelen 137, 141 en 142, slechts van toepassing ten vroegste 31 dagen nadat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister en zijn deze bepalingen niet van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten en op openbare verkoopverrichtingen die zijn aangevat vóór dit tijdstip. Krachtens artikel 199, §2, vierde lid, van het decreet, zijn, zolang deze publicatie niet is gebeurd, de benamingen die moeten worden gebruikt in de akten, overeenkomsten en publiciteit, de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen.
- Volgens deze bepalingen gelden de in artikel 141 bepaalde informatieverplichtingen niet voor de overeenkomsten gesloten voordat 31 dagen zijn verlopen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister. Wat de voor dit tijdstip gesloten overeenkomsten betreft, moeten, krachtens voormeld artikel 199, §2, vierde lid, in de akten, overeenkomsten en publiciteit wel de benamingen worden gebruikt die worden gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Deze verplichting om, in geval van vermelding van benamingen, deze vermeld in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen te gebruiken, houdt niet de informatieverplichting bepaald door het artikel 141 in. Aldus dienen wat deze overeenkomsten betreft de benamingen gebruikt in de genoemde plannen, niet verplicht te worden vermeld.
- De appelrechters, die niet uitsluiten dat, zoals door de eisers aangevoerd, nog geen publicatie is geschied in het Belgisch Staatsblad dat de gemeente Lille beschikt over een vergunningenregister en goedgekeurd plannenregister, oordelen dat: - zolang die publicatie niet is geschied, krachtens artikel 199, laatste lid, van het decreet, de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen moeten worden gebruikt; - het betrokken perceel volgens het gewestplan Turnhout van 30 september 1977 gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie; - dit concreet betekent dat in hoofde van de eisers als "verkopers (...) de wettelijke verplichting bestond (artikel 141 van het Decreet: "Iedereen die een onderhandse akte van verkoop") om de benaming ‘recreatiezone' uitdrukkelijk te vermelden in de overeenkomst".
- De appelrechters, die aldus oordelen dat, ook al was nog geen publicatie geschied in het Belgisch Staatsblad dat de betrokken gemeente over een vergunningenregister en goedgekeurd plannenregister beschikte, voor de eisers als verkopers de verplichting bestond in de onderhandse akte van verkoop de benaming "recreatiezone" van het goed uitdrukkelijk te vermelden overeenkomstig het gewestplan Turnhout van 30 september 1977, schenden de artikelen 141, eerste lid, en 199, §2, eerste, tweede en vierde lid, van het Decreet van 18 mei
- Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 3 juni 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div